Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9636

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
25-08-2017
Zaaknummer
NL17.5934
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser voert aan dat de meeromvattende beschikking geldt als een terugkeerbesluit. Dat is naar mening van eiser in strijd met artikel 46, achtste lid, Procedurerichtlijn in samenhang met artikel 3 Opvangrichtlijn, maar ook met de Terugkeerrichtlijn.

De rechtbank overweegt dat, gelet op de in de Terugkeerrichtlijn opgenomen definitie van “illegaal verblijf” in artikel 3, tweede lid, het in artikel 46, vijfde lid, Procedurerichtlijn neergelegde recht van een verzoeker om op het grondgebied van een lidstaat te blijven tot de termijn waarbinnen hij zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kan uitoefenen is verstreken, dan wel daar te blijven in afwachting van de uitkomst van een ingesteld rechtsmiddel, niet op één lijn gesteld kan worden met het recht op verblijf uit hoofde van een door de overheid verleende vergunning daartoe. Zelfs indien geoordeeld zou moeten worden dat de Terugkeerrichtlijn strikt genomen (nog) niet van toepassing is op een vreemdeling zolang hij een “verzoeker” is als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, Procedurerichtlijn en artikel 2, aanhef en onder b, Opvangrichtlijn omdat dit een onderdaan van een derde land betreft die een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan waarover nog geen “definitieve beslissing” in de zin van artikel 2, aanhef en onder e, Procedurerichtlijn is genomen (dat wil zeggen een beslissing of internationale bescherming wordt verleend, waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat in het kader van hoofdstuk V, ongeacht of dit rechtsmiddel tot gevolg heeft dat de verzoeker in de lidstaat mag blijven in afwachting van het resultaat), staat dit er naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg dat een bestuursorgaan dat - zoals in het geval van eiser - afwijzend beslist op het verzoek om internationale bescherming tegelijkertijd met die beschikking (reeds) een terugkeerbesluit in de zin van artikel 6 Terugkeerrichtlijn neemt. De afwijzing van dat verzoek houdt immers in dat aan de verzoeker geen recht op verblijf in de lidstaat in de zin van artikel 3, tweede lid, Terugkeerrichtlijn wordt verleend. Gewezen wordt op artikel 6, zesde lid, Terugkeerrichtlijn. Dat de betrokkene wel een recht om te blijven wordt toegekend in afwachting van de uitkomst van een ingesteld rechtsmiddel, kan aan het vorenstaande niet afdoen, nu dit recht - zoals gezegd - niet op één lijn gesteld kan worden met een recht op verblijf in de lidstaat. De rechtbank acht voor haar oordeel van belang dat eiser, nu in de bestreden beschikking zowel op zijn asielverzoek is beslist en een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, de mogelijkheid heeft om de rechtmatigheid van al die onderdelen door het instellen van één en hetzelfde rechtsmiddel te betwisten. Tevens acht de rechtbank van belang dat in artikel 9, eerste lid, Terugkeerrichtlijn is bepaald dat de lidstaat de verwijdering van de betrokken derdelander moet uitstellen, onder meer, in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement. De rechtbank vat dit aldus op dat zolang geen “definitieve beslissing” in de zin van artikel 2, aanhef en onder e, Procedurerichtlijn is genomen over de vraag of internationale bescherming wordt verleend (en daarmee over de vraag of het verbod van refoulement zou worden geschonden in geval van verwijdering van de betrokkene naar het land van herkomst), het bestuursorgaan geen uitvoering mag geven aan een terugkeerbesluit.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29, geldigheid: 2015-07-20
Vreemdelingenwet 2000 30b, geldigheid: 2015-07-20
Vreemdelingenwet 2000 64, geldigheid: 2008-04-25
Vreemdelingenwet 2000 66a, geldigheid: 2014-03-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/241 met annotatie van mr. K.E. Geertsema

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.5934


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

eiser

(gemachtigde: mr. M. Timmer),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).


Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.5935, plaatsgevonden op 15 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Pakistaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. In 2012 en 2013 werd bij eiser in de buurt voorlichting gegeven door de overheid over veiligheid. Iedereen werd gevraagd in de gaten te houden wat er gebeurde in de buurt, zoals bijhouden of er vreemde mensen in de buurt langskwamen. In de avonduren speelde eiser cricket met zijn vrienden op het terrein van het [naam] college. Op een avond zag hij dat vreemde mensen jongeren aanspraken. Eiser vroeg de kinderen later wat de mensen van hen wilden. Zij vertelden dat de mensen hen kwamen vertellen dat de school niet goed was en dat er geen goede islamitische lessen werden gegeven. Eiser denkt dat het mensen zijn van een sji'itische groep of van de Taliban (Tahreek Taliban Pakistan, TTP). De volgende dag kwamen die mensen weer langs. Zij vroegen waar de kinderen waren. Eiser en zijn vrienden hebben tegen de mensen gezegd dat zij niet goed bezig waren door de kinderen te benaderen en dat zij een klacht tegen hen konden indienen. De dag erna ging eiser na het cricket spelen naar huis. Hij werd door een aantal van de mensen van de hem onbekende groep opgepakt en in een auto gestopt. Vervolgens werd hij naar een plek gebracht waar hij werd mishandeld. Eiser heeft op een gegeven moment het bewustzijn verloren. In de ochtend kwam eiser bij en hij merkte dat de mensen hem hadden achtergelaten. Eiser vluchtte door een open raam en liep weg. Op een gegeven moment zag eiser een aantal mensen op het land werken. Deze mensen hebben eiser meegenomen naar een dorp. Daar is hij behandeld aan zijn verwondingen en verpleegd. De dorpelingen hebben contact gezocht met eisers familie. Zijn familie gaf aan dat eiser beter in het dorp kon blijven, omdat hij werd gezocht door de mensen die hem ontvoerd hadden. Deze mensen hebben met een foto van eiser navraag gedaan in de buurt. Eisers familie is zelf ergens anders ondergedoken. Eisers familie heeft een vriend gestuurd naar het dorp waar eiser verbleef en deze vriend heeft eiser uiteindelijk geholpen het land te verlaten. Eiser heeft vervolgens twee jaren in Nederland verbleven, voordat hij hier asiel aanvroeg.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
2. het incident in 2014, waarbij eiser is ontvoerd door de Taliban en daarna is ontsnapt.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er vooralsnog geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan eisers verklaringen met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder acht eisers verklaringen met betrekking tot het tweede element ongeloofwaardig, omdat eiser op dit punt ongerijmde, wisselende, onaannemelijk en vage verklaringen heeft afgelegd.

Er bestaat daarom geen aanleiding om dat element inhoudelijk te toetsen aan de gronden zoals opgenomen in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, Vw, omdat eiser verklaringen heeft afgelegd die worden aangemerkt als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig. Voorts heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, Vw, omdat eiser Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst. Eiser is ongeveer twee jaar geleden Nederland ingereisd en heeft pas op 6 juli 2017 kenbaar gemaakt dat hij internationale bescherming wenst. Daarbij is overwogen dat eiser pas asiel heeft aangevraagd nadat hij was aangehouden door de politie.

Eiser komt volgens verweerder niet in aanmerking voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw.

Aan eiser wordt voorts een termijn voor vrijwillig vertrek onthouden. Nu eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten, bestaat er aanleiding om een inreisverbod uit te vaardigen op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.

3.
Eiser meent dat de navolgende elementen van zijn asielrelaas als relevante elementen hadden moeten worden aangemerkt:

● nationaliteit, identiteit en herkomst van belanghebbende;

● het gebruik van burgers door de Pakistaanse autoriteiten als 'ogen en oren' in het kader van de bestrijding van terrorisme;

● de rekruteringspogingen door vermoedelijke leden van de Pakistaanse Taliban;

● de confrontatie van eiser met vermoedelijke leden van de Pakistaanse Taliban;

● de ontvoering en mishandeling van eiser door vermoedelijke leden van de Taliban;

● de ontsnapping van eiser aan de vermoedelijke leden van de Taliban;

● het onderduiken van eiser;

● de vrees van eiser voor vermoedelijke leden van de Taliban bij terugkeer.

In het voornemen zijn slechts twee elementen als relevante elementen opgesomd. Daarmee wordt geen recht gedaan aan de omvang en de complexiteit van het asielrelaas van eiser.

In het bestreden besluit wordt overwogen dat een relevante element een feit is dat of een omstandigheid is die raakt aan tenminste een onderwerp of verhaallijn en dat de elementen 'waarvan eiser meent dat zij als afzonderlijke elementen dienen te worden aangemerkt' allemaal raken aan hetzelfde onderwerp of dezelfde verhaallijn. Miskend wordt dat in de zienswijze is gesteld dat de aldaar opgenomen elementen als relevante elementen moeten worden aangemerkt. Die in de zienswijze opgesomde elementen immers raken aan tenminste een onderwerp of verhaallijn. Dat die relevante elementen mogelijk niet allemaal als zelfstandige relevante elementen kunnen wordt aangemerkt doet daar niet aan af. Uit het beleid volgt dat de geloofwaardigheid van niet zelfstandige relevante elementen afzonderlijk wordt beoordeeld zodat van belang is om onderscheid te maken tussen verschillende relevante elementen, ook als die niet zelfstandig zijn.

3.1

In het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt ingenomen dat een relevant element een feit is dat of een omstandigheid is die raakt aan tenminste één onderwerp of verhaallijn en in verband staat met vluchtelingschap dan wel artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De elementen waarvan eiser meent dat zij als afzonderlijke elementen dienen te worden aangemerkt, naast de nationaliteit, identiteit en herkomst, raken allemaal hetzelfde onderwerp of dezelfde verhaallijn. Op alle door eiser genoemde elementen waar eiser zelf bij betrokken is geweest, is in het voornemen ingegaan. Ook indien het relaas wel in de hierboven genoemde elementen zou worden opgesplitst, zouden die elementen evenzeer ongeloofwaardig worden geacht, aldus verweerder.

3.2

In de openbare Werkinstructie 2014/10 “Inhoudelijke beoordeling (asiel)”, heeft verweerder het volgende neergelegd:

“3.1 De vaststelling van de relevante elementen
Het identificeren en vaststellen van de relevante elementen van het asielrelaas is de eerste stap in de beoordeling.

Een relevant element is een feit of omstandigheid dat raakt aan tenminste één onderwerp of verhaallijn en die in verband staat met vluchtelingschap dan wel artikel 3 EVRM.

Feiten en omstandigheden kunnen worden onderscheiden in twee categorieën:
● Gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling in kwestie. Hierbij moet (onder meer) worden gedacht aan de identiteit, nationaliteit, etniciteit, seksuele gerichtheid, medische toestand en geloofsovertuiging van de vreemdeling.
● Daarnaast gelden als feiten en omstandigheden de gebeurtenissen die zich volgens de vreemdeling in het land van herkomst hebben voorgedaan. Deze gebeurtenissen zijn deels gebaseerd op de eigen waarneming van de vreemdeling, maar kunnen tevens gebaseerd zijn op wat de vreemdeling van derden heeft gehoord. Daarnaast kan het zijn dat de vreemdeling bepaalde gebeurtenissen met elkaar in verband brengt, ofwel een bepaalde oorzaak/gevolg relatie aanwijst die berust op zijn eigen veronderstellingen.
(…)
De kern van het asielverzoek bestaat uit feiten, omstandigheden en gebeurtenissen die in verband staan met de definitie van vluchtelingschap dan wel vrees voor een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.”

3.3

De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat verweerder vanwege het feit dat niet alle door eiser onderscheiden onderwerpen als relevant element zijn benoemd, de verklaringen van eiser waarmee hij zijn asielrelaas heeft vormgegeven, onvolledig (op geloofwaardigheid) heeft beoordeeld. Uit het voornemen (pagina’s 4 tot en met 6) blijkt dat verweerder de door eiser genoemde gebeurtenissen in het land van herkomst - die in verband staan met het begrip vluchtelingschap dan wel eisers vrees voor ernstige schade - bij zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in de stelling dat met het benoemen van de twee relevante elementen vermeld onder punt 2 van deze uitspraak geen recht is gedaan aan de omvang en de complexiteit van het relaas. De beroepsgrond faalt.

4. Eiser voert aan dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen over hetgeen hem is overkomen en hetgeen hij vreest bij terugkeer naar zijn land van herkomst, niet voldoet aan de eisen die beleid en rechtspraak stellen aan een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Eiser merkt in dat verband op dat buitenproportioneel veel nadruk wordt gelegd op het gestelde ontbreken van kwaliteit van zijn verklaringen over het moment waarop precies gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Ten onrechte wordt het gestelde ontbreken van kwaliteit van verklaringen over het moment waarop gebeurtenissen hebben plaatsgevonden niet beoordeeld in het licht van de verklaringen van eiser over die gebeurtenissen zelf. Dat de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over zijn ontsnapping is beoordeeld, doet daar niet aan af omdat het slechts één van de gebeurtenissen is waarover eiser heeft verklaard, terwijl bovendien die beoordeling berust op niet onderbouwde veronderstellingen over hetgeen waartoe een persoon in doodsnood wel of niet in staat wordt geacht. Dat het asielrelaas van eiser deels berust op eigen aannames en vermoedens, is voorts eigen aan asielrelazen. Aan die omstandigheid kunnen derhalve niet en zeker niet zonder meer conclusies worden verbonden over de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Eiser concludeert dat het oordeel dat zijn asielrelaas niet geloofwaardig is, niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en niet naar behoren is gemotiveerd.

Verweerder miskent in de bestreden beschikking dat uit het voornemen volgt dat de ontvoering van eiser vanwege de wisselende verklaringen over het moment waarop deze zou hebben plaatsgevonden 'reeds hierom als ongeloofwaardig wordt beschouwd'. Verder wordt miskend dat uit het voornemen volgt dat ook het onderduiken vanwege de wisselende verklaringen over de duur ervan 'reeds hierom als ongeloofwaardig wordt beschouwd'. Daarnaast wordt miskend dat uit het voornemen volgt dat het oordeel dat de verklaringen van eiser over de ontvoering en het onderduiken ongeloofwaardig zijn 'verder' wordt bevestigd omdat eiser wisselende verklaringen zou hebben afgelegd over het moment waarop hij zijn land van herkomst heeft verlaten.

In het voornemen is het oordeel dat de verklaringen van eiser over de ontvoering en het onderduiken uitsluitend zijn gebaseerd op wisselende verklaringen over 'tijd'.

Dat de vrees van eiser over wat hem bij terugkeer zal overkomen ook is gebaseerd op aannames en vermoedens doet niet af aan het zorgvuldigheidsgebrek en het motiveringsgebrek omdat de geloofwaardigheid van vrees moet worden beoordeeld in het licht van gebeurtenissen waarvan de geloofwaardigheid naar behoren is beoordeeld en van informatie uit gezaghebbende bronnen over de situatie in een land van herkomst.

4.1

In het bestreden besluit heeft verweerder, in reactie op de zienswijze, het standpunt ingenomen dat in het voornemen is overwogen dat eiser niet alleen wisselende verklaringen heeft afgelegd over het moment waarop gebeurtenissen precies hebben plaatsgevonden (de perioden waarin de ontvoering en het onderduiken hebben plaatsgevonden), maar dat hij daarnaast verklaringen heeft afgelegd die dermate ongerijmd, onaannemelijk en vaag zijn dat deze afzonderlijk bezien, maar toch zeker in samenhang, ongeloofwaardig moeten worden geacht. Eiser heeft verklaard dat hij de mannen die met de kinderen spraken heeft benaderd, omdat hij hierover begin 2012 en begin 2013 voorlichting heeft gekregen van de autoriteiten. Verweerder acht het bevreemdend dat eiser zich dan niet tot de autoriteiten heeft gewend op het moment dat hij met deze mensen in aanraking kwam. Het ligt alles behalve in de lijn van de verwachting dat eiser op eigen houtje zou gaan handelen en zich op geen enkel moment tot de autoriteiten zou hebben gewend, terwijl hij juist naar aanleiding van hun voorlichting in actie is gekomen. Dit ondergraaft de geloofwaardigheid van het relaas van eiser. Ook over de wijze van ontsnapping heeft eiser niet eenduidig verklaard (eerst: weggerend en daarna: hinkend en kruipend omdat hij ernstig gewond was). Voorts acht verweerder de wijze waarop eiser stelt te zijn ontsnapt uiterst onaannemelijk, omdat het niet in de rede ligt dat hij, na de ontvoering en zware mishande-ling, de kans heeft gekregen om uit een raam te klimmen en zo te ontsnappen. De verklaring van eiser dat de mannen hem hebben achtergelaten bij een open raam omdat zij dachten dat hij dood was, berust slechts op een eigen aanname van eiser. Volgens verweerder snijdt daarnaast de verklaring van eiser dat de mannen hem waarschijnlijk niet hebben gedood met het geweer omdat zij niet wilden dat iemand het zou horen, terwijl zij wel van plan waren om eiser te doden en de boeren hiervan de schuld wilden geven, geen hout. Eiser heeft voorts ongerijmde en wisselende verklaringen afgelegd over de duur van de onderduikperiode (eerst: vijf tot zes maanden, daarna: twintig tot dertig dagen en daarna: nog eens twintig dagen) en over de reisagent en het regelen van zijn reisdocument. Daarnaast heeft eiser wisselend verklaard over het moment waarop hij Pakistan heeft verlaten (één jaar en negen maanden geleden of drie jaren geleden).
Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser heeft verweerder voorts betrokken dat het asielrelaas op essentiële punten rust op de eigen aannames en vermoedens van eiser. Zo heeft eiser verklaard dat hij slechts heeft opgemaakt dat de mannen tot de Taliban behoorden, omdat hier op televisie over werd gesproken. Hetzelfde geldt voor de foto(‘s) die de mannen aan de familie van eiser zouden hebben getoond. Eiser weet niet hoe zij aan de foto(‘s) zijn gekomen, maar dat hij vermoedt dat dit was om aan de leider te laten zien. Eiser heeft echter niet inzichtelijk kunnen maken waar, wanneer, door wie en waarom de foto(‘s) is/zijn gemaakt. Ook heeft eiser niet inzichtelijk kunnen maken wat de reden is dat zijn familie het huis heeft verlaten. Hij heeft hierover immers enkel verklaard dat de mensen van de groepering zijn familie “kennelijk” ook iets wilden aandoen.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat met de hiervoor weergegeven motivering duidelijk tot uitdrukking komt dat verweerder zijn standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet alleen heeft gebaseerd op het argument dat eiser wisselende verklaringen heeft afgelegd over het moment waarop gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. De rechtbank volgt eiser daarom niet in de stelling dat daarop buitenproportioneel veel nadruk is gelegd. Evenmin kan de rechtbank eiser volgen in de stelling dat de beoordeling van de geloofwaardigheid niet mede heeft plaatsgevonden in het licht van de verklaringen van eiser over de gebeurtenissen an sich. De omstandigheid dat het in de praktijk vaker voorkomt dat asielzoekers hun relaas deels baseren op eigen aannames en vermoedens, kan er voorts niet aan af doen dat verweerder, indien zulks het geval is, niet met bewijs gestaafde verklaringen en vermoedens op geloofwaardigheid moet beoordelen. Dit heeft verweerder, blijkens pagina 6 van het voornemen, ook gedaan in het geval van eiser en hij heeft gemotiveerd waarom eiser niet in zijn aannames wordt gevolgd. Nu verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat in de verklaringen van eiser sprake is van (interne) inconsistenties die de geloofwaardigheid daarvan ernstig aantasten, behoefden die verklaringen niet te worden vergeleken met informatie uit objectieve bronnen over de situatie in het land van herkomst (een externe geloofwaardigheidsindicator). Al met al is de rechtbank van oordeel dat zij noch in het voornemen, noch in het bestreden besluit aanknopingspunten heeft gevonden voor de stelling van eiser dat de beoordeling van de geloofwaardigheid in dit geval niet overeenkomstig Werkinstructie 2014/10 of de jurisprudentie heeft plaatsgevonden. De grond faalt.

5. Eiser voert aan dat de meeromvattende beschikking geldt als een terugkeerbesluit. Dat is naar mening van eiser in strijd met artikel 46, achtste lid, Procedurerichtlijn in samenhang met artikel 3 Opvangrichtlijn, maar ook met de Terugkeerrichtlijn. Op 8 juli 2017 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Op 28 juli 2017 is de asielaanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen. Op diezelfde dag is namens eiser beroep ingesteld tegen de afwijzing van de asielaanvraag en is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Uit voornoemde bepalingen, in samenhang gelezen, volgt dat eiser valt onder de Opvang-richtlijn, omdat hij als gevolg van het verzoek om een voorlopige voorziening het recht heeft om in Nederland te verblijven in afwachting van een uitspraak van de voorzieningen-rechter. Omdat het verblijf van eiser legaal is in de zin van de Procedurerichtlijn, in samenhang met de Opvangrichtlijn, valt hij niet onder de Terugkeerrichtlijn en kon jegens hem niet een terugkeerbesluit worden uitgevaardigd. Eiser meent steun te vinden voor zijn opvatting in een conclusie van de Advocaat-Generaal (AG) bij het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) Mengozzi van 15 juni 2017 (C-181/16, Gnandi, ECLI:EU:C:2017:467). In die conclusie overweegt AG Mengozzi dat de Terugkeerrichtlijn alsook de beginselen van non-refoulement en effectieve rechterlijke bescherming er aan in de weg staan dat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd in het geval dat een asielzoekende derdelander het recht heeft om in de lidstaat te verblijven tijdens de termijn voor het indienen van een rechtsmiddel en hangende de rechterlijke beoordeling van dat rechtsmiddel.

5.1

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het recht om op het grondgebied te blijven de vreemdeling pas toekomt als een ingediend rechtsmiddel schorsende werking heeft of als de rechter een verzoek om een voorlopige voorziening heeft toegewezen. In andere gevallen is er geen recht om op het grondgebied te blijven. In artikel 46, achtste lid, Procedurerichtlijn wordt twee keer het recht om op het grondgebied te blijven genoemd en als hiermee dezelfde procedures zouden worden bedoeld, zou dit artikel volstrekt zinledig zijn. Met betrekking tot de conclusie van de AG in de zaak Gnandi heeft verweerder aangevoerd dat dit niet dezelfde waarde heeft als een arrest van het Hof. Verweerder heeft daarom niet op de inhoud van de conclusie gereageerd.

5.2

De rechtbank overweegt allereerst dat, gelet op de in de Terugkeerrichtlijn opgenomen definitie van “illegaal verblijf” in artikel 3, tweede lid, het in artikel 46, vijfde lid, Procedurerichtlijn neergelegde recht van een verzoeker om op het grondgebied van een lidstaat te blijven tot de termijn waarbinnen hij zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kan uitoefenen is verstreken, dan wel daar te blijven in afwachting van de uitkomst van een ingesteld rechtsmiddel, niet op één lijn gesteld kan worden met het recht op verblijf uit hoofde van een door de overheid verleende vergunning daartoe. Zelfs indien geoordeeld zou moeten worden dat de Terugkeerrichtlijn strikt genomen (nog) niet van toepassing is op een vreemdeling zolang hij een “verzoeker” is als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, Procedurerichtlijn en artikel 2, aanhef en onder b, Opvangrichtlijn omdat dit een onderdaan van een derde land betreft die een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan waarover nog geen “definitieve beslissing” in de zin van artikel 2, aanhef en onder e, Procedurerichtlijn is genomen (dat wil zeggen een beslissing of internationale bescherming wordt verleend, waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat in het kader van hoofdstuk V, ongeacht of dit rechtsmiddel tot gevolg heeft dat de verzoeker in de lidstaat mag blijven in afwachting van het resultaat), staat dit er naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg dat een bestuursorgaan dat - zoals in het geval van eiser - afwijzend beslist op het verzoek om internationale bescherming tegelijkertijd met die beschikking (reeds) een terugkeerbesluit in de zin van artikel 6 Terugkeerrichtlijn neemt. De afwijzing van dat verzoek houdt immers in dat aan de verzoeker geen recht op verblijf in de lidstaat in de zin van artikel 3, tweede lid, Terugkeerrichtlijn wordt verleend. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 6, zesde lid, Terugkeerrichtlijn. Dat de betrokkene wel een recht om te blijven wordt toegekend in afwachting van de uitkomst van een ingesteld rechtsmiddel, kan aan het vorenstaande niet afdoen, nu dit recht - zoals gezegd - niet op één lijn gesteld kan worden met een recht op verblijf in de lidstaat. De rechtbank acht voor haar oordeel van belang dat eiser, nu in de bestreden beschikking zowel op zijn asielverzoek is beslist, alsook een terugkeerbesluit (en inreisverbod) is/zijn uitgevaardigd, de mogelijkheid heeft om de rechtmatigheid van al die onderdelen door het instellen van één en hetzelfde rechtsmiddel te betwisten. Tevens acht de rechtbank van belang dat in artikel 9, eerste lid, Terugkeerrichtlijn is bepaald dat de lidstaat de verwijdering van de betrokken derdelander moet uitstellen, onder meer, in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement. De rechtbank vat dit aldus op dat zolang geen “definitieve beslissing” in de zin van artikel 2, aanhef en onder e, Procedurerichtlijn is genomen over de vraag of internationale bescherming wordt verleend (en daarmee over de vraag of het verbod van refoulement zou worden geschonden in geval van verwijdering van de betrokkene naar het land van herkomst), het bestuursorgaan geen uitvoering mag geven aan een terugkeerbesluit.

5.3

Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat verweerder niet bevoegd was om in de meeromvattende beschikking van 28 juli 2017 een terugkeerbesluit op te nemen of dat het uitgevaardigde terugkeerbesluit strijdig is met de beginselen van non-refoulement en een effectieve rechterlijke bescherming. Hieruit volgt ook dat de rechtbank de gedachtegang, neergelegd in de conclusie van de AG, evenmin volgt. De beroepsgrond wordt verworpen.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.