Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9668

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-08-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3309
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

visum kort verblijf, onvoldoende economische en/of sociale binding in land van herkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/3309

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 17 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2017.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn [referent] (referent) en diens partner [nicht van eiser] (de nicht van eiser) verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft op 17 oktober 2016 een visum voor kort verblijf (30 dagen) aangevraagd om op bezoek te gaan bij zijn opa en oma in Nederland. Eiser zal verblijven bij zijn nicht en haar partner (referent).

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat niet is gebleken waaruit de gestelde relatie tot referent blijkt. Daarmee is volgens verweerder het reisdoel onvoldoende aangetoond. Daarnaast is volgens verweerder ten aanzien van eiser niet gebleken van een sociale en economische binding met het land van herkomst, waardoor tijdige terugkeer naar het land van herkomst redelijkerwijs niet gewaarborgd is.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert, kort samengevat, aan dat zijn opa in slechte gezondheid verkeert en dat dit mogelijk de laatste keer zal zijn dat hij hem nog zal kunnen zien. Daarnaast heeft eiser er naar eigen zeggen alles aan gedaan om aan te tonen dat hij binnen de geldigheidsduur van het visum Nederland weer zal verlaten.

4. In artikel 32, onder b, van de Verordening (EG) nummer 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009, tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (de Visumcode) is, voor zover van belang, bepaald dat een visum wordt geweigerd indien er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1

Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe, zo blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 (ECLI:EU:C:2013:862). Bij die beoordeling laat verweerder zich mede leiden door de intensiteit van de sociale en de economische binding van een vreemdeling met zijn land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling tijdig terug te keren toe- of afnemen. De rechter kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen.

5.2

Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de sociale en/of economische binding zodanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is.

5.3

De rechtbank begrijpt de belangen van eiser bij het familiebezoek, maar is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de sociale en economische binding met Marokko als onvoldoende heeft beoordeeld om de terugkeer van eiser te waarborgen. Verweerder heeft met betrekking tot de sociale binding met Marokko in redelijkheid aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij jong en ongehuwd is en geen kinderen heeft. Voorts is niet gebleken van een uitzonderlijke afhankelijkheid tussen eiser en zijn moeder en vijf zussen, die eveneens in Marokko wonen, dat terugkeer naar Marokko op grond daarvan op voorhand kan worden aangenomen. De omstandigheid dat eiser, na het overlijden van zijn vader, het hoofd van de familie is en daarom in Marokko dient te zijn, is onvoldoende. Daarnaast is niet gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser verplichten om tijdig terug te keren naar Marokko. De enkele stelling van eiser, dat hij niet naar Nederland wil emigreren en dat zijn familie ervoor zal zorgen dat hij tijdig terugkeert naar Marokko, hetgeen referent en zijn partner ter zitting hebben bevestigd, is onvoldoende om anders te oordelen.

Met betrekking tot de economische binding van eiser aan Marokko heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het door eiser overgelegde bewijs van zijn beroep als landbouwarbeider en een toegezonden werkgeversverklaring onvoldoende bewijs levert van een daadwerkelijke economische activiteit van eiser. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat niet is aangetoond dat eiser regelmatig loon ontvangt en dat de stortingen op de bankrekening van eiser, afgezien van de vraag of dit als loon is aan te merken, niet in verhouding staan tot het door eiser gestelde inkomen. Met de stelling dat de stortingen afkomstig zijn uit de erfenis van zijn vader, heeft eiser niet voldoende aangetoond dat hij zelfstandig een substantieel en regelmatig inkomen genereert.

5.3

De rechtbank is aldus van oordeel dat verweerder de visumaanvraag in redelijkheid heeft kunnen afwijzen omdat er redelijke twijfel bestaat aan het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum. De vraag of eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf voldoende heeft aangetoond, behoeft daarom geen bespreking meer.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2017.

chter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.