Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9698

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
NL17.6803
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Brazilië, drugssmokkel, homoseksualiteit, schending van mensenrechten

Wetsverwijzingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.6803


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Söylemez).


Procesverloop
Bij besluit van 7 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen meneer M.J. Victor Hugo Maggalhaes. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Braziliaanse nationaliteit. Op 27 juni 2017 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Eiser heeft aan zijn aanvraag – samengevat weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft dat hij op weg was naar Thailand en dat hij in zijn bagage een tomatensaus voor diabetespatiënten had meegenomen. Deze saus heeft eiser gekregen van zijn vriend [persoon A]. Eiser wist niet dat er cocaïne in de tomatensaus zat. Eiser is hiervoor in Nederland aangehouden en strafrechtelijk vervolgd. Eiser vreest om in Brazilië in de gevangenis terecht te komen vanwege dit opiumdelict. In de gevangenis vreest eiser een onmenselijke behandeling vanwege zijn seksuele geaardheid. Verder vreest hij voor represailles door [persoon A].

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). In het asielrelaas heeft verweerder de volgende relevante elementen onderscheiden: 1.Nationaliteit, identiteit & herkomst; 2. Grappen vanwege eiser zijn uiterlijk; 3. Bedreigingen en discriminatie vanwege eiser zijn homoseksualiteit; 4. Telefoontjes van [persoon A] na de aanhouding van eiser wegens drugshandel. Verweerder acht het asielrelaas van eiser geloofwaardig. Verweerder is echter van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in afwijking van de algehele situatie in Brazilië, aanleiding is om Brazilië voor hem niet veilig te achten.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe het volgende – samengevat weergegeven – aangevoerd. Hoewel Brazilië beleidsmatig een veilig land van herkomst is, is er een uitzondering gemaakt voor LHBTI’s. Dat is het uitgangspunt bij de beoordeling van vrees bij terugkeer. Eiser vreest bij terugkeer in het kader van politieonderzoeken te worden vastgezet en een reëel risico te lopen op schending van mensenrechten. Eiser stelt dat het al bij de Braziliaanse autoriteiten bekend was dat eiser is gebruikt voor drugssmokkel en verwijst daarbij naar een proces-verbaal uit zijn strafdossier. Ook verwijst eiser naar een brief van VVN van 8 maart 2017 over de situatie van LHBTI’s in Brazilië en naar informatie uit USSD 2016 over de situatie in gevangenissen in Brazilië. Eiser acht het aannemelijk dat de homofobie in Brazilië ook gevolgen heeft voor gedetineerden.

5. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw wordt bij de

beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde

tijd mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling afkomstig is uit een

land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en een van de andere in artikel

3.37f, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) bedoelde verdragen en

de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het die verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt.

6. De rechtbank oordeelt als volgt.

6.1

Ter zitting geeft eiser aan dat hij de gestelde discriminatie vanwege zijn homoseksualiteit niet aan zijn asielrelaas ten grondslag legt.

6.2

Sinds 24 april 2017 is Brazilië toegevoegd aan de lijst veilige landen van herkomst. In het algemeen gezien en op duurzame wijze is geen sprake is van vluchtelingrechtelijke vervolging, foltering of onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Verwezen wordt naar de kamerbrief van 24 april 2017 welke door staatssecretaris Dijkhoff is aangeboden aan de Tweede Kamer. Er wordt derhalve van uitgegaan dat Brazilië in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft.

6.3

Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat Brazilië voor hem niet kan worden beschouwd als veilig land van herkomst. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in afwijking van de algehele situatie in Brazilië, er aanleiding is aan te nemen dat Brazilië ten aanzien van hem persoonlijk zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en derhalve in zijn geval niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd.

6.4

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit de brief van de staatssecretaris van 24 april 2017 volgt dat in individuele zaken bijzondere aandacht dient te worden geschonken aan LHBTI’s. Dit is in het geval van eiser gebeurd.

6.5

Voor zover eiser vreest bij terugkeer in het kader van politieonderzoeken te worden gedetineerd en in detentie een reëel risico op schending van mensenrechten te lopen vanwege zijn seksuele geaardheid overweegt de rechtbank als volgt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit een toekomstige onzekere gebeurtenis betreft. Weliswaar wordt eiser hier ter lande vervolgd voor een opiumdelict waarvan de Braziliaanse autoriteiten op de hoogte zijn, maar dat rechtvaardigt geenszins de conclusie dat eiser ook voor dit delict in hechtenis wordt genomen in Brazilië. Eiser heeft deze vrees niet nader kunnen onderbouwen met enige documenten. Dat eiser daartoe in bewijsnood verkeert is de rechtbank niet gebleken, nu eiser ter zitting niet heeft kunnen aangeven dat hij bij de Braziliaanse autoriteiten navraag heeft gedaan over zijn situatie.

6.6

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd of geconcretiseerd dat [persoon A] een bedreiging of gevaar voor hem zou vormen. Ook op dit punt heeft eiser niet onderbouwd waarom hij geen bescherming kan inroepen van de Braziliaanse autoriteiten.

7. Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Verwilligen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.