Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:946

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-02-2017
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
09/842093-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

+

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0136
NJFS 2017/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842093-16

Datum uitspraak: 6 februari 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden te Zoetermeer.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 27 mei 2016, 10 juni 2016, 15 juli 2016, 30 september 2016, 30 december 2016 (allen pro forma) en 23 januari 2017 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.F. Baas en van hetgeen door de raadslieden van de verdachte mr. P.J. Hoogendam en mr. D.J.G.J. Cornelissen, advocaten te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 16 februari 2016 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in elk geval met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogels op (het lichaam van) die [slachtoffer] af te vuren, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.
hij op of omstreeks 16 februari 2016 te 's-Gravenhage een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk Glock 9 x 19mm), en/of munitie van categorie III, te weten 6, althans een of meer volmantelpatronen (9 X 19 mm), voorhanden heeft gehad.

3. Inleiding; aard van de zaak en te beantwoorden vragen 1

Op 16 februari 2016 om 15.07 uur werd melding gemaakt van een schietpartij in de [locatie 1] te Den Haag. Ter plaatse komende verbalisanten zagen op de kruising van de [locatie 1] en de [locatie 2] een persoon op de grond liggen. Op dat moment hoorden zij een mannenstem roepen: “je moet mij hebben hoor” en “rustig maar, rustig maar, ik heb het gedaan, je moet mij hebben, het vuurwapen zit in mijn broeksband”. Hierop is deze man, die de verdachte bleek te zijn, aangehouden. In zijn broekband is een vuurwapen aangetroffen.2

Tevergeefs is getracht de man die op de grond lag te reanimeren. Om 15.40 uur gaf de arts van het traumateam aan dat verdere behandeling geen nut meer had en dat de man was overleden.3 Aan de hand van een bij de man aangetroffen identiteitskaart4 kon worden vastgesteld dat het [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) betrof.5

Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) heeft sectie verricht op het lichaam van het slachtoffer. De patholoog heeft een doorschot waargenomen door de borstkast en de rechterbovenarm van het slachtoffer dat bij leven is ontstaan ten gevolg van een inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld (schieten). Hierbij zijn de longen en de grote lichaamsslagader geperforeerd, waarbij bloed in de borstholte is ontstaan met als gevolg longfunctiestoornissen en fors bloedverlies, waaruit het overlijden van het slachtoffer kan worden verklaard.6

Op de [locatie 1] zijn drie hulzen aangetroffen.7 Deze zijn inslaggenomen8 en naar het NFI gestuurd.9 Onderzoek van het NFI wijst uit dat het extreem veel waarschijnlijker is dat deze hulzen zijn verschoten met het bij de verdachte aangetroffen vuurwapen dan met één of meerdere andere vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken.10

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 16 februari 2016 uit zijn woning een wapen heeft gehaald, naar buiten is gelopen en op een afstand van 2, 3 of 5 meter op het slachtoffer heeft geschoten.11 Gelet op deze bewijsmiddelen kan worden geconcludeerd dat de verdachte met een vuurwapen heeft geschoten op het slachtoffer en dat het slachtoffer hierdoor is overleden. Hierover heeft geen discussie bestaan.

Gelet op hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd dient de rechtbank te beoordelen of hij zich schuldig heeft gemaakt aan moord dan wel doodslag (feit 1) en bezit van een vuurwapen met munitie (feit 2). Bij een bewezenverklaring dient de vraag te worden beantwoord of aan de verdachte een strafuitsluitingsgrond toekomt en, zo nee, welke straf moet worden opgelegd.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van moord, nu niet kan worden vastgesteld dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en evenmin dat hij tussen het nemen van het besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag.

Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 ten laste gelegde vuurwapen- en munitiebezit.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben – overeenkomstig de overlegde pleitnota – aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1, omdat het opzet ontbreekt. [deskundige] (hierna: [deskundige] ) heeft in zijn psychiatrische rapportage van 20 december 2016 geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het gebeuren kenmerken van een bewustzijnsvernauwing vertoonde en dat bij hem sprake was van depersonalisatie (het niet zichzelf voelen) en derealisatie (‘een waas voor de ogen’), zijnde dissociatieve fenomenen. In een mail d.d. 19 januari 2017 heeft [deskundige] toegelicht dat de wilsvrijheid van de verdachte hierdoor beperkt was tot het primaire doel, het werkwerken van angst/stress. Het overzien, beschouwen, uitstellen en wijzigen van de situatie was bij de verdachte uitgeschakeld. Volgens de verdediging heeft bij de verdachte dan ook ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen ontbroken.

Subsidiair hebben de raadslieden aangevoerd dat geen sprake is van moord nu de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Mede gelet op de vele contra-indicaties die blijken uit het handelen van de verdachte voor, tijdens en na het schieten en de korte tijdspanne na de confrontatie tussen de verdachte met het slachtoffer en het daadwerkelijke schieten, kan ervan worden uitgegaan dat geen sprake was van een vooropzet plan.

Ten aanzien van feit 2 hebben de raadslieden geen opmerkingen gemaakt.

4.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van feit 1

Opzet

Uit de hierboven met voetnoten aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op korte afstand met een geladen vuurwapen meerdere schoten heeft gelost in de richting en ter hoogte van de borst van het slachtoffer, dat als gevolg hiervan is overleden. In zijn algemeenheid ligt hierin (voorwaardelijk) opzet op de dood besloten.

Volgens vaste jurisprudentie (onder meer HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775) staat een ernstige geestelijke stoornis bij de verdachte slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken en zal daarvan slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is van zo’n uitzondering geen sprake. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de hierboven genoemde, door de verdediging aangehaalde conclusies van [deskundige] niet zijn terug te vinden in de overige persoonlijkheidsrapportages die over de verdachte zijn opgemaakt. [deskundige 2] (hierna: [deskundige 2] ), [deskundige 3] (hierna: [deskundige 3] ) en [deskundige 4] (hierna: [deskundige 4] ) hebben de mogelijkheid van een dissociatie overwogen en geconcludeerd dat de amnese van de verdachte niet kan worden verklaard vanuit pathologie. Volgens [deskundige 4] zijn de door de verdachte vertoonde verschijnselen normale reacties op abnormale omstandigheden die bij een gemiddeld mens onder dergelijke omstandigheden kunnen voorkomen. Daarnaast zijn vanuit het testonderzoek geen aanwijzingen gevonden dat bij de verdachte sprake is van een verhoogde gevoeligheid voor dissociatie. De verdachte heeft immers wel gedetailleerde herinneringen aan hetgeen is gebeurd voorafgaand aan het ten laste gelegde feit en nadat hij door de politie werd aangehouden. In alle over de verdachte opgemaakte persoonlijkheidsrapportages, inclusief die van [deskundige] , is bij de verdachte geen ziekelijke stoornis vastgesteld en evenmin een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken.

Voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad is vereist dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit om het slachtoffer van het leven te beroven en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Hierbij hangt het sterk af van de gelegenheid tot nadenken, maar ook van de overige feitelijke omstandigheden waaronder het feit is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte van tevoren heeft besloten het slachtoffer te doden en zich daar enige tijd op heeft beraden. De verdachte dient dan ook van de impliciet primair tenlastegelegde moord te worden vrijgesproken.

De impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van feit 2, welk feit de verdachte ook heeft bekend. Nu de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, kan de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    het proces-verbaal van aanhouding van de politie Eenheid Den Haag, nummer PL1500-2016046876-2, d.d. 16 februari 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, blz. 32 t/m 34;

  • -

    het proces-verbaal van sporenonderzoek, van de politie Eenheid Den Haag, nummer PL1500-2016046876-24, d.d. 8 maart 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, blz. 19 en 26 van het forensisch dossier.

  • -

    het proces-verbaal van politie Eenheid Den Haag, team Forensische Opsporing Wapens, Munitie en Explosieven, nummer 2016046876, d.d. 4 maart 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, blz. 67 t/m 71 van het forensisch dossier;

  • -

    de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 23 januari 2017, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-: Ik heb een wapen gekocht en het thuis in mijn slaapkamer van mijn woning in Den Haag gelegd. Op 16 februari 2016 heb ik het wapen gepakt.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.
hij op 16 februari 2016 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met dat opzet met een vuurwapen kogels op (het lichaam van) die [slachtoffer] af te vuren, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.
hij op 16 februari 2016 te 's-Gravenhage een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk Glock 9 x 19 mm), en munitie van categorie III, te weten 6 volmantelpatronen (9 x 19 mm), voorhanden heeft gehad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte

5.1

Inleiding

De voorgeschiedenis

[betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) heeft twee minderjarige zoons: één met het slachtoffer, haar ex-vriend en één met de verdachte, haar huidige echtgenoot. Beide kinderen woonden bij haar (en de verdachte) in. Met het slachtoffer had zij een omgangsregeling met betrekking tot hun zoon, maar dat verliep bepaald niet probleemloos.

[betrokkene 1] heeft verklaard dat het slachtoffer zich agressief en opdringerig opstelde. Er werd doorgaans schreeuwend gecommuniceerd. Dat ging gepaard met dreigementen, niet alleen richting haar, maar ook richting de verdachte. Het slachtoffer heeft de verdachte bij verschillende gelegenheden aangevallen en geslagen. [betrokkene 1] heeft verder verklaard dat zij vaak een vuurwapen bij het slachtoffer heeft gezien. Dit zou ook ongeveer drie weken voorafgaand aan 16 februari 2016 zijn gebeurd. [betrokkene 1] heeft toen gezien dat het slachtoffer in een auto een vuurwapen aan de verdachte toonde.

Ook [betrokkene 2] , de moeder van [betrokkene 1] , heeft verklaard over ruzies tussen enerzijds het slachtoffer en anderzijds [betrokkene 1] en de verdachte. Het slachtoffer zocht de verdachte op om tegen hem te schelden en hem te bedreigen. [betrokkene 2] heeft daarin vaak een bemiddelende rol gespeeld. [betrokkene 2] heeft verklaard dat zij eerst van [betrokkene 1] en daarna van de verdachte heeft gehoord dat het slachtoffer hem, zo’n twee weken voor 16 februari 2016, in een auto met een vuurwapen heeft bedreigd.

De verdachte heeft verklaard dat hij vanwege de angst dat zijn gezin iets zou overkomen op het slachtoffer heeft geschoten. Het was een opeenstapeling van vier jaar, aldus de verdachte, waarin het slachtoffer hem en zijn vrouw heeft uitgescholden, afgeperst en bedreigd. Twee weken daarvoor kreeg de verdachte van het slachtoffer nog een vuurwapen in zijn zij, zo heeft hij verklaard.

Namens de verdachte is ter onderbouwing van de hieronder vermelde strafuitsluitingsverweren aangevoerd dat niet alleen moet worden gekeken naar de dreigende omstandigheden op 16 februari 2016 zelf, maar ook naar de voorgeschiedenis, bestaande uit jarenlange bedreigingen door het slachtoffer, onder meer met een vuurwapen ongeveer twee weken voorafgaand aan 16 februari 2016. Dat deze bedreiging heeft plaatsgevonden blijkt uit bovenvermelde verklaringen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en de verdachte en een op 31 januari 2016 door het slachtoffer aan de verdachte verstuurd SMS-bericht, inhoudende: “Hey [verdachte] met [slachtoffer] ik weett niet of ik laatste keer duidelijk ben geweest, maar ik kom morgen even langs want je vrouwtje weet niet van ophouden zorg dat ze me met rust laat anders kom ik naar jou”. De verdachte heeft verklaard dat hij naar aanleiding van dit SMS-bericht een vuurwapen heeft aangeschaft.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Het is zonneklaar dat regelmatig sprake was van spanningen tussen enerzijds het slachtoffer en anderzijds [betrokkene 1] en de verdachte en dat frequent incidenten, zoals scheldpartijen en ruzies, tussen hen hebben plaatsgevonden. Maar het is de rechtbank niet (voldoende) gebleken dat sprake was van allesoverheersende en voortdurende dreiging van de zijde van het slachtoffer. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat weliswaar bovenvermelde verklaringen dit beeld scheppen, maar dat verklaringen van diverse vrienden en familieleden van het slachtoffer een ander beeld over de verdachte en het slachtoffer schetsen. Verder worden de hierboven vermelde verklaringen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en de verdachte niet ondersteund door objectief ander bewijsmateriaal en is, wellicht vanwege begrijpelijke redenen, op geen enkel moment aangifte gedaan of melding gemaakt van het gedrag van het slachtoffer. Bovendien behoort een overzicht van het SMS-contact tussen [betrokkene 1] en het slachtoffer van ruim twee weken voorafgaand aan 16 februari 2016 tot het dossier, waaruit blijkt dat met name [betrokkene 1] zich bepaald niet onbetuigd heeft gelaten, hetgeen op gespannen voet lijkt te staan met de door haar beschreven angst die bij de verdachte en haar zou leven.

Aan de verdediging kan worden toegegeven dat er aanwijzingen zijn dat het slachtoffer de verdachte ongeveer twee weken voor 16 februari 2016 met een vuurwapen heeft bedreigd, namelijk de hierboven genoemde verklaringen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en de verdachte, die (grotendeels) zijn afgelegd terwijl de verdachte in beperkingen gedetineerd was en dus geen contact met anderen dan zijn advocaat kon leggen, waardoor de mogelijkheid dat voornoemde verklaringen met betrekking tot de vermeende bedreiging op elkaar zijn afgestemd nagenoeg kan worden uitgesloten. Ook het hierboven genoemde SMS-bericht d.d. 31 januari 2016 van het slachtoffer kan worden beschouwd als een aanwijzing dat het slachtoffer de verdachte vlak voor 31 januari 2016 met een vuurwapen heeft bedreigd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat voornoemde aanwijzingen, zelfs in onderlinge samenhang bezien, van onvoldoende gewicht zijn om de vermeende bedreiging door het slachtoffer als een vaststaand feit aan te nemen. Kortom, of het daadwerkelijk is gebeurd, is onvoldoende duidelijk geworden. Bij de beoordeling van de hieronder vermelde strafuitsluitingsverweren zal de rechtbank de verdachte echter het voordeel van de twijfel gunnen en ervan uitgaan dat de vermeende bedreiging wel degelijk heeft plaatsgevonden.

Camerabeelden van het incident op 16 februari 2016

Op camerabeelden, gemaakt door camera’s die de verdachte zelf op zijn woning had gemonteerd en gericht waren op de [locatie 1] voor de woning van de verdachte, is het navolgende te zien. Nadat [betrokkene 2] komt aanrijden in haar auto verschijnt het slachtoffer in beeld en loopt hij met grote passen langs [betrokkene 2] richting de verdachte. De verdachte en het slachtoffer staan dicht bij elkaar, over en weer zijn vuisten te zien die de lucht in gaan en er wordt geduwd en getrokken. De verdachte gaat vervolgens zijn woning in en verschijnt één minuut later weer voor de voordeur. De verdachte loopt vervolgens richting een voertuig dat geparkeerd staat voor [locatie 1] en loopt hierna weer terug zijn voortuin in. Ondertussen is op de beelden te zien dat [betrokkene 2] het slachtoffer al duwend en trekkend in haar auto zet. De verdachte loopt vervolgens in de richting van de auto van [betrokkene 2] en maakt een handgebaar naar het slachtoffer. Het slachtoffer stapt vervolgens uit de auto en blijft tussen de auto en de geopende bijrijdersdeur staan. De verdachte loopt hierna met grote passen in de richting van het slachtoffer, pakt iets uit zijn rechterbroekzak en rent vervolgens met gestrekte armen op het slachtoffer af. De verdachte rent om de bijrijdersdeur heen en maakt een beweging met gestrekte armen. In de lucht boven de auto van [betrokkene 2] is rook te zien. Het slachtoffer valt hierna op de grond, staat weer op en rent langs de auto van [betrokkene 2] in de richting van de [locatie 2] . De verdachte stopt hierna een voorwerp in zijn broeksband en loopt zijn voortuin weer in.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben – overeenkomstig de op schrift gestelde pleitnota en naar de rechtbank begrijpt – de navolgende verweren gevoerd, te weten primair een beroep op noodweerexces, subsidiair putatief noodweer, meer subsidiair putatief noodweerexces, nog meer subsidiair psychische overmacht en uiterst subsidiair afwezigheid van alle schuld in de vorm van verontschuldigbare overmacht.

5.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voornoemde strafuitsluitingsgronden geen doel zouden moeten treffen.

5.4

Het oordeel van de rechtbank

Noodweerexces

Volgens vaste jurisprudentie12 dient de rechtbank in het kader van het beroep op noodweerexces te beoordelen of aannemelijk is geworden dat:

( a) de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder is gegaan dan geboden was, dan wel

( b) op het tijdstip van de aan hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging niet meer bestond, doch deze gedraging het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgegane wederrechtelijke aanranding.

Op basis van de camerabeelden stelt de rechtbank vast dat tussen het moment waarop de verdachte en het slachtoffer in gevecht zijn en het moment waarop de verdachte op het slachtoffer heeft geschoten drie minuten zit. In die tussentijd is de verdachte naar zijn woning gelopen, heeft hij het vuurwapen gepakt en is hij teruggelopen naar het slachtoffer. Het slachtoffer is in de tussentijd in de auto van [betrokkene 2] gaan zitten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet het eerste moment – de schermutseling tussen de verdachte en het slachtoffer – de aanleiding is voor het schieten door de verdachte, maar dat het tweede moment – het moment dat het slachtoffer weer uit de auto komt nadat de verdachte op die auto is afgelopen en een handgebaar richting het slachtoffer heeft gemaakt – de directe aanleiding lijkt te zijn voor het schieten van de verdachte op het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank was de wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer in ieder geval beëindigd op het moment dat de verdachte na de schermutseling naar zijn woning liep. Ten aanzien van het moment van de in casu relevante gedragingen – het lossen van schoten door de verdachte op het slachtoffer – overweegt de rechtbank dat onvoldoende is gebleken, dat op dat moment (nog) daadwerkelijk dreiging van het slachtoffer uitging, zodat op dat moment geen sprake (meer) was van een noodweersituatie. De omstandigheid dat het slachtoffer de verdachte twee weken voorafgaand aan het incident met een vuurwapen zou hebben bedreigd, doet aan het voorgaande niet af. De hiervoor onder (a) genoemde situatie deed zich dan ook niet voor.

Ten aanzien van de vraag of de hiervoor onder (b) genoemde situatie zich voor deed overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hierboven is vermeld, is op de beelden te zien dat de verdachte en het slachtoffer, drie minuten voordat de verdachte schoten lost, met elkaar in gevecht zijn. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben verklaard dat zij hebben gezien dat de verdachte daarbij een klap kreeg. Ook op een foto van de verdachte na zijn aanhouding is (gering) letsel op zijn hoofd te zien. Dit rechtvaardigt de conclusie dat op dat moment sprake was van een noodweersituatie.

Bij de beantwoording van de vraag of het schieten drie minuten later het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door die noodweersituatie, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, alsmede het tijdverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling. Juist om deze redenen gaat het beroep op noodweerexces niet op. De verdachte heeft immers extreem en buitenproportioneel gehandeld door na een gevecht met blote handen een vuurwapen te pakken en op het slachtoffer te schieten. Verder stelt de rechtbank vast dat tussen het moment van de noodweersituatie en het moment waarop de verdachte op het slachtoffer heeft geschoten drie minuten zit. In die periode is de verdachte bovendien niet in de buurt van het slachtoffer. De hiervoor onder (b) genoemde situatie deed zich derhalve evenmin voor.

De verdachte komt derhalve geen beroep op noodweerexces toe.

Putatief noodweer(exces)

Indien geen sprake is van een noodweersituatie, kan onder bepaalde omstandigheden een geslaagd beroep worden gedaan op putatief noodweer, indien sprake is geweest van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte in dergelijke verschoonbare dwaling verkeerde overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat het slachtoffer op het moment dat hij in de [locatie 1] arriveerde een wapen bij zich had. Geen van de getuigen heeft verklaard dat zij op enig moment een wapen bij het slachtoffer hebben waargenomen. Niet in de situatie voorafgaand aan de eerdere schermutseling tussen de verdachte en het slachtoffer, noch tijdens of na deze schermutseling. De enkele vrees van de verdachte dat het slachtoffer hem (weer) zou aanvallen, zelfs de voorgeschiedenis tussen hen in aanmerking genomen, levert nog geen verontschuldigbare dwaling op.

De rechtbank overweegt, onder deze omstandigheden, dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte in redelijkheid heeft kunnen denken dat hij in een situatie verkeerde waarin hem daadwerkelijk iets zou worden aangedaan en dat hij zich daartegen diende te verdedigen.

Het beroep op putatief noodweer wordt daarom eveneens verworpen.

Nu niet is gebleken van een situatie waarin de verdachte op objectieve gronden redelijkerwijs mocht menen dat sprake was van een (dreigende) noodweersituatie, faalt het beroep op putatief noodweerexces eveneens.

Psychische overmacht

Van psychische overmacht kan worden gesproken indien de verdachte in een zodanige toestand van psychische drang verkeerde dat hij niet anders kon en behoorde te handelen dan hij heeft gedaan.

Uit de hiervoor beschreven voorgeschiedenis leidt de rechtbank af dat er regelmatig spanningen tussen de verdachte en het slachtoffer zijn geweest en dat dit op enig moment mogelijk zelfs heeft geresulteerd in bedreigingen van de zijde van het slachtoffer.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande aannemelijk dat één en ander bij de verdachte heeft geleid tot het bestaan van een bepaalde mate van angst voor het slachtoffer, welke angst wellicht meer manifest moet zijn geweest op die momenten dat de verdachte daadwerkelijk met het slachtoffer werd geconfronteerd. Voorgaande geeft aanleiding te veronderstellen dat de verdachte in elk geval mede heeft gehandeld onder invloed van een psychische drang. Aangezien de verdachte het pistool na de schermutseling naar eigen zeggen doelbewust in zijn slaapkamer is gaan halen, hetgeen de nodige aandacht moet hebben gevergd, is het handelen van de verdachte naar het oordeel van de rechtbank tevens het gevolg geweest van een bewust genomen besluit. Dit betekent dat de psychische drang niet allesoverheersend is geweest. Van de verdachte was redelijkerwijs te vergen dat hij weerstand zou bieden aan de drang het slachtoffer te beschieten.

De over de verdachte opgemaakte persoonlijkheidsrapportages van de deskundigen maken dit oordeel van de rechtbank niet anders. Weliswaar blijkt daaruit, en dan voornamelijk uit het rapport (en het antwoord op de aanvullende vraag) van [deskundige] , dat bij de verdachte sprake was van een bewustzijnsvernauwing, echter is niet aannemelijk geworden dat deze zo fors was dat deze zou moeten duiden op een situatie van psychische overmacht (een allesoverheersende psychische drang).

Het beroep op psychische overmacht wordt gelet op het voorgaande verworpen.

Afwezigheid van alle schuld

De rechtbank overweegt dat een beroep op de afwezigheid van alle schuld pas kan worden aangenomen als blijkt dat de verdachte geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Gelet op al hetgeen hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte geenszins een beroep op verontschuldigbare overmacht toekomt.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of de verdachte uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben – overeenkomstig de pleitnota – bepleit dat het in geval van een bewezenverklaring (gelet op alle bijzondere omstandigheden van het geval, de strafverminderende omstandigheden en gelet op de bestraffingen in soortgelijke zaken) niet gerechtvaardigd is om aan de verdachte een langdurige gevangenisstraf op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft een 28-jarige man na een korte woordenwisseling en handgemeen op klaarlichte dag in de straat voor zijn woning doodgeschoten. Hij heeft het slachtoffer in de borstkast geraakt. Het slachtoffer was de ex-vriend van zijn vrouw en de vader van een kind voor wie hij de zorg draagt. De verdachte heeft daarmee een van de zwaarste misdrijven gepleegd die ons Wetboek van Strafrecht kent. Hij heeft het slachtoffer zijn leven, het meest kostbare bezit, ontnomen op het moment dat deze, gelet op zijn leeftijd, een groot deel van zijn leven nog voor zich had.

Daarmee heeft de verdachte ook aan de nabestaanden groot leed toegebracht, waar zij de rest van hun leven mee geconfronteerd zullen blijven. Dit geldt in het bijzonder voor de moeder van het slachtoffer, zijn kinderen en zijn ex-partner. De ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen van de moeder van het slachtoffer en zijn ex-partner (de moeder van één van zijn kinderen) spreken wat dit betreft boekdelen.

Ook op de bewoners van de betreffende woonwijk heeft de confrontatie met een schietpartij met dodelijke afloop een grote impact gehad. Veel buurtbewoners, onder wie kinderen, zijn getuige geweest van deze gewelddadige gebeurtenis. Door op de openbare weg in een woonwijk meermalen te schieten heeft de verdachte buitengewoon risicovol en gevaarzettend gehandeld. De rechtbank rekent het de verdachte daarnaast ernstig aan dat de verdachte dit op een tijdstip heeft gedaan dat de in de nabijheid gelegen scholen net uitgingen. Het voorval is voor alle betrokkenen bijzonder schokkend geweest en heeft op de [locatie 1] een grote impact gehad. Een dergelijk misdrijf brengt naar zijn aard immers al grote onrust en gevoelens van verontwaardiging en onveiligheid teweeg. Doordat het misdrijf op klaarlichte dag heeft plaatsgevonden zijn deze gevoelens nog versterkt.

Daarnaast heeft de verdachte een vuurwapen met munitie voorhanden gehad. Gelet op de gevaarzetting die van vuurwapens uitgaat, hetgeen zich thans ook heeft verwezenlijkt, dient ook tegen het bezit daarvan streng te worden opgetreden.

Documentatie

De rechtbank heeft kennis genomen van een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 januari 2017, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    het Pro Justitia rapport psychologisch onderzoek d.d. 2 juni 2016, opgesteld door [deskundige 2] ;

  • -

    beantwoording van nadere vragen van de verdediging door [deskundige 2] d.d. 8 juli 2016;

  • -

    het Pro Justitia rapport psychiatrisch onderzoek d.d. 31 mei 2016, opgesteld door [deskundige 3] ;

  • -

    beantwoording van nadere vragen van de verdediging door [deskundige 3] d.d. 8 juli 2016;

  • -

    het Pro Justitia rapport psychiatrisch onderzoek d.d. 20 december 2016, opgesteld door [deskundige] ;

  • -

    beantwoording van een nadere vraag van de verdediging door [deskundige] d.d. 19 januari 2017;

  • -

    het Pro Justitia rapport psychologisch onderzoek d.d. 28 december 2016, opgesteld door [deskundige 4] ;

  • -

    het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) d.d. 2 juni 2016, opgesteld door [reclasseringsmedewerker] (reclasseringswerker).

[deskundige 2] concludeert dat er voorafgaand aan het tenlastegelegde geen sprake was van een psychiatrische stoornis bij de verdachte. Mogelijk was er wel sprake van beperkte copingsvaardigheden. De verdachte heeft aangegeven dat hij bang is geweest en dat hij zich zorgen heeft gemaakt, maar er kan niet worden gesproken van een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS) of een acute stress stoornis. Als gevolg van het tenlastegelegde heeft de verdachte ernstige stress- en depressieve klachten ontwikkeld, zodanig dat kan worden gesproken van een depressieve stoornis, matig van ernst. Ten aanzien van de verklaring van de verdachte dat hij zich niet alles maar kan herinneren (ook wel gedeeltelijke amnesie genoemd), concludeert [deskundige 2] dat dit kan voorkomen bij een intense, stressvolle of mogelijk traumatische gebeurtenis, maar dat dit niet kan worden verklaard vanuit pathologie, een psychiatrisch syndroom of een stoornis. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat sprake is van een dissociatieve stoornis. [deskundige 2] schat de kans op recidive als laag in, nu het tenlastegelegde sterk situatie- en persoonsgebonden was. [deskundige 2] adviseert dan ook dat de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd.

[deskundige 3] komt tot dezelfde conclusie als [deskundige 2] . Ook zij adviseert om de verdachte volledig toerekeningsvatbaar te achten en schat de recidivekans eveneens in als laag.

[deskundige 4] concludeert, in tegenstelling tot [deskundige 3] en [deskundige 2] , dat de intelligente van de verdachte beneden- in plaats van laag-gemiddeld is en dat er geen sprake is van een depressieve stoornis, maar dat hiervan wel trekken waarneembaar zijn. [deskundige 4] concludeert eveneens dat van een dissociatieve amnesie geen sprake is nu het duurzame karakter van het geheugenverlies ontbreekt. [deskundige 4] heeft een acute dissociatieve reactie op stressvolle gebeurtenissen overwogen, maar heeft dit als diagnose verworpen. Er is slechts sprake van een kortdurend fragmentarisch geheugenverlies. De door de verdachte vertoonde verschijnselen zijn normale reacties op abnormale omstandigheden die bij een gemiddeld mens onder dergelijke omstandigheden kunnen voorkomen. [deskundige 4] adviseert dan ook dat de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd en acht gevaar voor recidive niet aanwezig.

[deskundige] concludeert dat bij de verdachte sprake is van kenmerken van een bewustzijnsvernauwing en dat bij de verdachte op grond van hevige emoties dissociatieve reacties te constateren waren onder invloed van en begrensd door de situatie zelf. De dissociatie is beperkt gebleven tot het voorval zelf en blijft situatief gebonden. [deskundige] concludeert dat de duur van de dissociatieve reacties te kort zijn om te kunnen worden aangemerkt als psychopathologie. [deskundige] heeft een dissociatieve amnesie overwogen, maar een duurzaam karakter van geheugenverlies ontbreekt. Ook heeft [deskundige] overwogen dat een acute dissociatieve reactie op stressvolle gebeurtenissen mogelijk is, maar dit lijkt niet te passen. Tot slot komt [deskundige] tot de conclusie dat de wilsvrijheid van de verdachte was beperkt en zijn werkelijkheid was beperkt tot het primaire doel, het wegwerken van de angst/stress. Het overzien, het beschouwen, het uitstellen en wijzigen van de situatie was uitgeschakeld.

De reclassering acht de kans op recidive eveneens laag.

De rechtbank neemt de conclusies van deze rapportages met betrekking tot de toerekenbaarheid van de verdachte – met uitzondering van de conclusie van [deskundige] met betrekking tot de bewustzijnsvernauwing bij de verdachte – over en maakt deze tot de hare.

Tot slot merkt de rechtbank op dat zij oog heeft voor het aandeel van het slachtoffer in het conflict tussen hem, de verdachte en de vrouw van de verdachte, maar dat de handelwijze van de verdachte buiten proportioneel is geweest.

Straf

Het bovenstaande in ogenschouw genomen, alsmede de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren passend en geboden.

7 De vordering van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregelen

7.1

De vorderingen

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 23.302,61.

[nabestaande] heeft zich namens haar zoon [slachtoffer] als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 83.889,75.

Ter terechtzitting heeft de raadsman van de benadeelde partijen, overeenkomstig de toelichting die als bijlage bij deze vorderingen is gevoegd, verzocht de vordering van [slachtoffer] ten aanzien van de post ‘gederfd levensonderhoud’ primair toe te wijzen tot een bedrag van € 63.237,00 en subsidiair tot een bedrag van € 4.517,00.

Ten aanzien van de in beide vorderingen gevorderde immateriële schade (affectieschade) heeft de raadsman van de benadeelde partijen zich op het standpunt gesteld dat deze schadeposten kunnen worden toegewezen, gelet op de rechtstreekse werking van de EU-Richtlijn minimumnormen slachtoffers. De raadsman van de benadeelde partijen heeft zich op het standpunt gesteld dat uit deze richtlijn - kort gezegd - volgt dat slachtoffers, onder wie ook familieleden, de door hen geleden affectieschade in een strafzaak kunnen vorderen.

Tot slot heeft de raadsman van de benadeelde partijen verzocht om de gevorderde wettelijke rente op te leggen vanaf de datum van indiening van de vordering tot aan het moment van algehele voldoening, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [benadeelde partij] tot een bedrag van € 5.802,61, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om de voorlopige uitkering van het Schadefonds geweldsmisdrijven hierop in mindering te brengen. Met betrekking tot de post immateriële schade heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, nu de huidige lijn van jurisprudentie en het huidige wettelijke systeem niet voorziet in het toekennen van affectieschade.

De officier van justitie heeft met betrekking tot de vordering van [slachtoffer] (ingediend door [nabestaande] ) voor zover deze betrekking heeft op een primair gevorderd bedrag van € 63.237,00 aan gederfd levensonderhoud geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd en nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding zal opleveren. Het subsidiair gevorderde bedrag van € 4.517,00 aan gederfd levensonderhoud acht de officier van justitie voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Met betrekking tot de post immateriële schade heeft de officier van justitie – overeenkomstig de vordering van [benadeelde partij] – geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zowel de vordering van [slachtoffer] (ingediend door [nabestaande] ) als de vordering van [benadeelde partij] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Met betrekking tot de post materiele schade van [benadeelde partij] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu dit bedrag reeds is uitgekeerd door het Schadefonds geweldsmisdrijven. Met betrekking tot de post immateriële schade heeft de verdediging geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, nu de huidige lijn van jurisprudentie en het huidige wettelijke systeem niet voorzien in het toekennen van affectieschade. Ten aanzien van de post ‘gederfd levensonderhoud’ van de vordering van [slachtoffer] , voor zover dit betrekking heeft op het primair gevorderde bedrag, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu deze een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De verdediging heeft zich ten aanzien van het subsidiair gevorderde bedrag aan ‘gederfd levensonderhoud’ niet uitgelaten. Met betrekking tot de post ‘buitengerechtelijke kosten’ heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Immateriële schade - affectieschade

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen voor zover deze betrekking hebben op de gevorderde immateriële schade (affectieschade).

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) juncto artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voorziet in een regeling voor kosten die nabestaanden kunnen vorderen als benadeelde partij in het strafproces bij het overlijden van iemand als gevolg van het strafbare feit. Artikel 6:108 BW geeft een limitatieve opsomming van hetgeen gevorderd kan worden. Het gaat dan om de kosten van levensonderhoud en lijkbezorging. Ook kosten die verband houden met het verkrijgen van voldoening van deze schade zijn in beginsel voor toewijzing vatbaar. Vergoeding van andere schade dan voornoemde posten kan in beginsel niet gevorderd worden door nabestaanden in het kader van de strafprocedure.

De implementatietermijn van de EU-Richtlijn minimumnormen slachtoffers (hierna: de Richtlijn) is verstreken, terwijl deze nog niet is omgezet in Nederlandse wet- en regelgeving. De rechtbank stelt vast dat de toepasselijke nationale wettelijke bepalingen geen ruimte bieden voor een richtlijnconforme interpretatie, zodat niet via die weg acht kan worden geslagen op de Richtlijn.

Voorts stelt de rechtbank vast dat in het onderhavige geval om meerdere redenen geen sprake kan zijn van rechtstreekse werking van de Richtlijn. Allereerst geldt dat burgers na verstrijking van de implementatietermijn in beginsel weliswaar een beroep kunnen doen op de rechtstreekse werking van de Richtlijn, maar dat geldt alleen ten aanzien van bepalingen die zodanig duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn geformuleerd, dat een burger er rechten aan kan ontlenen. In overeenstemming met recente jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat de Richtlijn op dit punt niet voldoet aan dit vereiste om rechtstreekse werking te kunnen hebben. Voorts geldt de rechtstreekse werking van (daarvoor in aanmerking komende bepalingen van) richtlijnen (behoudens in casu niet aan de orde zijnde uitzonderingen) enkel in de verticale verhoudingen tussen burgers en overheid en niet tussen burgers onderling.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat nu noch de wet, noch de Richtlijn basis biedt voor toekenning van schadevergoeding aan nabestaanden ten aanzien van andere schadeposten dan volgend uit artikel 51f, tweede lid, Sv juncto artikel 6:108 BW, de vordering in zoverre niet voor toewijzing vatbaar is.

De benadeelde partijen zullen voor wat betreft dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Materiële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting, komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade hebben geleden, waarvoor de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De vordering van [slachtoffer]

Gederfd levensonderhoud

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op het primair gevorderde bedrag van € 63.237,00 aan gederfd levensonderhoud, de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering thans onvoldoende is onderbouwd en nadere onderbouwing (voor zover mogelijk) een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.


De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op het subsidiair gevorderde bedrag van

€ 4.517,00 aan gederfd levensonderhoud, is namens de verdachte niet betwist en is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd.

Buitengerechtelijke kosten

De vordering met de betrekking tot de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 652,75 is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.169,75.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte met ingang van de uitspraakdatum van dit vonnis toewijzen.

De vordering van [benadeelde partij]

Begrafeniskosten

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘begrafeniskosten’, is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en inhoudelijk niet door de verdediging betwist.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.802,61.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het bedrag dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven aan de benadeelde partij als voorschot heeft uitgekeerd in mindering te brengen op het toegekende bedrag aan schadevergoeding. Daartoe is redengevend dat dit bedrag uitdrukkelijk voorwaardelijk is uitgekeerd en dat de benadeelde partij dit bedrag dient terug te betalen indien aan de voorwaarde, te weten een verhaalsmogelijkheid bij de dader van het strafbare feit, is voldaan.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte met ingang van de uitspraakdatum van dit vonnis toewijzen.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

De schadevergoedingsmaatregelen

Nu de verdachte jegens [slachtoffer] en [benadeelde partij] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van:

- een bedrag, groot € 5.169,75, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer] ;

- een bedrag, groot € 5.802,61, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde partij] .

8 De inbeslaggenomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen

(beslaglijst) onder 2 tot en met 7 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer en dat de onder 8 en 9 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de beslagene. Met betrekking tot het onder 1 genoemde horloge heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat op dit horloge conservatoir beslag kan blijven rusten ten behoeve van in deze zaak op te leggen schadevergoedingsmaatregel.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 2 tot en met 7 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 1 bewezenverklaarde feit is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 1, 8 en 9 genummerde voorwerpen.

Ten aanzien van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp overweegt de rechtbank dat de vordering van de officier van justitie, inhoudende het beslag te laten rusten, niet tot de wettelijke mogelijkheden behoort.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

  • -

    36b, 36c, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

doodslag;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 2 tot en met 7 genummerde voorwerpen, te weten:

  • -

    1.00 STK Clock 26 met 5 patronen in magazijn

  • -

    1.00 STK Huls

  • -

    1.00 STK Huls

  • -

    1.00 STK Huls

  • -

    1.00 STK Onderdeel kogelpunt

  • -

    1.00 STK Vuurwapen imitatie Walther P22;

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1, 8 en 9 genummerde voorwerpen, te weten:

  • -

    1.00 STK Horloge kleur: zilver, Rolex Gmt Master

  • -

    1.00 STK Laptop computer, kleur zwart LENOVO, laptop thinkpad met kabel, muis en tas

  • -

    1.00 STK Telefoontoestel Kleur: wit, Apple S5, kapot;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 5.169,75, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 5.802,61, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partijen voor het overige deel niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat zij dit deel van de vorderingen in zoverre bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 5.169,75, ten behoeve van [slachtoffer] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2017;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 5.802,61, ten behoeve van [benadeelde partij] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2017;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 64 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partijen de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, voorzitter,

mr. S.M. Krans, rechter,

mr. A.P. Sno, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L. Peet, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2016046876 (Bissau) van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 260) en het forensisch dossier (doorgenummerd blz. 1 tot en met 146).

2 Proces-verbaal van aanhouding, blz. 32 en 33.

3 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 9.

4 Geschrift, blz. 56 van het forensisch dossier.

5 Proces-verbaal van relaas, blz. 3.

6 Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijk dood, zaaknummer 2016.02.17.236, blz. 110 van het forensisch dossier.

7 Proces-verbaal van sporenonderzoek, blz. 19 van het forensisch dossier.

8 Proces-verbaal van sporenonderzoek, blz. 26 van het forensisch dossier.

9 Geschrift, zijnde een aanvraag extern forensisch onderzoek, blz. 124 van het forensisch dossier.

10 Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in ’s-Gravenhage op 16 februari 2016, zaaknummer: 2016.02.17.236, blz. 133 en 134 van het forensisch dossier.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 60 en 68.

12 Zie bijv. HR 27 mei 2008, NJ 2008, 510