Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9591

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
NL17.6079
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken vast dat tussen 1 augustus 2017 en 14 augustus 2017 geen handelingen zijn verricht die van invloed waren op de voortgang van het vooronderzoek. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het ontbreken van voortgang te maken heeft gehad met de aard of complexiteit van de zaak of andere bijzondere omstandigheden. De overschrijding van de termijn van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 is daarom in dit geval geheel aan de rechtbank toe te rekenen. Deze termijnoverschrijding heeft er reeds op zichzelf toe geleid dat de behandeling van het beroep 7 dagen langer in beslag heeft genomen dan bij juiste toepassing van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 zou zijn geschied. Reeds om die reden kan bij de in dit geval verstreken relevante termijn niet worden gesproken van een spoedige beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de vrijheidsbeneming van eiser. Dit wordt niet anders door het feit dat deze uitspraak wordt gedaan op de 24ste dag na de indiening van het beroepschrift. De maatregel van bewaring van eiser moet om die reden worden opgeheven.

Trefwoorden:

-termijnoverschrijding vooronderzoek;

-Artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000;

-aan de rechtbank te wijten;

-rechtmatigheid vrijheidsbenemening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.6079

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2017 in de zaak tussen


[eiser] , geboren op [geboortedag] 1997, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser,

(gemachtigde: mr. L.F. Portier),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 15 juni 2017 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Bij uitspraken van de rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 13 juni 2017 en 10 juli 2017, zijn het eerste beroep en het volgberoep van eiser, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 31 juli 2017 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Bij brief van 1 augustus 2017 heeft de rechtbank aan verweerder verzocht om binnen drie werkdagen de voortgangsrapportage te overleggen. Voorts is in voornoemde brief aan eiser verzocht om binnen twee werkdagen nadat de rapportage is overgelegd te reageren.

Verweerder heeft op 1 augustus 2017 een voortgangsrapportage ingezonden.

Bij brief van 15 augustus 2017 heeft de rechtbank het vooronderzoek gesloten en bepaald dat het volgberoep op de zitting van 21 augustus 2017 zou worden behandeld.

Bij brief van 17 augustus 2017 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat het volgberoep niet zal worden behandeld op zitting en dat het onderzoek ter zitting achterwege kan blijven.

De rechtbank heeft op 17 augustus 2017 het onderzoek gesloten.

Eiser heeft op 18 augustus 2017 een reactie gegeven op de voortgangsrapportage.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt vast dat eiser op 25 mei 2017 eerst in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Het beroep daartegen is bij uitspraak van 13 juni 2017, AWB 17/10873, ongegrond verklaard. Eiser heeft hangende voornoemd beroep een reguliere aanvraag ingediend, waardoor verweerder op 1 juni 2017 de bewaring heeft omgezet naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Tegen deze omzetting heeft eiser geen beroep ingesteld. Op 14 juni 2017 heeft verweerder eisers aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning afgewezen. Gelet op de afwijzing van eisers aanvraag heeft verweerder op 15 juni 2017 de maatregel van bewaring omgezet naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Verweerder heeft dezelfde gronden aan de maatregel ten grondslag gelegd als die bij de maatregel van 25 mei 2017. De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 juli 2017, NL17.3834 geoordeeld dat het beroep gericht tegen de maatregel van 15 juni 2017 moet worden aangemerkt als een volgberoep. Uit voornoemde uitspraak volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag lag, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 3 juli 2017 de maatregel van bewaring rechtmatig is.

3. De rechtbank merkt ambtshalve het volgende op. Het beroepschrift is op 31 juli 2017 ingediend. Ingevolge artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 sluit de rechtbank het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift. Dit betekent dat de rechtbank in dit geval het vooronderzoek uiterlijk op 7 augustus 2017 had moeten sluiten. Het vooronderzoek is echter op 14 augustus 2017 gesloten.

4. Uit de bewoordingen van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van de daarin neergelegde bepaling kan op zichzelf worden afgeleid dat is beoogd dat de enkele overschrijding van die termijn tot gevolg heeft dat het voortduren van de bewaring niet langer rechtmatig is. De vraag of de overschrijding van deze termijn leidt tot onrechtmatigheid van het voortduren van de vreemdelingenbewaring moet worden beoordeeld in het licht van de waarborg van artikel 5, vierde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit dient blijkens het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 21 oktober 1986 in de zaak Sanchez Reisse tegen Zwitserland (9862/82, NJ 1988, 555) te worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval, waarbij de aard en complexiteit van de zaak in aanmerking dienen te worden genomen. Uit het arrest Singh tegen Tsjechië van het EHRM van 25 januari 2005, JV 2005/114, volgt voorts dat de relevante termijn ter beoordeling van de vraag of is voldaan aan een spoedige beoordeling van de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming loopt vanaf de indiening van het beroepschrift tot aan de bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank aan de betrokkene.

5. De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken vast dat tussen 1 augustus 2017 en 14 augustus 2017 geen handelingen zijn verricht die van invloed waren op de voortgang van het vooronderzoek. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het ontbreken van voortgang te maken heeft gehad met de aard of complexiteit van de zaak of andere bijzondere omstandigheden. De overschrijding van de termijn van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 is daarom in dit geval geheel aan de rechtbank toe te rekenen. Deze termijnoverschrijding heeft er reeds op zichzelf toe geleid dat de behandeling van het beroep 7 dagen langer in beslag heeft genomen dan bij juiste toepassing van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 zou zijn geschied. Reeds om die reden kan bij de in dit geval verstreken relevante termijn niet worden gesproken van een spoedige beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de vrijheidsbeneming van eiser. Dit wordt niet anders door het feit dat deze uitspraak wordt gedaan op de 24ste dag na de indiening van het beroepschrift. De maatregel van bewaring van eiser moet om die reden worden opgeheven.

6. De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring gegrond is. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden.

7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend vanaf 8 augustus 2017, zijnde de eerste dag volgend op de dag waarop het vooronderzoek had moeten worden gesloten. Uitgaande van het normbedrag van € 80,- voor een dag detentie in een huis van bewaring heeft eiser recht op een schadevergoeding van € 1.280,-.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 495,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1). Omdat een toevoeging is verleend dienen de kosten te worden voldaan aan de gemachtigde van eiser.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent eiser een schadevergoeding toe van € 1.280,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 495,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Proudian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.