Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:930

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
AWB 16/10014
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:3764, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Leges. Arbeid. Erkenning als referent. Richtlijn 2011/98/EU (de single permit-richtlijn). Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Nationaalrechtelijke evenredigheidsbeginsel.

Eiseres (een B.V.) heeft een aanvraag tot erkenning als referent voor het verblijfsdoel “arbeid” ingediend. Deze aanvraag is ingewilligd. Voor de afdoening van deze aanvraag heeft eiseres een bedrag van € 5.116,– aan leges betaald. Eiseres heeft betoogd dat verweerder, gelet op artikel 10 van de single permit-richtlijn, in het geheel geen leges had mogen heffen. Ook heeft eiseres betoogd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de hoogte van het legesbedrag niet in strijd is met het nationaalrechtelijke evenredigheidsbeginsel, artikel 10 van de single permit-richtlijn en het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.

Single permit-richtlijn en Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel

Naar het oordeel van de rechtbank is de single permit-richtlijn niet van toepassing in deze zaak. Zoals uit de considerans bij deze richtlijn blijkt, heeft de richtlijn betrekking op het invoeren van een enkele aanvraagprocedure die leidt tot een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) en worden procedurevoorschriften vastgesteld voor het behandelen van een aanvraag voor een GVVA. Ook wordt een pakket aan rechten vastgelegd voor werknemers van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven. De tekst van de considerans en de artikelen van de richtlijn geven geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de richtlijn ook van toepassing is op de procedure tot erkenning als referent van de werkgever van de vreemdelingen die een GVVA voor verblijf als kennismigrant aanvragen. Omdat de single permit-richtlijn niet van toepassing is in deze zaak, kan het betoog van eiseres dat in het geheel geen leges hadden mogen worden geheven of dat het legesbedrag te hoog is, niet worden gevolgd. Reeds omdat er geen andere aanknopingspunten zijn met het Unierecht is het bestreden besluit niet in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.

Nationaalrechtelijke evenredigheidsbeginsel

Verweerder heeft in het bestreden besluit over de evenredigheid van het legesbedrag voor het referentschap vermeld dat het streven is om de leges zoveel als mogelijk kostendekkend te maken en dat het bij de vaststelling van de hoogte van de leges gaat om een combinatie van kostprijs en beleidsmatige motieven, al naargelang het verblijfsdoel. Verweerder heeft ook vermeld dat bij de kosten kan worden gedacht aan kosten die strikt genomen gemaakt moeten worden voor een aanvraag van een verblijfsvergunning en verder aan kosten om legalisatie van documenten of, zoals in dit geval, de kosten van de procedure tot erkenning als referent. De werkzaamheden die verweerder bij een aanvraag tot erkenning als referent verricht zijn o.m. het verzamelen van informatie bij de KvK, een openbare orde check, nagaan of de werkgever solvabel is en nagaan of er boetes zijn opgelegd. Vervolgens wordt getoetst aan de specifieke voorwaarden voor erkenning als referent. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat verweerder iedere drie jaar een meting uitvoert o.m. naar de daadwerkelijke kosten van aanvragen bij de IND en dat deze meting pas eind 2016 plaatsvindt. Verder heeft verweerder echter geen inzicht kunnen geven in de concrete opbouw van het legesbedrag en heeft hij gesteld dat ook beleidsmatige motieven bij de hoogte van de leges een rol spelen, maar dat hij niet precies weet welk deel van het legesbedrag de kosten betreft en welk deel beleidsmatige motieven betreft. Met dit alles heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe het in deze procedure aan de orde zijnde legesbedrag van € 5.116,– is gerelateerd aan de behandeling van de aanvraag tot erkenning als referent. Dat eerst eind 2016 metingen zouden worden verricht en daardoor geen gegevens voorhanden zijn om de kostprijs te onderbouwen, komt voor rekening en risico van verweerder en betekent niet dat verweerder geen inzicht hoeft te geven in de kostendekkendheid en de opbouw van het legesbedrag. Dit betekent dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/10014

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 januari 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

[eiser] , eiser 1, en

[eiser] , eiser 2,

hierna tezamen eisers

(gemachtigde: mr. D. Schaap),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot erkenning als referent ingewilligd.

Bij besluit van 13 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden van het beroep dateren van 10 juni 2016.

Bij brief van 6 oktober 2016 hebben eisers een nader stuk ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2016. Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres is een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en is statutair gevestigd in Capelle aan den IJssel.

Op 14 december 2015 heeft eiseres een aanvraag tot erkenning als referent voor het verblijfsdoel “arbeid” ingediend. Bij het primaire besluit is deze aanvraag ingewilligd. Voor de afdoening van deze aanvraag heeft eiseres een bedrag van € 5.116,– aan leges betaald.

Vervolgens heeft eiseres aanvragen ingediend voor verblijfsvergunningen voor het verblijfsdoel “arbeid als kennismigrant” voor eiser 1 en eiser 2. Deze verblijfsvergunningen zijn verleend. Daarvoor is per aanvraag een bedrag van € 881,– aan leges betaald. Eiser 1 en eiser 2 hebben hiertegen bezwaar gemaakt, omdat zij het niet eens zijn met de hoogte van de leges die voor hun verblijfsvergunningen als kennismigrant zijn betaald.

Ook hebben eisers bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de leges die eiseres heeft betaald voor de aanvraag tot erkenning als referent. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gericht aan eiseres en haar gemachtigde.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het van eiseres geheven legesbedrag van € 5.116,– voor de afdoening van de aanvraag tot erkenning als referent niet onrechtmatig is en dat dit niet in strijd is met het nationaalrechtelijke evenredigheidsbeginsel, het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel of artikel 10 van Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (de single permit-richtlijn).

3. Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke bespreking van het beroep, zal de rechtbank ambtshalve de vraag beantwoorden of het beroep voor zover dat is ingesteld door eiser 1 en eiser 2, ontvankelijk is. Zoals hiervoor al is vermeld, is het bezwaar tegen het primaire besluit ingediend door eiseres, eiser 1 en eiser 2. Het bestreden besluit is echter alleen gericht aan eiseres en haar gemachtigde. In het bestreden besluit is ook geen inhoudelijk aanknopingspunt te vinden dat verweerder heeft beslist of beoogd heeft te beslissen op het door eiser 1 en eiser 2 gemaakte bezwaar. Omdat het bestreden besluit dus geen betrekking heeft op eiser 1 en eiser 2, zal de rechtbank het beroep voor zover dat door hen is ingesteld, niet-ontvankelijk verklaren.

4. Met betrekking tot het beroep van eiseres overweegt de rechtbank als volgt.

5. Eiseres heeft betoogd dat verweerder, gelet op artikel 10 van de single permit-richtlijn, in het geheel geen leges had mogen heffen voor de afdoening van de aanvraag tot erkenning als referent. De single permit-richtlijn bevat hierover geen bepaling, terwijl in die richtlijn wel een regeling is opgenomen over de legesheffing bij de aanvraag voor een verblijfstatus. Eisers heeft hieruit afgeleid dat die regeling uitputtend is bedoeld. Ook heeft eiseres betoogd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de hoogte van het legesbedrag niet in strijd is met het nationaalrechtelijke evenredigheidsbeginsel, artikel 10 van de single permit-richtlijn en het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.

6. Naar het oordeel van de rechtbank is de single permit-richtlijn niet van toepassing in deze zaak. Zoals uit de considerans bij deze richtlijn blijkt, heeft de richtlijn betrekking op het invoeren van een enkele aanvraagprocedure die leidt tot een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) en worden procedurevoorschriften vastgesteld voor het behandelen van een aanvraag voor een GVVA. Ook wordt een pakket aan rechten vastgelegd voor werknemers van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven. De tekst van de considerans en de artikelen van de richtlijn geven geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de richtlijn ook van toepassing is op de procedure tot erkenning als referent van de werkgever van de vreemdelingen die een GVVA voor verblijf als kennismigrant aanvragen. Anders dan eiseres heeft gesteld, is de procedure van de werkgever tot erkenning als referent geen onderdeel en noodzakelijke voorwaarde van de GVVA‑procedure omdat kennismigranten zonder de erkenning van hun werkgever als referent niet worden toegelaten en valt de procedure tot erkenning als referent daarom niet binnen het bereik van de richtlijn. Hierbij is van belang dat de richtlijn niet alleen van toepassing is op aanvragen voor een GVVA van kennismigranten, maar generiek van toepassing is op alle aanvragers van een GVVA en dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat kennismigranten ook via de procedure van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, kunnen worden toegelaten.

Omdat de single permit-richtlijn niet van toepassing is in deze zaak, kan het betoog van eiseres dat uit artikel 10 van deze richtlijn volgt dat in het geheel geen leges hadden mogen worden geheven dan wel dat het legesbedrag te hoog is, niet worden gevolgd.

7. Reeds omdat er geen andere aanknopingspunten zijn met het Unierecht – zoals ook eiseres ter zitting heeft erkend – is het bestreden besluit niet in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.

8. Deze beroepsgronden slagen niet.

9. Dit betekent dat de rechtbank het betoog van eiseres over de hoogte van de leges alleen inhoudelijk zal beoordelen aan de hand van het nationaalrechtelijk evenredigheidsbeginsel. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

10. Verweerder heeft in het bestreden besluit over de evenredigheid van het legesbedrag voor het referentschap vermeld dat het streven is om de leges zoveel als mogelijk kostendekkend te maken en dat het bij de vaststelling van de hoogte van de leges gaat om een combinatie van kostprijs en beleidsmatige motieven, al naargelang het verblijfsdoel. Verweerder heeft ook vermeld dat bij de kosten kan worden gedacht aan kosten die strikt genomen gemaakt moeten worden voor een aanvraag van een verblijfsvergunning en verder aan kosten om legalisatie van documenten of, zoals in dit geval, de kosten van de procedure tot erkenning als referent. Nadat de aanvraag tot erkenning is ingediend, wordt de betrouwbaarheid van de organisatie conform artikel 2e, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vastgesteld. Daarom kan worden gesteld dat verweerder bij het bepalen van de hoogte van de leges voor de aanvraag tot erkenning als referent deze als kostendekkend heeft vastgesteld, aldus verweerder.

In het verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat de werkzaamheden die verweerder bij een aanvraag tot erkenning als referent verricht onder meer zijn het verzamelen van informatie bij de Kamer van Koophandel, een openbare orde check, nagaan of de werkgever solvabel is, nagaan of er boetes zijn opgelegd en advies vragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland als het gaat om een bedrijf dat jonger is dan achttien maanden. Vervolgens toetst de beslisunit of het bedrijf voldoet aan de specifieke voorwaarden voor erkenning als referent.

Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat verweerder iedere drie jaar een meting uitvoert, onder meer naar de daadwerkelijke kosten van aanvragen bij de Immigratie- en naturalisatiedienst en dat deze meting pas eind 2016 plaatsvindt. Verder heeft verweerder echter geen inzicht kunnen geven in de concrete opbouw van het legesbedrag en heeft hij gesteld dat ook beleidsmatige motieven bij de hoogte van de leges een rol spelen, maar dat hij niet precies weet welk deel van het legesbedrag de kosten betreft en welk deel beleidsmatige motieven betreft. Met dit alles heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe het in deze procedure aan de orde zijnde legesbedrag van € 5.116,– is gerelateerd aan de behandeling van de aanvraag tot erkenning als referent. Dat eerst eind 2016 metingen zouden worden verricht en daardoor geen gegevens voorhanden zijn om de kostprijs te onderbouwen, komt voor rekening en risico van verweerder en betekent niet dat verweerder geen inzicht hoeft te geven in de kostendekkendheid en de opbouw van het legesbedrag. Dit betekent dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd en dat de beroepsgrond slaagt.

11. Eiseres heeft ten slotte terecht betoogd dat verweerder haar had moeten horen in bezwaar. Zij heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 december 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU8626), waaruit volgt dat geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar, indien een rechtsvraag speelt die nog niet is beantwoord en er over het antwoord op die rechtsvraag redelijkerwijs twijfel kon bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank doet die situatie zich hier voor en had verweerder eiseres moeten horen in bezwaar. Omdat eiseres in beroep en ter zitting alles naar voren heeft kunnen brengen wat zij naar voren had willen brengen tijdens een hoorzitting, is eiseres door dit gebrek niet benadeeld. De rechtbank zal daarom dit gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.

12. Het beroep van eiseres is gegrond, gelet op wat is overwogen onder
rechtsoverweging 10. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder alsnog inzicht zal moeten geven in de wijze waarop het legesbedrag is opgebouwd. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

13. Omdat de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht vergoedt.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,– (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,– en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover dat betrekking heeft op eiser 1 en eiser 2
niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover dat betrekking heeft op eiseres gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,– aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,–, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski - Kelders, voorzitter,

mr. H.M.H. de Koning en mr. R.A. de Wit, leden, in aanwezigheid van mr. D.S. Arjun Sharma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
26 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), hoger beroep vreemdelingenzaken. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.