Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:969

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
17/1066
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Dublin Duitsland

- Procesbelang

- Visum Frankrijk verleend, grondgebied lidstaten nadien niet verlaten

- Terecht claim Frankrijk

- Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/1066

V-nummer: [nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.H.M. Post.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 januari 2017 (het

bestreden besluit), waarin verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling heeft

genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat

Duitsland op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening)

verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2017, tegelijk met de behandeling van het verzoek met nr. AWB 17/1067. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun respectievelijke gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.

2. De rechtbank overweegt allereerst dat er procesbelang aanwezig is. Het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA) heeft eiser weliswaar met ingang van 6 januari 2017 vermeld als ‘met onbekende bestemming vertrokken’, maar eisers gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat zij contact heeft met eiser, laatstelijk vorige week.

3. De rechtbank overweegt voorts dat vaststaat dat eiser na afloop van de visumperiode in Frankrijk het Schengengebied heeft verlaten. Reeds daarom faalt de stelling dat verweerder ten onrechte niet Frankrijk maar Duitsland heeft verzocht het verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen. Daarbij wijst de rechtbank tevens op het claimakkoord van 24 november 2016, waarin de Duitse autoriteiten verklaren verantwoordelijk te zijn voor het verzoek.

4. Op de beroepsgrond dat het in Duitsland niet veilig is voor eiser, is in het bestreden besluit afdoende gereageerd. In beroep is deze grond niet nader onderbouwd en er zijn geen nieuwe omstandigheden in dit verband naar voren gebracht. De beroepsgrond treft daarom geen doel.

5. Verweerder heeft eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Diepenhorst, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier, op 26 januari 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.