Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9663

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 11580
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen duurzaam verblijf, geen voortgezet verblijf. In beide gevallen niet voldaan aan het middelenvereiste.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 8.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/11580

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.C. Kaptein),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 23 november 2016 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvraag duurzaam verblijf van eiser afgewezen en vastgesteld dat dat het rechtmatig verblijf van eiser als gemeenschapsonderdaan op 18 juni 2015 is geëindigd.

Bij besluit van 10 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Iraanse nationaliteit. Bij besluit van 16 juni 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verkrijging van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) ingewilligd. Daaruit blijkt het rechtmatig verblijf van eiser als gemeenschapsonderdaan bij zijn echtgenote [referente] (hierna: referente), van Nederlandse nationaliteit. Zij zijn op 18 juni 2015 gescheiden.

2. Op 21 juni 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend voor duurzaam verblijf. Bij besluit van 23 november 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de in artikel 8.17, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb) gestelde voorwaarde van gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf. Daartoe heeft verweerder overwogen dat niet is geleken dat referente die periode over voldoende inkomsten uit arbeid dan wel voldoende middelen van bestaan beschikte, zoals bepaald in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Vb. Voor wat betreft de periode vanaf de ontbinding van het huwelijk heeft verweerder verwezen naar een separate beschikking van dezelfde datum.
Bij die separate beschikking van 23 november 2016 heeft verweerder vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser als gemeenschapsonderdaan per 18 juni 2015 is geëindigd. Eiser kon na de ontbinding van het huwelijk rechten ontlenen aan artikel 8.15, vierde lid, van het Vb, maar omdat niet is gebleken dat hij toen over voldoende bestaansmiddelen heeft beschikt of arbeid heeft verricht, is zijn rechtmatig verblijf alsnog geëindigd, als bedoeld in artikel 8.15, vijfde lid, van het Vb. Zo is uit raadpleging van Suwinet gebleken dat eiser tot en met juni 2015 uitkeringen uit hoofde van de Wet Werk en Bijstand (hierna: WWB) heeft ontvangen. Voorts lijkt vanaf 1 september aan de eis van daadwerkelijke en reële arbeid te worden voldaan. Het in augustus 2015 aangegeven loon en aangegeven uren voldoen niet aan de criteria. Voor de periode van 18 juni tot 1 september 2015 is derhalve niet van voldoende inkomsten uit arbeid of voldoende middelen van bestaan gebleken, aldus verweerder.

Verweerder heeft de primaire besluiten in bezwaar gehandhaafd.

3. Het juridisch kader is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

4. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser na het ontbinden van zijn huwelijk niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 8.15, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van het Vb. Verweerder heeft een onjuist toetsingskader gehanteerd, door te beoordelen of hij zelfstandig over voldoende middelen van bestaan beschikte na ontbinding van zijn huwelijk. Uit artikel 8.15, vijfde lid, van het Vb en Richtlijn 2004/38/EG van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 (hierna: de Verblijfsrichtlijn) blijkt dat moet worden getoetst of hij werknemer is, dan wel over toereikende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van de sociale bijstandsregeling. Hij dient als werknemer te worden aangemerkt als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Richtlijn. Deze bepaling dient analoog te worden toegepast op derdelanders. Voorts heeft verweerder niet getoetst of hij over voldoende middelen van bestaan beschikte. Daarbij moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser. Zo heeft hij kort na de verbreking van zijn huwelijk een baan gevonden. Ook heeft hij in de maand juli, toen hij nog geen werk had, geen beroep gedaan op het sociale bijstandsstelsel. Verweerder is te rigide geweest door per maand te bekijken of hij aan de voorwaarde voldoet. Verweerder had naar zijn gemiddelde inkomen over een langere periode moeten kijken, aldus eiser.

Voorts betoogt eiser dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf heeft gehad. De voorwaarde van voldoende bestaansmiddelen blijkt niet uit artikel 16 van de Verblijfsrichtlijn. Daarbij komt dat eiser en referente gedurende het huwelijk wel over voldoende middelen van bestaan hebben beschikt. Verweerder heeft ten onrechte niet alle middelen van bestaan bij zijn beoordeling betrokken. Zo is de door referente ontvangen studiefinanciering niet betrokken. Ook heeft verweerder ten onrechte de door eiser ontvangen uitkering ten onrechte betrokken. Deze uitkering is immers destijds voor verweerder geen aanleiding geweest om het verblijfsrecht van eiser te beëindigen. Daarbij komt dat de uitkering is omgezet in een lening, welke eiser momenteel aan het aflossen is, aldus eiser.

Verder betoogt eiser dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar en daarmee de hoorplicht heeft geschonden.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

De vaststelling van het rechtmatig verblijf in het kader van voortgezet en duurzaam verblijf als bedoeld in artikelen 8.15 en 8.17 van het Vb heeft een declaratoir karakter. Voor de vaststelling daarvan is evenwel onderzoek nodig. Het betoog dat het besluit tot beëindiging van het rechtmatig verblijf een constitutief karakter zou hebben, slaagt niet.

5.2

Voor de vraag of eiser een duurzaam verblijfsrecht heeft, is bepalend of eiser vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Eén van de voorwaarden voor rechtmatig verblijf is dat wordt voldaan aan het middelenvereiste. Anders dan eiser heeft betoogd staat in artikel 16 van de Verblijfsrichtlijn niet dat dit vereiste niet voor het verkrijgen van het duurzaam verblijfsrecht aan eiser kan worden tegengeworpen, maar dat dit vereiste niet meer kan worden tegengeworpen zodra het duurzaam verblijfsrecht reeds is verworven.

5.3

Gedurende het huwelijk is referente diegene die over voldoende inkomsten uit arbeid dan wel samen met eiser over voldoende middelen van bestaan moet beschikken voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van het Vb. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat referente voor de periode van 1 december 2013 tot 18 juni 2015 niet aan die voorwaarde heeft voldaan. Ten aanzien van die periode heeft eiser onvoldoende stukken overgelegd die leiden tot het oordeel dat wel wordt voldaan aan het middelenvereiste. Eiser heeft niet betwist dat referente onvoldoende inkomen uit arbeid ontving. Voor wat betreft overige middelen van bestaan heeft eiser gewezen op de door referente in die periode ontvangen studiefinanciering. Het is echter vast beleid van verweerder dat de middelen van bestaan zelfstandig, duurzaam en voldoende hoog moeten zijn (hoofdstuk B1/4.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000: hierna Vc). In haar uitspraak van 18 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU6102) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State reeds overwogen dat studiefinanciering daaraan niet voldoet en derhalve niet kan worden betrokken bij de beoordeling of wordt voldaan aan het middelenvereiste.

Voor zover eiser heeft betoogd dat verweerder bij de beoordeling of eiser en referente voldoende middelen van bestaan hadden, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden, overweegt de rechtbank als volgt. De persoonlijke omstandigheden dienen betrokken te worden bij de beoordeling of er voldoende middelen van bestaan aanwezig zijn en of die middelen van bestaan als toereikend zijn te beschouwen. Verweerder heeft in dat kader erop gewezen dat eiser in de periode van 1 augustus 2014 tot 1 juli 2015 uitkeringen uit hoofde van de WWB heeft ontvangen. Eiser heeft dit niet betwist. Hij heeft derhalve een beroep gedaan op het sociale bijstandsstelsel, zodat op voorhand kan worden gesteld dat de middelen van bestaan van referente en eiser niet toereikend waren. Aan de beoordeling van de persoonlijke omstandigheden wordt dan ook niet toegekomen.

Voor zover eiser heeft gesteld dat de uitkering is omgezet in een lening heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de door eiser overgelegde stukken niet is op te maken dat deze gestelde lening ziet op de betreffende uitkering, nu in het onderwerp van de overgelegde brief staat “terugvordering 2016”. Voorts heeft eiser niet betwist dat de uitkering als zodanig aan hem en referente is verstrekt. Verweerder mocht dan ook, gelet op het declaratoire karakter van het duurzaam verblijfsrecht, de uitkeringsperiode bij de vaststelling van de duur van het rechtmatige verblijf betrekken.

5.4

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat referente gedurende het huwelijk niet heeft voldaan aan het middelenvereiste. Voor zover eiser heeft betoogd dat hij wel vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad, omdat hij moet worden aangemerkt als werknemer als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn, wordt overwogen dat die bepaling alleen van toepassing is op Unieburgers met een zelfstandig verblijfsrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een analoge toepassing, nu het verblijfsrecht van eiser gedurende het huwelijk van het verblijfsrecht van referente is afgeleid. Verweerder heeft de aanvraag om duurzaam verblijf dan ook terecht afgewezen.

5.5

Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat eiser evenmin voldoet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf en derhalve niet langer rechtmatig verblijf heeft. Voor zover eiser ook in dit kader heeft betoogd dat hij op grond van artikel 7, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn als werknemer diende te worden aangemerkt en reeds daarom aan het vereiste, als bedoeld in artikel 8.15, vijfde lid, van het Vb voldeed, wordt erop gewezen dat hiervoor reeds is overwogen dat artikel 7, derde lid, van de richtlijn niet op eiser als derdelander van toepassing is. Eiser had ten tijde van het beëindigen van het huwelijk nog geen betaalde arbeid, zodat hij geen zelfstandig verblijfsrecht heeft verkregen. Aan de vraag of artikel 7, derde lid, van de richtlijn dan wel analoog van toepassing zou kunnen zijn, komt de rechtbank dan ook niet toe.

Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft voldaan aan het middelenvereiste. Eiser heeft niet betwist dat hij pas vanaf 1 september 2015 aan het middelenvereiste voldoet.

Eiser heeft gewezen op preambule 16 van de Verblijfsrichtlijn, waaruit zou volgen dat zijn beroep op het sociale bijstandsstelsel niet automatisch aanleiding mag geven tot een verwijderingsmaatregel. Volgens de preambule dient daarbij rekening te worden gehouden met persoonlijke omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat verweerder de persoonlijke omstandigheden wèl heeft betrokken in de besluitvorming maar, anders dan eiser voorstaat, er geen doorslaggevende betekenis aan heeft gehecht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in zijn beoordeling het gemiddelde inkomen van eiser over een langere periode, dan wel zijn persoonlijke omstandigheden, niet ten onrechte niet van doorslaggevend belang heeft geacht. Verweerder heeft meer van belang kunnen achten dat eiser een periode van 11 maanden een bijstandsuitkering heeft ontvangen en dat hij ten tijde van het beëindigen van het huwelijk op 18 juni 2015 nog een beroep op het sociale bijstandsstelsel deed. De omstandigheid dat eiser in juli 2015 geen beroep op het sociale bijstandsstelsel heeft gedaan, heeft verweerder onvoldoende mogen achten. Eiser heeft voorts geen andere relevante omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot een ander oordeel.

5.6

Gezien het voorgaande heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft.

6. Ten slotte is de rechtbank, anders dan eiser heeft betoogd, van oordeel dat geen sprake is van schending van de hoorplicht zoals bedoeld in artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd, afgezet tegen hetgeen in eerste instantie is aangevoerd en wat gemotiveerd is besproken in het primaire besluit, tot de conclusie leidt dat redelijkerwijs geen twijfel bestond aan de kennelijke ongegrondheid van het bezwaar.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Verblijfsrichtlijn

Artikel 7

1. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:

a. a) indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is,

b) indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, of

c) - indien hij is ingeschreven aan een particuliere dan wel openbare instelling die door het gastland overeenkomstig de wetgeving of administratieve praktijk is erkend of wordt gefinancierd, om er als hoofdbezigheid een studie, daaronder begrepen een beroepsopleiding, te volgen; en

- indien hij beschikt over een verzekering die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, en hij de bevoegde nationale autoriteit, - door middel van een verklaring of van een gelijkwaardig middel van zijn keuze -, de zekerheid verschaft dat hij over voldoende middelen beschikt om te voorkomen dat hij of zijn familieleden tijdens zijn verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland; of

d) indien hij een familielid is van een burger van de Unie die voldoet aan de voorwaarden onder a), b) of c) en hij deze burger begeleidt of zich bij hem voegt.

2. Het verblijfsrecht van lid 1 strekt zich uit tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, en die de burger van de Unie begeleiden of zich in het gastland bij hem voegen, en voldoen aan de voorwaarden onder a), b) of c).

3. Voor de toepassing van lid 1, onder a), behoudt een burger van de Unie die niet langer werknemer of zelfstandige is, in de volgende gevallen zijn status van werknemer of zelfstandige:

a. a) hij is als gevolg van ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt;

b) hij bevindt zich, na ten minste één jaar te hebben gewerkt, in naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven;

c) hij bevindt zich in een toestand van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid na afloop van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor minder dan één jaar of hij is in de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven. In dit geval blijft de status van werknemer ten minste zes maanden behouden;

d) hij start met een beroepsopleiding. Behalve in geval van onvrijwillige werkloosheid is voor het behoud van de status van werknemer in dit geval een verband vereist tussen de voorafgaande beroepsactiviteit en deze opleiding.

Artikel 13

1. Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea, zijn scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk van burgers van de Unie of beëindiging van het geregistreerde partnerschap als bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b), niet van invloed op het verblijfsrecht van hun familieleden die de nationaliteit van een lidstaat bezitten.

Tot wanneer zij het duurzame verblijfsrecht verwerven moeten de betrokkenen voldoen aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, onder a), b), c) of d).

2. Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea, leiden scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of beëindiging van geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b), niet tot verlies van het verblijfsrecht van de familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten:

a. indien het huwelijk of het geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b), bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b), ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan één jaar in het gastland, of
(…)

Alvorens het duurzame verblijfsrecht te verwerven, blijft hun recht van verblijf onderworpen aan de voorwaarde dat is aangetoond dat zij werknemer of zelfstandige zijn, of voor zichzelf en hun familieleden over toereikende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van de socialebijstandsregeling van het gastland, dat zij een ziektekostenverzekering voor alle risico's in het gastland hebben afgesloten, of dat zij lid zijn van de reeds in het gastland gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet. De „toereikende bestaansmiddelen” zijn omschreven in artikel 8, lid 4.

Artikel 16

1. Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, heeft aldaar een duurzaam verblijfsrecht. Dit recht is niet onderworpen aan de voorwaarden van hoofdstuk III.

2. Lid 1 is eveneens van toepassing ten aanzien van familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in het gastland bij de burger van de Unie hebben gewoond.

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 8.12

1. De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij:

a. in Nederland werknemer of zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft;

b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt;

c. is ingeschreven voor een opleiding die is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of in het Centraal register beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, om als hoofdbezigheid een studie of beroepsopleiding te volgen, beschikt over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt, en hij met een verklaring of een gelijkwaardig middel naar zijn keuze de zekerheid verschaft dat hij beschikt over voldoende middelen van bestaan voor zichzelf en zijn familieleden;

(…)

Artikel 8.15

(…)

4. Onverminderd het vijfde lid eindigt het rechtmatig verblijf evenmin door de ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of de beëindiging van het geregistreerde partnerschap:

a. indien het huwelijk voor het begin van de gerechtelijke procedure tot scheiding of nietigverklaring, onderscheidenlijk het partnerschap voor beëindiging daarvan, ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan de vreemdeling ten minste één jaar in Nederland heeft verbleven;

(…).

5. In afwijking van het tweede lid, onder a, en het vierde lid, blijft het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit van een staat bezit als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, onderworpen aan de voorwaarde dat hij voor zichzelf en zijn familieleden over voldoende middelen van bestaan beschikt om te voorkomen dat zij ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel, tenzij hij het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 8.17 heeft verkregen, of is aangetoond dat hij:

a. werknemer of zelfstandige is;

b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf in Nederland ten laste komen van de algemene middelen, en beschikt over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt; of

c. (…).

Artikel 8.17

1. Duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft:

(…)

b. de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad bij een vreemdeling als bedoeld onder a, waarbij mede wordt betrokken de periode waarin hij voldeed aan de voorwaarden van artikel 8.15, vijfde lid, onder a, b of c.

Vreemdelingencirculaire 2000

Hoofdstuk B10/2.3

Beroep op de algemene middelen

Tenzij persoonlijke omstandigheden zich hiertegen verzetten, beëindigt de IND in aanvulling op artikel 8.16 Vb het rechtmatig verblijf van een economisch niet-actieve burger van de Unie bij een beroep op de algemene middelen als de burger van de Unie of diens familielid:

- in de eerste twee jaar van dat verblijf een – al dan niet aanvullend – beroep doet op een uitkering in het kader van de Wwb;

- in het derde jaar van dat verblijf twee maanden of langer een eerste, meer dan aanvullend beroep doet op de Wwb of gedurende drie maanden of meer een aanvullend beroep doet op de Wwb;

- in het vierde jaar van dat verblijf vier maanden of langer een eerste, meer dan aanvullend beroep doet op de Wwb of gedurende zes maanden of meer een aanvullend beroep doet op de Wwb;

- in het vijfde jaar van dat verblijf zes maanden of langer een eerste, meer dan aanvullend beroep doet op de Wwb of gedurende negen maanden of meer een aanvullend beroep doet op de Wwb;

- in achtereenvolgende jaren van verblijf of binnen een jaar meermalen een beroep doet op een uitkering in het kader van de Wwb; of

- binnen drie jaren van verblijf vijftien maanden of meer een aanvullend beroep doet op een uitkering in het kader van de Wwb.

De IND betrekt in ieder geval de volgende persoonlijke omstandigheden bij de belangenafweging:

- de reden waarom de burger van de Unie niet in staat is in zijn levensonderhoud en dat van zijn familieleden te voorzien en of deze reden van tijdelijke dan wel permanente aard is;

- de banden die de burger van de Unie nog heeft met zijn land van herkomst;

- de gezinssituatie;

- de medische situatie (gezondheidstoestand);

- leeftijd;

- overige beroepen op (sociale) voorzieningen;

- de mate van sociale zekerheidspremies die eerder zijn betaald;

- de mate van integratie in Nederland van de burger van de Unie en zijn familieleden;

- nabije toekomstverwachting of burger van de Unie nog bijstand nodig zal hebben.

Het is aan de betrokken burger van de Unie om relevante gegevens en bescheiden ter zake te verstrekken.