Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9507

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-08-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
NL17.5699
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende asielaanvraag, bekering tot Jehova-getuige terecht niet geloofwaardig geacht door verweerder, beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31, geldigheid: 2017-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.5699


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. A.M.I. Spauwen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Çöplü).


Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft verweerder aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.5700, plaatsgevonden op 15 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is ter zitting verschenen R. Mouadden, als tolk.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1960 en heeft de Iraakse nationaliteit. Eiser heeft eerder, op 23 oktober 2015, een asielaanvraag ingediend die bij besluit van 5 juli 2016 is afgewezen. Het hiertegen gerichte beroep is bij uitspraak van 15 augustus 2016 door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, ongegrond verklaard. Het besluit van 5 juli 2016 staat in rechte vast. Voorts heeft eiser op 21 september 2016 een tweede asielaanvraag ingediend. Deze heeft eiser echter weer ingetrokken.

2. Eiser heeft aan onderhavige opvolgende asielaanvraag van 6 juni 2017 als nieuw feit ten grondslag gelegd dat hij in Nederland is bekeerd tot de Jehova’s getuigen. Hierdoor zal hij problemen krijgen met zijn familie en Al Mahdi in Irak, omdat zij bekend zijn geraakt met de bekering van eiser. Eiser vreest dat zijn bekering ook voor anderen in Irak aanleiding zal zijn om hem in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te behandelen.

3. Verweerder heeft de aanvraag met toepassing van het eerste lid van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en met toepassing van het eerste lid van artikel 30b, aanhef en onder e, f, en g, van de Vw, als kennelijk ongegrond afgewezen. Als relevante elementen van het asielrelaas worden door verweerder onderscheiden:

1. de nationaliteit, identiteit en herkomst van eiser;
2. de bekering tot de Jehova’s getuigen;

3. de bekendheid bij familieleden en het Al Mahdi leger in Irak met de bekering van eiser;

4. de uit de bekering voortvloeiende problemen bij terugkeer naar Irak.


Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht de gestelde bekering tot de Jehova’s getuigen echter niet geloofwaardig. Volgens verweerder is daarom niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, dan wel dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

4.1

Eiser voert aan dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat verweerder zijn correcties en aanvullingen van 3 juli 2017 op het opvolgend gehoor en zijn zienswijze van 17 juli 2017 niet bij de besluitvorming heeft betrokken.

4.2

De rechtbank stelt vast dat in het digitale dossier het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag van 16 juni 2017 en het verslag van het aanvullend gehoor op 22 en 23 juni 2017 aanwezig zijn. De correcties en aanvullingen hierop, die de gemachtigde van eiser stelt op 3 juli 2017 te hebben ingediend, zijn niet aanwezig in het digitale dossier. Bij bericht van 30 juni 2017 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt eisers opvolgende asielaanvraag af te wijzen. De zienswijze hierop, die de gemachtigde van eiser stelt op 17 juli 2017 te hebben ingediend, is evenmin aanwezig in het digitale dossier. De rechtbank begrijpt dat verweerder de correcties en aanvullingen en de zienswijze niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Of dit maakt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen, kan de rechtbank niet beoordelen, nu niet inzichtelijk is of deze documenten daadwerkelijk door de gemachtigde van eiser digitaal zijn ingediend. De rechtbank ziet aanleiding voorbij te gaan aan deze vraag, nu eiser niet in zijn belangen is geschaad. Eiser is ter zitting in de gelegenheid gesteld deze documenten voor te dragen en verweerder heeft hier ter zitting inhoudelijk op gereageerd. Na schorsing van het onderzoek heeft eiser de documenten in het digitale dossier succesvol geüpload.

5.1

Eiser voert aan dat zijn bekering wel degelijk oprecht en geloofwaardig is. Ten onrechte wordt hem verweten dat hij geen geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd. Hetgeen eiser in dit kader aanvoert, zal hieronder worden besproken. Eiser vreest voor zijn leven als zijn bekering bekend wordt in Irak. Hij stelt dat zijn bekering op Facebook is gezet, waardoor dit gemakkelijk bekend kan worden. Eiser verklaart dat na zijn eerste asielaanvraag zijn zoon is vermoord. Zijn eerste opvolgende aanvraag heeft eiser op advies van verweerder ingetrokken, omdat de documentatie hierover volgens verweerder niet authentiek was. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten deze omstandigheid ambtshalve in deze tweede opvolgende asielaanvraag mee te nemen in zijn besluitvorming.

5.2

Zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2011), past verweerder bij de beoordeling van de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging een vaste gedragslijn toe, bestaande uit een vragenlijst die in overleg met onder meer kerkelijke instanties en met een organisatie die de belangen behartigt van christelijke asielzoekers tot stand is gekomen. De daarin opgenomen vragen kunnen – voor zover toepasselijk in het concrete geval – grofweg worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Tevens betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Tenslotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt verweerder ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten. Voorts blijkt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2068) dat het verweerder vrij staat bij de toepassing van zijn gedragslijn voor het onderzoek naar de geloofwaardigheid van een bekering doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de motieven voor en het proces van die bekering. Het is aan eiser om zijn gestelde bekering tot het christendom aannemelijk te maken.

5.3

In het licht van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn bekering ongeloofwaardig zijn. Zo heeft eiser vaag en wisselend verklaard over wanneer hij nu precies zou zijn bekeerd tot de Jehova’s getuigen. Verweerder heeft het in dat kader ook vreemd kunnen vinden dat eiser naar eigen zeggen al ruim voor zijn komst naar Nederland in het christendom geloofde maar hier desondanks niet over heeft verklaard tijdens zijn eerdere asielaanvraag. Dat eiser op dat moment al andere redenen had om een asielaanvraag in te dienen heeft verweerder als onvoldoende van de hand kunnen wijzen. Eisers stelling ter zitting dat hij in Irak enkel gefascineerd was door het christendom, strookt niet met zijn verklaringen tijdens het gehoor dat hij reeds hierin geloofde en van Christus hield. Ook heeft eiser geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de redenen waarom hij volledig overtuigd raakte van het christendom en zich afwendde van de islam. Eiser heeft desgevraagd enkel kunnen verwijzen naar een passage uit zijn eigen meegebrachte bijbel bij het gehoor en naar een meegebracht blaadje met aantekeningen en was niet in staat om in zijn eigen woorden zijn motieven voor zijn bekering uiteen te zetten. Het vorenstaande klemt temeer nu eiser afkomstig is uit Irak, waar geloofsafval en bekering tot een ander geloof dan de islam maatschappelijk onacceptabel zijn en zwaar kunnen worden bestraft (uitspraak van de Afdeling van 28 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4065). Verweerder heeft dan ook het standpunt kunnen innemen dat eiser geen inzicht heeft geboden in zijn motieven voor bekering en dat uit de verklaringen van eiser ook niet is gebleken van een innerlijk proces waarin hij de voor- en nadelen van een bekering heeft afgewogen. Daarnaast heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij onjuiste en vage antwoorden heeft verstrekt op vragen over de gang van zaken bij Jehova’s getuigen, zoals over de taken van een Jehova’s getuige, de waarde van de doop voor een Jehova’s getuige. Eiser heeft verder onjuist verklaard over de aanwezigheid van de heilige drie-eenheid binnen het geloof van Jehova’s getuigen. Anders dan eiser stelde, maakt die namelijk geen deel uit van het geloof van Jehova’s getuigen. Dat eiser de vraag niet begrepen zou hebben wordt niet gevolgd gelet op zijn expliciete verklaring hierover tijdens het gehoor. Verder mag verweerder eiser tegenwerpen dat hij geen titel kan noemen van de liederen die hij tijdens de diensten stelt mee te zingen. Eisers verweer ter zitting dat er wel 150 liederen zijn, maakt niet dat niet van eiser verwacht kan worden dat hij er enkele noemt. Tot slot heeft verweerder het eiser tegen kunnen werpen dat hij geen concrete informatie kon verstrekken over de kerken waar hij diensten zou hebben bijgewoond. Eisers stelling dat hij de naam van de voorganger van de kerk in [plaats] is vergeten omdat hij hier maar eenmaal op bezoek is geweest, wordt niet gevolgd. Volgens eiser tijdens zijn gehoor zou deze persoon namelijk de toezichthouder en hoogste persoon van de Jehova’s zijn. Eisers stelling ter zitting dat er geen toezichthouder is, is tegenstrijdig aan zijn verklaring tijdens het gehoor. Eiser verklaarde zelfs dat deze toezichthouder speciaal voor hem zou zijn langsgekomen op het asielzoekerscentrum waar eiser zich bevond. Dat eiser geen naam en andere concrete informatie over hem kan noemen, heeft verweerder eiser dan ook mogen tegenwerpen. De twee door eiser overgelegde verklaringen van Jehova’s getuigen [persoon A] en [persoon B] van 18 maart 2017 en 6 juli 2017, waarin wordt bevestigd dat eiser regelmatig bijbelstudie volgt en deelnemer is aan vergaderingen, kunnen niet aan eisers ongeloofwaardige verklaringen afdoen.

6. Gelet op het feit dat de bekering zelf al ongeloofwaardig is, heeft verweerder het eveneens ongeloofwaardig kunnen achten dat eiser vanwege zijn gestelde bekering een reële vrees heeft voor vervolging dan wel schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Irak. Nu eiser ook anderszins geen redenen naar voren heeft gebracht om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op vervolging dan wel schending van artikel 3 van het EVRM, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de aanvraag terecht met toepassing van het eerste lid van artikel 31 van de Vw de aanvraag als ongegrond afgewezen.

7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft gericht tegen de omstandigheid dat verweerder zijn asielaanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, f en g, van de Vw als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.

8. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte heeft aangezegd Nederland onmiddellijk te verlaten. Deze stelling volgt de rechtbank niet. Bij besluit van 5 juli 2016 is aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd, met daarin een vertrektermijn van vier weken. Nu eiser niet aan die terugkeerverplichting heeft voldaan, geldt het terugkeerbesluit nog steeds. De vertrektermijn is inmiddels verlopen.

9. Eisers niet onderbouwde stelling dat verweerder ten onrechte niet heeft afgezien van het uitvaardigen van een inreisverbod, slaagt evenmin. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan eiser een inreisverbod heeft uitgevaardigd op grond van artikel 66a, eerste lid, onder b, van de Vw, omdat hij Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten. Hiertegen heeft eiser geen gronden gericht.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.