Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9684

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
NL17.5303
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, herhaalde aanvraag. Geen nieuwe feiten en/of omstandigheden. (Eerste asielaanvraag afgewezen wegens ongeloofwaardigheid bekering tot het christendom)

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.5303


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer],

(gemachtigde: mr. H. Tadema),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw), niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Mehrian. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt op [geboortedatum] 1988 te zijn geboren en de Iraanse nationaliteit te bezitten. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Iran is bekeerd tot het christendom en door zijn bekering in Iran problemen heeft ondervonden.

2. Bij besluit van 23 juni 2016 heeft verweerder de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw. Het hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, bij uitspraak van 19 juli 2016 (AWB 16/14103) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling; uitspraak van 9 augustus 2016, zaaknr. 201605553/1/V2) in stand gelaten, waardoor de afwijzing van de asielaanvraag onherroepelijk is geworden.

3. Eiser heeft op 10 juli 2017 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft hij opnieuw ten grondslag gelegd dat hij is bekeerd tot het christendom. Ter staving van deze stelling heeft eiser de volgende documenten overgelegd:

- een verklaring van de Nieuw Leven Evangelie Gemeenschap (hierna: NLEG) van 20 mei 2017;

- een brief van de pastoor van de Rank Persian Baptist Church van 12 maart 2017;

- een diagnostisch onderzoek van een gedragsdeskundige.

Deze aanvraag is door verweerder niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, omdat eiser geen nieuwe elementen en bevindingen aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Verweerder overweegt hiertoe dat reeds in de vorige asielprocedure in rechte is komen vast te staan dat eiser de door hem gestelde oprechte bekering niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat hij onvoldoende inzicht heeft gegeven in de motieven voor en het proces van zijn bekering en de betekenis die zijn geloofsovertuiging voor hem heeft. De door eiser tijdens het gehoor van opvolgende aanvraag afgelegde verklaringen en de door hem overgelegde verklaringen van de NLEG en de pastoor zijn van soortgelijke strekking als de verklaringen die zijn afgelegd tijdens de eerste asielprocedure en geven nog steeds geen inzicht in de motieven van eiser voor en het proces van bekering. Ook heeft eiser niet kunnen concretiseren wat de gestelde groei van zijn geloof inhoudt. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze het persoonlijke motivatieproces voor zijn gestelde bekering is verlopen en hij heeft geen blijk gegeven van dieperliggende religieuze motieven. Voor zover eiser heeft gesteld dat uit het diagnostisch onderzoek blijkt dat hij zwakbegaafd is en niet in staat is voldoende te communiceren en dat hij de vragen van de IND-medewerker tijdens de eerste asielprocedure onvoldoende heeft begrepen, is dit in de vorige procedure gesteld noch gebleken. Niet valt in te zien dat niet aan het licht zou zijn gekomen dat eiser onvoldoende in staat was te communiceren als dat daadwerkelijk het geval was. Ook is tijdens het gehoor voldoende rekening gehouden met het intelligentieniveau van eiser, aldus verweerder.

4. Eiser betoogt dat er wel sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden. Daartoe voert eiser aan dat de nieuwe aanvraag is ingediend vanwege de na de vorige procedure ontdekte zwakbegaafdheid van eiser. Aangezien in de vorige procedure derhalve nog niet bekend was dat eiser beperkingen had, kon hij dit in die procedure ook niet aangeven. De in de eerste procedure afgelegde verklaringen van eiser en het niveau daarvan moeten derhalve, met de huidige kennis, worden heroverwogen. Voorts betoogt eiser dat er sprake is van voorgaande ontwikkelingen van het christelijk geloof van eiser in Nederland. Eiser is gaan uitmaken van een christelijke geloofsgemeenschap en hij probeert het christen zijn in zijn dagelijks leven tot uitdrukking te brengen, aldus eiser.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag indient waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. In het tweede lid is bepaald dat het besluit een aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren, voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld wordt met een afwijzing.

5.2

Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759) volgt dat er voor de bestuursrechter in vreemdelingenzaken geen ruimte meer bestaat om ambtshalve het ne bis-beoordelingskader toe te passen en dient de bestuursrechter elk besluit op een opvolgende aanvraag overeenkomstig artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Nu verweerder de opvolgende asielaanvraag met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw niet-ontvankelijk heeft verklaard, moet de bestuursrechter toetsen of verweerder dat in het licht van zijn beleid niet ten onrechte heeft gedaan.

5.3

Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag afgelegde en de door eiser overgelegde verklaringen van de pastoor en van de NLEG van soortgelijke strekking zijn als de verklaringen die zijn afgelegd en overgelegd tijdens de eerste asielprocedure en dat deze verklaringen alsnog geen inzicht geven in de motieven van eiser voor, en het proces van, zijn bekering. Voorts heeft verweerder zich met betrekking tot de stelling dat eiser gelet op zijn beperkte IQ niet in staat is over zijn proces van bekering te verklaren en de vragen niet goed heeft begrepen niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit in de vorige procedure gesteld noch gebleken is. Uit het nader gehoor van 19 juni 2016 blijkt dat eiser in staat was de aan hem gestelde vragen te begrijpen en geeft eiser tijdens dit gehoor duidelijke antwoorden die aansluiten op de aan hem gestelde vragen. Daarbij komt dat eiser niet te kennen heeft gegeven welke vragen hij niet zou hebben begrepen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser met zijn voortdurende kerkbezoek en opvang in de christelijke geloofsgemeenschap niet aannemelijk heeft gemaakt oprecht bekeerd te zijn. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag heeft gelegd, dan wel dat geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2017 .

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.