Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:954

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 708
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Iran

- opvolgende aanvraag

- bekering tot christen niet geloofwaardig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/708

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 31 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. M.J. Paffen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. D.P.A. van Laarhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en R. Vasseghi, tolk Farsi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 3 januari 2017 heeft hij een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Verweerder acht eisers verklaringen dat hij is bekeerd tot het christendom niet geloofwaardig.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de bekering tot het christendom ten onrechte niet geloofwaardig acht en dat de aanvraag daarom ten onrechte is afgewezen.

4. De rechtbank stelt, in navolging van verweerder, vast dat eisers gestelde bekering tot het christendom eerder, bij besluit van 22 juli 2016 niet geloofwaardig is bevonden, welk oordeel van verweerder in rechte is komen vast te staan na de uitspraken in (hoger) beroep van de rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 26 augustus 2016 (NL16.1893) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 5 oktober 2016 (201606686/1/V2).

5. De rechtbank heeft in de uitspraak van 26 augustus 2016 overwogen dat verweerder niet ten onrechte de gestelde (liefdes)relatie van eiser ongeloofwaardig heeft geacht, evenals de gestelde kennismaking van eiser met het christelijk geloof, via die vriendin. Ook is overwogen dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over de bekering dermate algemeen van aard zijn dat zij niet overtuigen.

6. Verweerder heeft er in het thans bestreden besluit, onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 10 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1307), terecht op gewezen dat van een vreemdeling, wiens eerder gestelde bekering niet geloofwaardig is bevonden, omdat hij geen inzicht had gegeven in het motief voor en het proces van zijn bekering, wordt verwacht dat hij dit in een opvolgende aanvraag alsnog doet. Voor zover wordt gesteld dat er sprake is van een voortzetting van het bekeringsproces, zal de vreemdeling inzichtelijk moeten maken waarom en hoe hij hiertoe is gekomen. Een en ander is temeer van belang indien de vreemdeling – zoals in dit geval – afkomstig is uit een land waarin een dergelijke bekering tot een ander geloof strafbaar is.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht overwogen dat eiser tijdens het gehoor in het kader van de opvolgende aanvraag niet wezenlijk anders heeft verklaard dan in de eerdere procedure. Eiser heeft in zijn verklaringen immers opnieuw gesteld dat hij voor zijn komst naar Nederland, in Iran is bekeerd. Voorts heeft eiser tijdens zijn gehoor, op vergelijkbare wijze als in de eerste procedure, verwoord dat hij als gevolg van zijn bekering tot het christelijk geloof is veranderd, in de zin dat hij anders dan voorheen vrolijk, liefdevol en bescheiden is en rust voelt.

8. Eiser heeft verder verklaard voor het christelijk geloof te hebben gekozen, vanwege de redding die hij heeft ontvangen, zijn genezing en de wonderen die hij heeft meegemaakt.

Eiser zegt sinds de vorige procedure een ontwikkeling in zijn geloof te hebben doorgemaakt.

Hij heeft daarbij verklaard over door hem als positief ervaren gebeurtenissen die hij toeschrijft aan het geloof in Jezus Christus: het gegeven dat eiser als uitgeprocedeerde asielzoeker onderdak heeft weten te krijgen, zijn bijdrage aan activiteiten van de kerk, zijn genezing van medische klachten en het feit dat de problemen van zijn broer werden opgelost. Ook heeft hij verklaard dat hij zich heeft ontwikkeld door het vergaren van informatie en kennis van het christendom, onder andere door Bijbelstudie.

Verweerder heeft niet ten onrechte geoordeeld dat deze verklaringen te algemeen van aard zijn om de bekering alsnog geloofwaardig te achten. Dat eiser zijn gestelde geloofsbeleving in verband brengt met concrete persoonlijke gebeurtenissen, laat onverlet dat niet ten onrechte is overwogen dat daarmee nog altijd geen overtuigend antwoord is gegeven op de vraag naar eisers motief voor de bekering (in Iran) en dat daarmee dus ook het proces van bekering nog immer niet inzichtelijk is. Hierbij is van belang dat een keuze voor het Christendom in Iran niet wordt geaccepteerd en tot grote problemen kan leiden, iets waarvan eiser stelt zich bewust te zijn. Verder is de rechtbank met verweerder ter zitting van oordeel dat het niet aannemelijk is dat eisers gestelde persoonlijke ervaringen zich hebben afgespeeld in de betrekkelijk korte tijd sinds de vorige asielprocedure, zodat die verklaringen ook om die reden niet toereikend zijn om het proces van intensivering van de geloofsbeleving aannemelijk te maken.

9. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte geconcludeerd dat met eisers verklaringen nog immer niet aannemelijk is geworden dat eiser een weloverwogen en welbewuste keuze voor het christendom heeft gemaakt. De door eiser ingebrachte ondersteunende documenten, zoals zijn doopbewijs, hebben, naar verweerder terecht heeft opgemerkt, onvoldoende zelfstandige betekenis om tot een ander oordeel te leiden.

10. Eiser heeft daarnaast verklaard dat hij bij terugkeer naar Iran problemen met de autoriteiten kan verwachten, omdat die inmiddels op de hoogte zouden zijn van zijn afvalligheid. Eiser heeft in dat verband naar zijn zeggen van zijn zus vernomen dat zij bij haar terugkeer in Iran vanuit Nederland is gescreend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers vrees niet ten onrechte onaannemelijk geacht, omdat zijn verklaringen zijn gebaseerd op informatie uit een niet objectief verifieerbare bron. Verder heeft verweerder ter zitting er terecht op gewezen dat de zus volgens eisers eigen verklaring alle informatie over hem uit haar telefoon heeft gewist. Nu verder niet is gebleken van concrete aanwijzingen voor de gestelde vrees, is slechts sprake van een ongefundeerd vermoeden. De omstandigheid dat de Iraanse autoriteiten in het algemeen belangstelling tonen voor Iraanse burgers die uit het buitenland terugkeren, noch de omstandigheid dat eisers zus in het bijzonder zou kwalificeren om bij terugkeer te worden gescreend, is dan voldoende voor een ander oordeel.

11. Op grond van het vorenstaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning vormen. Nu het een opvolgende aanvraag betreft die niet met toepassing van artikel 30a, aanhef en eerste lid, onder d of e van de Vw niet-ontvankelijk is verklaard, is de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond met toepassing van artikel 30b, aanhef en eerste lid, onder g, van de Vw.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: