Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9771

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
NL17.6944
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31, geldigheid: 2017-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.6944 en NL17.6945

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E.A. Tsotsjoepieva),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Söylemez).

Procesverloop

Op 22 mei 2014 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij besluit van 18 september 2015 is deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, van de Vw 2000, juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en h, van de Vw 2000. Dit besluit is bij uitspraak van 23 november 2015 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onherroepelijk geworden.

Op 8 augustus 2017 heeft eiser onderhavige aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 10 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2017. Eiser niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij nog steeds in gevaar is omdat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden opgepakt en vermoord. Hij heeft van zijn vrouw gehoord dat dezelfde mensen nog steeds actief naar hem op zoek zijn. Zo zijn de gewapende mannen langs het huis van eiser geweest en hebben zij aangegeven dat zij eiser zullen vinden en vermoorden.

3. Verweerder wijst erop dat in rechte vast is komen te staan dat het asielrelaas van eiser dat hij aan zijn eerdere aanvraag ten grondslag heeft gelegd ongeloofwaardig is. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat nu eiser stelt nog altijd te worden gezocht op grond van dezelfde problemen die hij eerder heeft verteld, zonder dat hij dit heeft onderbouwd met documenten, de enkele verklaring van eiser geen rechtens relevant novum is. Verweerder heeft het nieuwe incident eveneens ongeloofwaardig mogen achten.

4. Dat eiser in bewijsnood zou verkeren acht de rechtbank niet aannemelijk, nu eiser zelf heeft verklaard dat hij wel aan getuigenverklaringen kan komen. Deze verklaringen heeft eiser echter niet overgelegd.

5. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen grond bestaat om aan te nemen dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

6. Nu het asielrelaas ongeloofwaardig wordt geacht is er voor een Bahadartoets geen ruimte.

7. Nu de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard, is er geen aanleiding voor toewijzing van de voorlopige voorziening.

8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Verwilligen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.