Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9530

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
09/819433-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bedreiging met de dood van de minister-president via Facebook (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/819433-16

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

Tegenspraak

(Vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats] ,

[adres] .

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 augustus 2017.

De verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr. P.F.D.P. de Milliano, advocaat te Katwijk, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. G.K. Schoep heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 24 november 2016 te ’s-Gravenhage en/of te Leiden, in elk geval in Nederland, (de minister president) M. Rutte heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk een foto geplaatst op Facebook, waarop voornoemde Rutte staat afgebeeld met een strop om zijn nek en waarbij dreigend de woorden waren toegevoegd: "Als we Sylvana niet op mogen hangen, dan hangen wij toch deze klootzak op. De hoofdveroorzaker", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Bewijsoverweging

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een bedreiging tegen het leven gericht in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging, dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 24 november 2016 in reactie op een bericht op Facebook, waarin stond vermeld dat het openbaar ministerie op zoek was naar de maker van het ‘Oh Sylvana’-filmpje, het volgende bericht op Facebook heeft geplaatst:

Als we Sylvana niet op mogen hangen, dan hangen wij toch deze klootzak op. De hoofdveroorzaker’ met daarbij een foto van minister-president M. Rutte met een strop om zijn nek.

Facebook is een voor het publiek toegankelijke website dus iedere bezoeker kon kennis nemen van dit bericht. Door van een dergelijke openbare bron gebruik te maken heeft verdachte publiekelijk te kennen gegeven dat de minister-president opgehangen dient te worden. Het moet haar volstrekt duidelijk zijn geweest dat ook de minister-president dit bericht onder ogen zou kunnen krijgen. Dat dit daadwerkelijk is gebeurd blijkt uit zijn aangifte.

De verdediging is van mening dat geen sprake is geweest van een bedreiging waarbij bij de minister-president de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.

Daar is de rechtbank het niet mee eens. Het bericht bevat een tekst die aan duidelijkheid niets te wensen over laat. Deze boodschap is gecombineerd met een afbeelding die ook niets aan de verbeelding over laat. Door dit alles te plaatsen op een openbare site, is naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een bedreiging die van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de minister president de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Ter zitting heeft verdachte dit ook onderkend.

Met de officier van justitie is de rechtbank verder van oordeel dat de vraag of verdachte fysiek al dan niet in staat is ‘om een volwassen man aan een boom op te hangen’ in de gegeven omstandigheden niet relevant is. De minister-president weet immers niet van wie de bedreiging afkomstig is. De tekst suggereert door het gebruik van het expliciete woord “wij” dat er meerdere personen achter zitten. Onder deze omstandigheden kan de minister-president geen afweging maken in hoeverre sprake is van een geheel doordachte bedreiging die daadwerkelijk uitgevoerd zal worden.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van de minister president.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank is met betrekking tot het bewezen verklaarde van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen kan worden volstaan, nu de gehele inhoud daarvan tot het bewijs is gebezigd (conform Hoge Raad 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0898 en ECLI:NL:HR:2009:BK5605; Hoge Raad 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6759).

De rechtbank heeft de volgende bewijsmiddelen gebezigd voor de bewezenverklaring:

1. het proces-verbaal van aangifte van de politie Eenheid Den Haag Dienst Regionale Recherche, nr. PL1500-2016330898-1, d.d. 14 december 2016 (met als bijlagen: twee screenshots en een machtiging), opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (blz. 18 t/m 22);

2. het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 augustus 2017 voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:

zij op 24 november 2016 te Leiden, de minister-president M. Rutte heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk een foto geplaatst op Facebook, waarop voornoemde Rutte staat afgebeeld met een strop om zijn nek

en waarbij dreigend de woorden waren toegevoegd: "Als we Sylvana niet op mogen

hangen, dan hangen wij toch deze klootzak op. De hoofdveroorzaker."

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft minister-president met de dood bedreigd door middel van een openbaar bericht op Facebook waar iedere bezoeker van deze site kennis van kon nemen. Het gaat om een bericht dat niets aan de verbeelding overliet. Een dergelijke doodsbedreiging is – ook in het huidige tijdsgewricht waar de vrijheid van meningsuiting een groot goed is – niet acceptabel. Want hoe oneens iemand het ook is met een politicus, dit is een verwerpelijke manier om daaraan uitdrukking te geven. Een dergelijk bericht kan naar zijn aard een ontwrichtende werking hebben voor het uitoefenen van de publieke taak van de minister-president en meer in het algemeen voor het goed functioneren van onze democratie waarvan de minister-president deel uitmaakt. Als persoon heeft de minister-president zich bedreigd gevoeld maar het heeft hem gelukkig niet gehinderd in het uitoefenen zijn publieke functie. Verder weegt mee dat Facebook een laagdrempelig medium is met een groot publiek bereik. Dit bericht kan ook bij andere mensen gevoelens van onveiligheid en onrust teweeg hebben gebracht en reeds bestaande gevoelens van onveiligheid en onrust hebben versterkt.

Uit haar strafblad van 11 juli 2017 blijkt dat verdachte niet eerder voor dit soort feiten is veroordeeld. Wel is zij meermalen veroordeeld voor andere feiten waarbij ook gevangenisstraffen zijn opgelegd. Kennelijk hebben deze straffen verdachte er niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Door de gebrekkige medewerking van verdachte heeft de psycholoog zeer beperkt over haar kunnen rapporteren. In zijn rapport van 21 maart 2017 meldt hij dat de wisselende stemming bij verdachte, haar drukke gedrag en de aanwijzingen voor een wanordelijk leven heel wel zouden kunnen passen binnen de door verdachte zelf genoemde borderline persoonlijkheidsproblematiek, waarmee zij zou kampen. Bij gebrek aan gedetailleerde en exacte informatie kan de psycholoog geen uitspraken doen omtrent de toerekeningsvatbaarheid van verdachte en het recidiverisico. Volgens onderzoeker valt niet uit te sluiten dat haar gedesorganiseerde levensstijl (mede) heeft doorgewerkt in het ten laste gelegde. Onderzoeker adviseert om verdachte vanuit hulpverleningsstandpunt begeleiding en behandeling aan te bieden.

In het rapport van de reclassering van 3 april 2017 wordt geadviseerd aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen waaraan bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Eén van deze voorwaarden dient te zijn dat verdachte zich laat behandelen bij een forensische polikliniek in verband met de emotieregulatieproblematiek, mogelijk voortkomend uit borderline persoonlijkheidsproblematiek. Om deze behandeling te doen slagen is een traject gericht op begeleid wonen/maatschappelijke opvang geïndiceerd, hetgeen eveneens een voorwaarde dient te vormen. Verder is het van belang een meldplicht bij de reclassering wordt opgelegd, zodat door de reclassering aandacht kan worden besteed aan een zinvolle dagbesteding waarbinnen het gebruik van internet door verdachte kan worden verminderd. Door de reclassering wordt de kans op recidive hoog ingeschat.

Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van de bedreiging en de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden voldoende tot uitdrukking in de eis van de officier van justitie. De rechtbank zal daarom aan verdachte de door de officier van justitie gevorderde straffen met inbegrip van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen.

Omdat ook de rechtbank de kans op recidive, gelet op de samenhang met de bestaande problemen in de emotieregulatie, hoog acht, zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 22c, 22d, 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 40 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 20 DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 week;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich op uiterlijk maandag 28 augustus 2017 (tussen 9.00 en 16.00 uur) meldt bij de GGZ Reclassering Palier gevestigd aan de Witte Singel 8 te Leiden, en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van een forensische polikliniek, op de tijden en plaatsen als door of namens die forensische polikliniek aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor problemen in de emotieregulatie (en mogelijk borderline persoonlijkheidsproblematiek);

- gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten stichting De Binnenvest of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

geeft opdracht aan GGZ Reclassering Palier tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het – op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter,

mr. W.G. de Boer, rechter,

mr. D.C. Laagland, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 augustus 2017.

Mr. Van Rens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.