Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9497

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
C/09/536014 / KG ZA 17-997
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij vervroeging. Verstekvonnis. Merkenrecht. Ambtshalve beoordeling proceskostenvordering op basis van laatste versie IE-indicatietarieven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/536014 / KG ZA 17-997

Vonnis in kort geding van 22 augustus 2017 (bij vervroeging)

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

SABON SHEL PA'AM INDUSTRIES LTD.,

gevestigd te Azur, Israël,

eiseres,

advocaat mr. A.J. Verbeek te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ORION RETAIL BV,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

niet verschenen.

De zaak is voor eiseres behandeld door de advocaat voornoemd en mr. A.J. Gieske, advocaat te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 juli 2017 met producties 1 tot en met 14;

  • -

    de op 28 juli 2017 ter griffie ingekomen producties 14A, 15 en 16 van eiseres, die op 26 juli 2017 aan gedaagde zijn betekend;

  • -

    de op 11 augustus 2017 ter griffie ingekomen producties 17 tot en met 19 van eiseres, die per brief aan gedaagde zijn toegezonden;

  • -

    de op 14 augustus ter griffie ingekomen productie 14B, die per e-mail aan gedaagde is toegezonden;

  • -

    de mondelinge behandeling van 15 augustus 2017 en de aldaar door mr. Gieske voorgedragen pleitnota;

  • -

    het tijdens de behandeling tegen gedaagde verleende verstek.

1.2.

Vonnis is aanvankelijk bepaald op 29 augustus. Op 18 augustus is aan eiseres medegedeeld dat het vonnis op 22 augustus bij vervroeging zou worden uitgesproken.

2 De beoordeling

2.1.

Voor de feiten en het gevorderde wordt verwezen naar het gestelde in de aangehechte kopie van de dagvaarding.

2.2.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank is op grond van de artikelen 95 lid 1 en 96 aanhef en sub a en 97 lid 1 en 103 van de Uniemerkenverordening1 (UMVo) bevoegd kennis te nemen van de vorderingen gegrond op inbreuk op de ingeroepen Uniemerken, aangezien gedaagde in Nederland is gevestigd. Deze bevoegdheid strekt zich uit over de gehele Europese Unie.

2.3.

Voor zover de vorderingen van eiseres zijn gebaseerd op een Beneluxmerk is de voorzieningenrechter bevoegd op grond van artikel 4.6 lid 1 van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) (BVIE), omdat gedaagde in dit arrondissement is gevestigd. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de Benelux. Omdat gedaagde in dit arrondissement is gevestigd, is deze voorzieningenrechter ook bevoegd kennis te nemen van de vorderingen voor zover die nog op andere grondslagen zijn gebaseerd, op grond van artikel 4 lid 1 EEX II-Vo2 en artikel 99 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

2.4.

De voor een in kort geding te treffen voorlopige voorziening noodzakelijke spoedeisendheid volgt uit de gestelde voortdurende en dreigende inbreuk op de ingeroepen merkrechten.

2.5.

Ter zitting heeft eiseres gesteld dat zij krachtens lastgeving in eigen naam optreedt voor de houder van de in 3.1 van de dagvaarding vermelde merkrechten, Sabon Shel Pa’am (2000) Ltd, onder verwijzing naar de als productie 15 overgelegde, aan gedaagde betekende, verklaring van de merkhouder waaruit dat blijkt. Mede gelet op die stelling komt het gevorderde de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat het – op de wijze zoals hierna vermeld – zal worden toegewezen.

2.6.

Ter voorkoming van executiegeschillen zal het onder (ii) van de dagvaarding gevorderde verbod tot gebruik van domeinnamen worden beperkt tot de door eiseres ter zitting nader aangeduide domeinnamen die bij gedaagde in gebruik zijn of door haar zijn geregistreerd.

2.7.

Ter zitting heeft eiseres verklaard dat de in de dagvaarding gestelde onrechtmatige daad en de daarop gebaseerde vordering (iii), opgevat moeten worden als subsidiaire grondslag. Nu op basis van de primaire grondslag (inbreuk op Unie- en Beneluxmerkrechten) een verbod zal worden opgelegd, behoeft de subsidiaire grondslag geen beoordeling meer.

2.8.

Ter voorkoming van executieproblemen zal een termijn van twee dagen worden bepaald voor ingang van de toe te wijzen geboden. De toe te wijzen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd op de wijze als hierna vermeld.

2.9.

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten. Eiseres vordert een volledige proceskostenvergoeding op de voet van artikel 1019h Rv. De onderhavige zaak valt aan te merken als een procedure in de zin van artikel 1019 Rv, zodat artikel 1019h Rv van toepassing is. Bij dagvaarding heeft eiseres een voorlopige specificatie van haar proceskosten als productie laten betekenen aan gedaagde. Blijkens productie 16 heeft eiseres op 26 juli 2017 een aanzegging van een hogere proceskostenvordering met een aanvullende specificatie van haar kosten (productie 14A, € 15.228,24) laten betekenen aan gedaagde. Gedaagde wordt derhalve bekend geacht met die opgaven. In hoeverre gedaagde ook bekend is geraakt met de latere opgave in productie 14B kan in het midden blijven, gelet op het navolgende.

2.10.

Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat deze zaak aangemerkt kan worden als een normaal kort geding in de zin van de Indicatietarieven in IE-zaken van de Nederlandse rechtbanken, versie 1 april 2017, niet als een eenvoudig kort geding. Zij voert daartoe aan dat zij een buitenlandse vennootschap is, zodat extra kosten gemaakt moesten worden voor uitleg van het Nederlandse rechtssysteem en vertaling. Voorts voert zij aan dat zij relatief veel tijd heeft moeten besteden aan onderhandelingen met gedaagde, die ongestructureerd verliepen en waarbij gedaagde niet werd bijgestaan door een advocaat. Tot slot draagt de achtergrond van de franchise-overeenkomst met de failliete vennootschap, uit de boedel waarvan gedaagde activa heeft gekocht, volgens eiseres bij aan de bewerkelijkheid van de zaak.

2.11.

De voorzieningenrechter overweegt ambtshalve dat er in casu sprake is van een eenvoudige zaak, nu het gaat om een onbestreden inbreuk op merkrechten op grond van artikel 9 lid 2 onder a UMVo en 2.20 lid 1 sub a BVIE. Dat eiseres als buitenlandse vennootschap substantieel meer kosten heeft moeten maken dan een Nederlandse procespartij acht de voorzieningenrechter in dit geval onvoldoende aannemelijk. Daarbij zij opgemerkt dat ook aan een Nederlandse procespartij veelal uitleg over het Nederlandse rechtssysteem gegeven zal moeten worden en de kostenspecificatie geen vertaalkosten vermeldt. Daarnaast blijkt noch uit de toelichting ter zitting, noch uit de overgelegde correspondentie dat partijen onderhandelingen hebben gevoerd die veel tijd hebben gevergd. De correspondentie laat alleen wat kort mailverkeer met contouren voor schikkingsvoorstellen zien. Dergelijke onderhandelingen vormen geen aanleiding voor toepassing van een andere tarief-categorie. Hetzelfde geldt voor de feitelijke achtergrond van de zaak, nu eiseres zelf (onweersproken) heeft aangevoerd dat gedaagde geen partij was bij de franchise-overeenkomst met de failliete franchisenemer. Dit alles leidt tot de slotsom dat de voorzieningenrechter het kort geding aanmerkt als een eenvoudig kort geding en het tarief van € 6.000,- toepast als het maximale tarief in de toepasselijke categorie.

2.12.

De voorzieningenrechter begroot de proceskosten derhalve op € 6.000,- advocaatkosten, € 681 griffierecht en € 85,21 deurwaarderskosten, in totaal € 6.766,21.

2.13.

De gevorderde wettelijke handelsrente over dit bedrag is niet toewijsbaar omdat de verbintenis tot voldoening van de proceskosten geen handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW is. Toewijsbaar is de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW. Voor de gevorderde veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze kosten een executoriale titel oplevert3.

2.14.

De termijn voor het instellen van een hoofdzaak in de zin van artikel 1019i Rv zal worden bepaald op zes maanden na heden.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

beveelt gedaagde, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, iedere inbreuk in de Europese Unie op de in randnummer 3.1 van de dagvaarding vermelde SABON Uniemerken en/of iedere inbreuk in de Benelux op het in randnummer 3.1 van de dagvaarding vermelde SABON Beneluxmerk te staken en gestaakt te houden en, meer in het bijzonder, te staken en gestaakt te houden het aanbieden, verhandelen, importeren of exporteren (of ter uitvoering van één van de hiervoor genoemde handelingen in voorraad houden) - hieronder begrepen iedere verhandeling zowel via de website www.sabon.nl als de SABON winkels - van de in de dagvaarding beschreven SABON Producten voorzien van de in 3.1 van de dagvaarding vermelde Unie- en/of Beneluxmerken, dan wel daarmee overeenstemmende tekens;

3.2.

gebiedt gedaagde binnen twee dagen na betekening van dit vonnis ieder gebruik in de Europese Unie van de domeinnaam www.sabon.nl dan wel de domeinnamen teamsabon.nl, sabon.be, sabonpeople.nl, clubsabon.nl en/of clubsabon.com, te staken en gestaakt te houden;

3.3.

veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere overtreding van het bepaalde onder 3.1 en/of 3.2 of, ter keuze van eiseres, een dwangsom van € 25.000, voor iedere dag, een gedeelte van de dag daaronder begrepen, dat een dergelijke overtreding voortduurt, tot een maximum van € 250.000,-;

3.4.

veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eiseres, tot op heden begroot op € 6.766,21, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de dag van het verzuim tot aan de dag der algehele voldoening indien de kosten niet binnen zeven dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan;

3.5.

bepaalt de termijn voor het instellen van een hoofdzaak in de zin van artikel 1019i Rv op zes maanden na heden;

3.6.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Bus en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2017.

1 Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015

2 Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

3 vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237