Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9447

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 615
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2017:12086
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak; artikel 51 Pw; vloerbedekking, gordijnen en vitrage geen duurzame gebruiksgoederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/615

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Siemerink).

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder bijzondere bijstand voor huisraad ter hoogte van € 1.500,- in de vorm van een lening aan eiser toegekend.

Bij besluit van 16 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft op 3 september 2016 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor woninginrichting naar aanleiding van een brand in zijn woning op

24 juli 2016.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het in het primaire besluit ingenomen standpunt gehandhaafd dat eiser recht heeft op maximaal € 1.500,- aan bijzondere bijstand op de grond dat hij over de periode van 24 juli 2016 tot en met 30 september 2016 zijn huurbetalingen terug heeft ontvangen en hij over de maand oktober 2016 geen huur heeft betaald. De bijzondere bijstand is verstrekt in de vorm van een lening op de grond dat de kosten voor duurzame gebruiksgoederen onder de algemene kosten van het bestaan vallen.

3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen.

Eiser meent dat hij conform de beleidsregels van de gemeente Den Haag recht heeft op € 3.000,- aan bijzondere bijstand voor woninginrichting. Verweerder heeft ten onrechte € 1.500,- in mindering gebracht op het normbedrag van € 3.000,-. Eiser heeft immers extra kosten moeten maken toen hij niet in zijn eigen woning kon slapen. Eiser stelt voorts dat de verhuiskosten en de kosten van behang, vitrage, gordijnen en vloerbedekking naar hun aard niet als duurzame gebruiksgoederen kunnen worden aangemerkt en op die grond de bijzondere bijstand voor deze kosten om niet had moeten worden toegekend. Eiser heeft in dat verband verwezen naar de uitspraak van 17 februari 2004 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), gepubliceerd met kenmerk ECLI:NL:CRVB:2004:AO3928.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1

Wat betreft de vorm van de verleende bijstand is in artikel 48, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) de hoofdregel neergelegd dat bijstand om niet wordt verleend, tenzij de wet anders bepaalt. Ingevolge het tweede lid van artikel 48 kan de bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening indien:

a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;

b. de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;

c. de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft;

d. het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.

5.2

Verder volgt uit artikel 51, eerste lid, van de Pw dat bijzondere bijstand voor kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.

6. De rechtbank stelt voorop dat het, omdat het in onderhavig geval gaat om een aanvraagsituatie, naar vaste rechtspraak van de CRvB op de weg van de aanvrager ligt om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag.

7. Niet in geschil is dat de kosten van inrichting waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen, dat deze in de situatie van eiser noodzakelijk zijn en dat deze kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. In geschil is of verweerder de hoogte van de gevraagde bijzondere bijstand heeft kunnen vaststellen op € 1.500,- en of verweerder dit heeft kunnen toekennen in de vorm van een lening.

Hoogte van de bijzondere bijstand

8. Het betoog van eiser dat verweerder een bedrag van € 3.000,- aan bijzondere bijstand conform de beleidsregels had dienen te verstrekken, slaagt niet. Uit de brief van verhuurder [verhuurder] van 20 september 2016 volgt dat eiser over de periode juli tot en met september 2016 een bedrag van € 1.272,68 heeft ontvangen omdat hij vanaf 24 juli 2016, de datum van de brand in zijn woning, niet woonachtig was op zijn woonadres. Voorts is gebleken dat eiser over de maand oktober 2016 geen huur heeft betaald. De rechtbank stelt dan ook vast dat eiser een bedrag van ongeveer € 1.800,- heeft uitgespaard in de periode dat hij niet in zijn eigen woning verbleef. Verweerder heeft, gelet op deze besparing, een bedrag van € 1.500,- in mindering gebracht op het maximale toe te kennen bedrag aan bijzondere bijstand voor woninginrichting van € 3.000,-, zoals dat is opgenomen in de normenlijst onder 6.2.5 van de Leidraad Individuele Bijzondere Bijstand 2016 van de gemeente Den Haag (de Leidraad). Eiser heeft in beroep gesteld dat hij niet heeft kunnen reserveren, omdat hij bij iemand in huis verbleef en extra kosten moest maken om diegene te vriend te houden. Uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij iedere dag voor € 6,- aan alcohol moest kopen voor de persoon bij wie hij verbleef, maar dat hij verder geen huur hoefde te betalen. Uit het door eiser in beroep overgelegde woonkostenoverzicht volgt dat hij voor noodverblijf gedurende drie maanden iedere dag € 10,- heeft betaald. Nu eiser in de loop van de procedure wisselende verklaringen heeft afgelegd over de hoogte van de door hem gemaakte kosten voor zijn verblijf en deze niet heeft onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens, is het de rechtbank onduidelijk gebleven welke kosten hij daadwerkelijk heeft gemaakt. Voorts heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat eiser deze kosten voor levensonderhoud niet kon bestrijden met de door hem in deze periode ontvangen bijstandsuitkering. Om die reden is eiser er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het voor hem niet mogelijk was een bedrag van ongeveer € 1.500,- te reserveren voor zijn woninginrichting. Het bestreden besluit houdt derhalve stand, voor zover het de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand betreft.

Vorm van de bijzondere bijstand

9.1

De stelling van eiser dat de bijzondere bijstand voor verhuiskosten om niet dient te worden verstrekt, slaagt niet. Niet is gebleken dat eiser kosten voor een verhuizing heeft gemaakt. Eiser is immers na de renovatie weer teruggekeerd naar dezelfde woning. Daarnaast volgt niet uit de in bezwaar overgelegde lijst van benodigdheden dat hij bijzondere bijstand heeft aangevraagd voor behang. Daarom slaagt eisers stelling dat voor deze kosten bijzondere bijstand om niet dient te worden toegekend evenmin.

9.2

Wel is uit de lijst gebleken dat de aanvraag om bijzondere bijstand mede ziet op vloerbedekking, gordijnen en vitrage. De rechtbank stelt vast dat deze kosten naar hun aard niet als duurzame gebruiksgoederen kunnen worden aangemerkt (zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 17 februari 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AO3928). Dit betekent dat artikel 51, eerste lid, van de Pw niet van toepassing is op bijzondere bijstand voor vloerbedekking, gordijnen en vitrage. Enkel indien zich een situatie als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van de Pw voordoet, kan de bijzondere bijstand voor vloerbedekking, gordijnen en vitrage derhalve in de vorm van een geldlening worden verstrekt. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar paragraaf 3.3.3 van de Leidraad op het standpunt gesteld dat bijzondere bijstand voor algemene kosten van het bestaan in beginsel als lening wordt verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat dit beleidsuitgangspunt zich niet verdraagt met artikel 48, tweede lid, van de Pw. In dat artikellid is, afgezien van het bepaalde in artikel 51, eerste lid, van de Pw, limitatief opgesomd in welke gevallen de bijstand in de vorm van een geldlening kan worden verstrekt. Daarbij gaat het om uitzonderingen op de hoofdregel. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder zich ook op het standpunt stelt dat zich ten aanzien van eiser omstandigheden voordoen zoals omschreven in het tweede lid van artikel 48 van de Pw. De rechtbank heeft op grond van de processtukken en naar aanleiding van het verhandelde ter zitting ook niet kunnen vaststellen dat een situatie als daar omschreven in eisers geval aan de orde is.

10. De conclusie uit het voorgaande is dat het verstrekken van bijzondere bijstand als geldlening voor vloerbedekking, gordijnen en vitrage in eisers geval in strijd is met het bepaalde in artikel 48 van de Pw. Het bestreden besluit wordt in zoverre derhalve niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, en is aldus in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen.

11. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan uitsluitend met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.

12. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

13. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

14. Het geding, zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

15. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- heropent het onderzoek;

- draagt verweerder op om binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, rechter, in aanwezigheid van mr. E.L Denters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.