Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9618

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5186
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening afgewezen

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:81, geldigheid: 2013-04-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/5186 en AWB 17/7572

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 augustus 2017 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een reguliere verblijfvergunning met als doel: “verblijf als langdurig ingezeten derdelander” afgewezen.

Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 22 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit op 6 april 2017 beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2017. Eiseres is niet verschenen. Zij is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat namens verzoekster ter zitting het verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep met kenmerk AWB 17/7573 is ingetrokken, nu reeds sprake was van een omgeklapt verzoek om voorlopige voorziening in beroep.

2. Voorts ziet de voorzieningenrechter aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen nu ter zitting namens verzoekster is betoogd dat – ondanks dat verzoekster zich per 10 maart 2017 wegens belastingtechnische redenen heeft laten uitschrijven uit de Basisregistratie personen – zij nog steeds in Nederland verblijft.

3. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

4. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de volgende feiten. Verzoekster heeft de Marokkaanse nationaliteit en is daarnaast in het bezit van een Spaanse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Thans wenst verzoekster op grond van haar Spaanse verblijfsvergunning een reguliere verblijfsvergunning voor Nederland op grond van haar status als langdurig ingezeten derdelander, zodat zij met haar Nederlandse echtgenoot en kind in Nederland gezinsleven kan uitoefenen.

5. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verzoekster is hiervan niet vrijgesteld op grond van haar Spaanse verblijfsvergunning nu hierop de aantekening UE of CE ontbreekt. Evenmin is gebleken dat de weigering verzoekster hier verblijf toe te staan in strijd is met artikel 8 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.

6. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij is van mening dat zij reeds vanwege het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van een andere lidstaat voldoet aan de vrijstellingsgrond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Subsidiair doet verzoekster een beroep op het vertrouwensbeginsel nu referent, de echtgenoot van verzoekster, in 2015 aan het loket van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te horen heeft gekregen dat de Spaanse verblijfsvergunning van verzoekster voldoende was voor een verblijfsrecht in Nederland. Verzoekster is verder van mening dat de weigering haar van het mvv-vereiste vrij te stellen wel degelijk strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM nu haar echtgenoot niet met haar mee kan naar Spanje gedurende de mvv-procedure nu hij vrijwel werkeloos is en medische problemen heeft. Verzoekster ziet tot slot wel degelijk redenen aanwezig die nopen tot toepassing van de hardheidsclausule. Zij wijst in dit kader op de lange duur van de relatie en van het verblijf, op de Nederlandse nationaliteit van haar echtgenoot en op de minderjarigheid van haar zoon.

7. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

8.1.

Niet in geschil is dat op het Spaanse verblijfsdocument van verzoekster geen aantekening EU of UE staat vermeld. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1586, heeft overwogen, is op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 uitsluitend de houder van een EG-verblijfsvergunning vrijgesteld van de verplichting over een mvv te beschikken. De duidelijke en niet voor meerdere uitleg vatbare tekst van deze bepaling biedt geen aanknopingspunt om aan te nemen dat een vreemdeling aan wie de status langdurig ingezetene is toegekend, maar die niet beschikt over een EG-verblijfsvergunning eveneens van deze verplichting is vrijgesteld. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat het standpunt van verweerder dat verzoekster op grond van voormelde bepaling niet wordt vrijgesteld, onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep van verzoekster op het vertrouwensbeginsel slaagt naar oordeel van de voorzieningenrechter evenmin nu op geen enkele wijze is onderbouwd dat verweerder verzoekster via haar echtgenoot onjuist zou hebben geinformeerd.

8.2.

Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter verder niet ten onrechte geoordeeld dat de weigering verzoekster vrijstelling te verlenen van het mvv-vereiste niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft verzoekster daarbij kunnen tegenwerpen dat zij nooit in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning die haar in staat stelde hier te lande gezinsleven uit te oefenen en dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Spanje uit te oefenen. De aangedragen argumenten op dit punt zijn subjectief en kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Dat de echtgenoot van verzoekster niet naar Spanje zou kunnen reizen in verband met zijn medische toestand is in het geheel niet onderbouwd, en kan reeds daarom niet tot een ander oordeel leiden.

8.3.

Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in de aangevoerde omstandigheden in redelijkheid geen grond voor toepassing van de hardheidsclausule heeft hoeven zien. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer in de uitspraak van 9 december 2003 in zaak nr. 200306704/1; JV 2004/63), komt verweerder bij de toepassing van de hardheidsclausule een ruime beoordelingsmarge toe. Als beleidsuitgangspunt geldt hierbij dat een beroep op de hardheidsclausule slechts in zeer uitzonderlijke individuele gevallen, die door wet- en regelgever niet zijn voorzien, wordt gehonoreerd. Van dergelijke omstandigheden is echter geen sprake bij verzoekster.

9. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden heeft geconcludeerd dat geen redenen aanwezig zijn om verzoekster vrij te stellen van het mvv-vereiste.

10. Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Awb ongegrond verklaard.

11. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

12. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
24 augustus 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.