Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9620

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
NL17.5790
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30b, geldigheid: 2015-07-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.5790


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).


Procesverloop
Bij besluit van 25 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.5791, plaatsgevonden op 10 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is P. van Nieuwenhuizen verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is van Oegandese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1981. Eiser is in Oeganda getrouwd met een vrouw en heeft samen met zijn vrouw een kind. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij eigenlijk homoseksueel is en tijdens het verrichten van seksuele handelingen met zijn vriend, [persoon A], is betrapt. Eiser is gearresteerd en vervolgens na vier dagen op borgtocht vrijgelaten omdat zijn neef de politie heeft omgekocht. Eiser heeft in de zes maanden na zijn vrijlating ondergedoken gezeten in een kamer die hij huurde en heeft in die tijd ook een visum en een paspoort aangevraagd. Op 17 december 2016 heeft eiser Oeganda op legale en gecontroleerde wijze verlaten en is hij naar de Verenigde Arabische Emiraten vertrokken. Op 28 juni 2017 heeft eiser aan de grens op de luchthaven Schiphol zijn asielverzoek gedaan..

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- de nationaliteit, identiteit, en herkomst van eiser;

- de homoseksuele gerichtheid van eiser en de direct hieruit voortkomende problemen.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat verweerder de gestelde homoseksualiteit van eiser, en daarmee ook de daaruit voortgevloeide problemen, ongeloofwaardig acht.

3. Eiser heeft in zijn gronden van beroep betoogd dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Hiertoe voert eiser aan, kort samengevat, dat hij wel degelijk volledig en consistent heeft verklaard over zijn proces van bewustwording en zelfacceptatie.

4. Verweerder heeft de gronden ter zitting gemotiveerd betwist.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

In haar uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat verweerder in de Werkinstructie (WI) 2015/9 voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid verricht, bij welke vragen en antwoorden het zwaartepunt ligt en hoe hij de door een vreemdeling gegeven antwoorden waardeert en onderling weegt en dat verweerder op dit punt heeft voldaan aan de voorwaarden die de Afdeling in de uitspraak van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2170) heeft gesteld.

5.2.

De vraag dient dan ook te worden beantwoord of in de onderhavige zaak overeenkomstig de WI 2015/9 is gehoord en beslist en of verweerder wordt gevolgd in zijn standpunt dat de door eiser gestelde seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn.

5.3.

De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat eiser conform de WI 2015/9 is gehoord. Uit het verslag van het gehoor van 7 juli 2017 blijkt dat over alle in de WI 2015/9 genoemde thema’s vragen zijn gesteld aan eiser. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder conform de WI 2015/9 heeft beslist, gelet op het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen, in samenhang met de toelichting van verweerder daarop ter zitting. Verweerder heeft immers, in overeenstemming met paragraaf 3 van de WI 2015/9, met name gewicht toegekend aan eisers antwoorden op vragen over bewustwording en zelfacceptatie en wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend. Tevens heeft verweerder gehandeld in overeenstemming met de WI 2015/9 door betekenis toe te kennen aan de verklaringen van eiser omtrent het proces van bewustwording, waarbij is betrokken dat eiser afkomstig is uit een land waar LHBT-gerichtheid niet wordt geaccepteerd.

5.4.

De rechtbank is vervolgens van oordeel dat verweerder zich op basis van de in het bestreden besluit gegeven motivering, het daarin ingelaste voornemen en de toelichting ter zitting daarop, niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig is. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat eiser vaag, wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop hij zich bewust is geworden van zijn gestelde geaardheid. Zo heeft eiser in antwoord op de vraag wanneer hij zich bewust werd van zijn homoseksuele gevoelens eerst verklaard dat dat in Oeganda was tussen vijf- en zevenjarige leeftijd toen hij met zijn buurjongen [persoon B] speelde. Later verklaarde eiser echter dat dat op achttienjarige leeftijd was. De hiervoor gegeven verklaring, dat hij pas op achttienjarige leeftijd echte homoseksuele gevoelens kreeg omdat hij eerder te jong was om dit te beseffen, overtuigt niet nu eiser heeft verklaard tussen zijn negende en twaalfde verjaardag al uiting te hebben gegeven aan zijn homoseksuele gevoelens voor zijn buurjongen. Eiser heeft ook geen uitleg kunnen geven over het verschil tussen zijn gevoelens toen hij nog een kind was en toen hij achttien was. Dat eiser de voornaam van zijn buurjongen, met wie hij zes jaar lang goed bevriend zou zijn geweest niet weet te noemen doet verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas op dit punt. Verweerder heeft het eiser ook tegen kunnen werpen dat hij over zijn vriend [persoon A] tegenstrijdig heeft verklaard wanneer hij voor het laatst contact met hem heeft gehad. Eiser heeft enerzijds aangegeven dat hij niet meer weet wanneer hij precies voor het laatst met [persoon A] contact heeft gehad, maar dat dat was kort voordat hij Oeganda verliet en anderzijds heeft eiser verklaard dat hij [persoon A] voor het laatst had gesproken de dag nadat hij op borgtocht vrij zou zijn gelaten.

Verweerder heeft het eiser verder ook kunnen tegenwerpen dat hij enkel vaag en summier heeft kunnen verklaren over zijn proces van zelfacceptatie. Hoewel verweerder het eiser meermalen heeft gevraagd komt eiser niet veel verder in zijn beantwoording dan het hebben van gevoelens voor mannen en het moeten trouwen met een vrouw. Op geen enkele wijze

heeft eiser een daadwerkelijk inzicht kunnen geven in het gestelde proces van zelfacceptatie. De later door eiser gegeven verklaring dat zijn zelfacceptatie is gekomen door zijn vijfjarig lidmaatschap van een LHBT-organisatie in Oeganda, heeft verweerder als ongeloofwaardig van de hand kunnen doen nu eiser niet eens weet waar de precieze afkorting van de organisatie LGBTI voor staat, ook geen andere basale informatie over de organisatie weet te geven en het overgelegde lidmaatschapspasje door Bureau Documenten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid als niet echt is bestempeld. Ook in de andere overgelegde documenten van belangenorganisaties voor de wereldwijde LHBT-gemeenschap heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien de gestelde homoseksualiteit van eiser geloofwaardig achten. Daargelaten dat niet de gewenste waarde aan de verklaringen kan worden gegeven nu zij niet objectief zijn omdat zij op verzoek zijn opgesteld terwijl niet inzichtelijk is op grond van welke feiten en omstandigheden dat is gebeurd, doen deze verklaringen van derden niet af aan de hiervoor genoemde eigen vage, wisselende en tegenstrijdige verklaringen van eiser.

Verweerder heeft ook in de overgelegde brief van de politie, waarin is vermeld dat eiser werd vervolgd wegens homoseksualiteit maar op borgtocht is vrijgelaten, geen aanleiding hoeven zien de gestelde vrees van eiser voor vervolging dan wel schending van artikel 3 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wegens het plegen van homoseksuele handelingen geloofwaardig te achten. Immers, ook deze brief is door Bureau Documenten bestempeld als met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt. Er kan dan ook niet de door eiser gewenste waarde aan worden gegeven. Het had op de weg van eiser gelegen om, nu hij het oordeel van het Bureau Documenten in twijfel trekt, een contra-expertise uit te laten voeren en in het geding te brengen.

5.5.

Reeds gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser, alsmede de daaruit voortgevloeide problemen, niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft hierin dan ook geen reden hoeven zien een schending van artikel 3 van het EVRM aanwezig te achten bij terugkeer naar Oeganda.

6. Nu verweerder heeft geconcludeerd tot ongeloofwaardigheid van het asielrelaas op grond van kennelijk valse en duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen van eiser, heeft verweerder de aanvraag tevens af kunnen wijzen als kennelijk ongegrond met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.