Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9295

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
17-08-2017
Zaaknummer
C/09/530049 / KG ZA 17/431
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering strekkende tot een verbod tot tenuitvoerlegging vonnis waarbij gedaagden op straffe van een dwangsom zijn veroordeeld informatie te verstrekken aan de Belastingdienst en opheffing executoriaal beslag afgewezen. Het vollopen van de dwangsommen is het gevolg van het nalaten van het (tijdig) verrichten van inspanningen om de informatie te verkrijgen om aan het vonnis te voldoen en niet van de onmogelijkheid om aan de veroordeling te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-08-2017
FutD 2017-2131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/530049 / KG ZA 17/431

Vonnis in kort geding van 30 juni 2017

in de zaak van

1) [A] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2) [B] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

3) [C]

wonende te [woonplaats 2] ,

eisers in conventie,

verweerders in voorwaardelijke in reconventie,

advocaat mr. drs. S. Bharatsingh te Den Haag,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden, Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst,

zetelende te Den Haag,

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

advocaten mr. W.I. Wisman en mr. S. Heeroma te Den Haag.

Eisers worden hierna, gezamenlijk, aangeduid als [A c.s.] en ieder afzonderlijk als respectievelijk [A] , [B] en [C] . Gedaagde wordt hierna aangeduid als de Belastingdienst.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Belastingdienst overgelegde conclusie van antwoord tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie, met producties;

- de op 21 juni 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

1.3.

De Belastingdienst heeft een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld, inhoudende, kort samengevat, dat indien en voor zover de voorzieningenrechter oordeelt dat [A c.s.] in het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2014 (hierna: het vonnis van 17 juli 2014) zijn veroordeeld tot informatieverstrekking op straffe van een dwangsom waarvan het maximum per eiser is gelegen op een lager bedrag dan € 500.000,=, de voorzieningenrechter de dwangsom zal verhogen. De voorwaarde waaronder de Belastingdienst deze reconventionele vordering wenst in stellen treedt – zoals uit het navolgende zal blijken – niet in, zodat de reconventionele vordering verder onbesproken blijft.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

In 2000 heeft de Belastingdienst via de Belgische autoriteiten de beschikking gekregen over microfiches met een grote hoeveelheid gegevens over Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: KB Lux) op datum 31 januari 1994. Dit heeft geleid tot een onderzoek door de Belastingdienst naar de houders van bankrekeningen. De als rekeninghouder geïdentificeerde belastingplichtigen zijn door de Belastingdienst aangeschreven met het verzoek informatie over hun buitenlandse rekening(en) te verstrekken, in verband met de belastingheffing. Tegen aangeschreven rekeninghouders die ontkennen rekeninghouder te zijn (geweest) of weigeren informatie te verschaffen heeft de Belastingdienst kort gedingen aanhangig gemaakt, teneinde te realiseren dat de betreffende informatie alsnog werd afgegeven.

2.2.

[B] is de zoon van [A] . [C] is (sinds 1984) de echtgenote van [B] en dus de schoondochter van [A] .

2.3.

De Belastingdienst heeft [A] en [B] geïdentificeerd als gezamenlijk houder van een rekening bij KB Lux (een termijndeposito met een positief saldo van NLG 640.958,27, per 31 januari 1994, op naam van “ […] ”, rekeningnummer [nummer] , hierna te noemen: de bankrekening).

2.4.

De Belastingdienst heeft [A] en [B] vanaf 2002 en [C] vanaf 2006 meermaals aangeschreven met het verzoek / de sommatie om opgave te doen van (het verloop van) de door [A] . en [B] aangehouden buitenlandse bankrekening(en). [C] is als fiscaal partner van [B] op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en artikel 2.17 lid 2 Wet inkomstenbelasting (2001) evenals [A] en [B] informatieplichtig. [A c.s.] hebben niet aan de verzoeken / sommaties voldaan, waarna de Belastingdienst een kort geding heeft aangespannen. In dit kort geding heeft de Belastingdienst – kort gezegd – gevorderd [A c.s.] te veroordelen informatie te verstrekken.

2.5.

Bij vonnis van 17 juli 2014, gewezen in het hiervoor bedoelde kort geding, is, voor zover nu relevant, als volgt beslist:

“(…)

De voorzieningenrechter

(…)

5.2.

veroordeelt [A c.s.] om op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) zij na 31 januari 1994 bij de KB Luxbank – en bij eventuele andere buitenlandse banken – hebben aangehouden dan wel nog aanhouden;

5.3.

veroordeelt [A c.s.] opgaaf te doen van hun buitenlandse bankrekeningen door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekeningen over de periode 1994 tot heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing;

5.4.

veroordeelt [A c.s.] een mondelinge toelichting te geven op de onder 1 en 2 omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de inspecteur nader te bepalen termijn;

5.5.

bepaalt dat [A c.s.] aan de hiervoor onder 1 en 2 vermelde veroordelingen dient te voldoen binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis, en aan de hiervoor onder 3 vermelde veroordeling binnen de door de inspecteur te bepalen termijn, op straffe van een dwangsom van € 2.500,= per dag of gedeelte van een dag dat [A c.s.] na ommekomst van genoemde termijn in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 500.000,= is bereikt;

(…)”

2.6.

[A c.s.] hebben bij appeldagvaarding van 12 augustus 2014 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 17 juli 2014. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 31 mei 2016 het vonnis van 17 juli 2014 bekrachtigd, behalve voor zover de veroordelingen zonder de hierna in 2.7 genoemde restrictie waren gegeven. [A c.s.] hebben vervolgens nog beroep in cassatie ingesteld, maar dat beroep hebben zij op 2 juni 2017 weer ingetrokken.

2.7.

Het vonnis van 17 juli 2014 is op 31 oktober 2014 ( [A] ), respectievelijk 1 november 2014 ( [B] en [C] ) aan [A c.s.] betekend, met mededeling dat de Belastingdienst zich conformeert aan het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ3640), in het bijzonder aan de daarin geformuleerde restrictie, te weten dat, voor zover de bevelen betrekking hebben op materiaal waarvan het bestaan van de wil van [A c.s.] afhankelijk is, dit materiaal zal worden verstrekt met de restrictie dat het slechts zal worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.

2.8.

Bij (aan [A c.s.] bij deurwaardersexploot betekende) brieven van 31 maart 2015, 29 september 2015, 22 maart 2016, 15 september 2016 en 1 maart 2017 heeft de Belastingdienst telkens aan [A c.s.] medegedeeld dat zij nog niet hebben voldaan aan de op hun op grond van het vonnis van 17 juli 2014 rustende verplichtingen, aanspraak gemaakt op de verbeurde dwangsommen en de verjaring van de dwangsommen gestuit.

2.9.

Naar aanleiding van een vragenbrief van de Belastingdienst van 7 september 2015 heeft [A] bij brief van 18 september 2015 bericht dat de bankrekening niet meer wordt aangehouden, dat de bankrekening is gesloten op 8 februari 1999, dat het restant saldo is opgenomen en is gebruikt voor diverse dingen, zoals “levensonderhoud, buitenlandse vacanties, auto s, caravans, hulp familie, vrouwen enz.” Voorts heeft [A] bij brief van 23 september 2015 bericht dat de bankrekening op naam van hem en [B] stond, maar dat hij de bankrekening beheerde en dat [B] en [C] er geen belang bij hadden en er ook niets mee te maken hadden. [A] stelt in die brief dat de bankrekening op twee namen stond, “voor als een van ons iets zou overkomen”.

2.10.

Op 18 december 2015 heeft de Belastingdienst ten laste van [A] uit krachte van het vonnis van 17 juli 2014 executoriaal derdenbeslag gelegd onder ABN Amro Bank N.V. (hierna: ABN Amro) en Moneyou B.V. (hierna: Moneyou), ter verzekering van haar vordering van € 500.000,= aan verbeurde dwangsommen. Voorts heeft de Belastingdienst op 18 december 2015 executoriaal derdenbeslag gelegd onder ING Bank N.V. (hierna: ING) ten laste van [B] en ten laste van [C] , telkens ter verzekering van haar vordering van € 500.000,= aan verbeurde dwangsommen.

2.11.

Ter gelegenheid van het pleidooi in het hoger beroep van het vonnis van 17 juli 2014 op 4 april 2016 hebben [A c.s.] een brief van KB Lux van 19 mei 2015 overgelegd, waarin het volgende staat vermeld:

“(…)

Wij refereren hierbij aan uw verzoek van 13 mei 2015 om de bank over te laten gaan tot een onderzoek inzake uw rekening nr. [nummer] (de “Rekening). Deze rekening werd in onze boeken op datum van 8 februari 1999 afgesloten.

Het is volgens de Luxemburgse wettelijke bepalingen inzake de archivering van documenten vereist dat het cliëntdossier alsmede de financiële gegevens van een rekening (de “Gegevens”) bewaard worden voor een minimale duur van tien jaar met ingang van respectievelijk (i) de sluiting van de genoemde rekening of (ii) de datum van uitvoering van de betreffende financiële transactie.

Hier vloeit uit voort dat, behoudens een speciale beslissing of fout, het informaticasysteem KBL regelmatig overgaat tot de vernietiging van de Gegevens.

Wij kunnen u bevestigen dat grondig onderzoek in onze systemen heeft aangetoond dat dit het geval was bij bovengenoemde Rekening en dat alle Gegevens zijn vernietigd, inclusief de identiteit van de titularis van deze Rekening.

Bijgevolg wijzen wij u erop dat deze brief niet is bedoeld om uw eventuele vroegere hoedanigheid van ex-titularis van de Rekening al dan niet te bevestigen.

(…)”

3 Het geschil

3.1.

[A c.s.] vorderen – zakelijk weergegeven:

primair:

i) de Belastingdienst op straffe van een dwangsom te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het vonnis van 17 juli 2014;

ii) de door de Belastingdienst ten laste van [A] onder de ABN Amro en Moneyou gelegde executoriale derdenbeslagen op te heffen;

subsidiair:

iii) te bepalen dat de door de Belastingdienst ten laste van [A] onder ABN Amro en Moneyou gelegde executoriale derdenbeslagen dienen om betaling te krijgen van het door [A] te betalen aandeel in de verbeurde dwangsommen, zijnde het bedrag van € 166.666,67, te vermeerderen met rente;

alles met veroordeling van de Belastingdienst in de kosten van dit geding.

3.2.

Daartoe voeren [A c.s.] – samengevat – het volgende aan. [A] heeft alles gedaan wat in zijn vermogen lag om de beschikking te krijgen over de afschriften van de bankrekening bij KB Lux, die [A c.s.] op grond van het vonnis van 17 juli 2014 aan de Belastingdienst diende te verstrekken. Daarom moet het er primair voor gehouden worden dat [A c.s.] geen dwangsommen hebben verbeurd. Voor zover daarover anders wordt geoordeeld, dan zijn [A c.s.] in het vonnis van 17 juli 2014 niet hoofdelijk tot de betaling van de dwangsommen tot maximaal € 500.000,= veroordeeld. Dat impliceert dat het ervoor gehouden moet worden dat [A c.s.] ieder hooguit een gelijk deel van de totale maximale dwangsom van € 500.000,= (€ 166.666,67), te vermeerderen met rente, verbeurd kunnen hebben.

3.3.

De Belastingdienst voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Voor zover [A c.s.] hun vorderingen baseren op artikel 611d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zijn hun vorderingen niet toewijsbaar. Op grond van dit artikel kan de rechter die een dwangsom heeft opgelegd de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Nu deze voorzieningenrechter de dwangsom niet heeft opgelegd is hij derhalve niet bevoegd kennis te nemen van vorderingen die zijn gegrond op artikel 611d Rv. Zoals de Belastingdienst terecht stelt is in dit geding derhalve uitsluitend aan de orde de vraag of [A c.s.] dwangsommen hebben verbeurd vanwege het niet (voldoende) naleven van het vonnis van 17 juli 2014.

4.2.

In een executiegeschil als het onderhavige, waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een bevel tot nakoming niet, of onvoldoende is nageleefd, heeft de voorzieningenrechter niet tot taak de door de voorzieningenrechter van de rechtbank in Rotterdam bij vonnis van 17 juli 2014 besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. De voorzieningenrechter dient zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij moet de voorzieningenrechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer nemen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De Belastingdienst voert terecht aan dat tegen de veroordeling geen inhoudelijke bezwaren kunnen worden aangevoerd, behalve bezwaren die kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid door de Belastingdienst bij de executie. Verder geldt in een executiegeschil als het onderhavige – waarbij de veroordeelde gehouden is informatie te verstrekken aan de Belastingdienst – dat de Belastingdienst in geval van betwisting aannemelijk moet maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft, of met de van hem redelijkerwijze te verwachten inspanning, kan verkrijgen, waarbij geldt dat de executierechter bij de beoordeling van een en ander een eigen verantwoordelijkheid heeft en niet gebonden is aan het oordeel van de rechter die de afgifte heeft gelast (HR 12 juli 2013, NJ 2013, 435 en HR 24 april 2015, NJ 2015, 265).

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat [A c.s.] zich jegens de Belastingdienst tot 18 september 2015 op het standpunt hebben gesteld dat zij geen bankrekening bij KB Lux hebben (gehad). Eerst bij brief van 18 september 2015 heeft [A] het bestaan van de bankrekening erkend en daarover enige informatie verschaft. Nu de Belastingdienst het vonnis op 31 oktober 2014, respectievelijk 1 november 2014 aan [A c.s.] heeft laten betekenen, en zij derhalve binnen 30 dagen na die data aan het vonnis hadden moeten voldoen, staat hiermee vast dat [A c.s.] – daargelaten of de op 18 september 2015 verstrekte informatie toereikend is – niet tijdig aan de veroordeling hebben voldaan. Voorts staat vast dat, gezien het tijdsverloop tussen de data van betekening van het vonnis aan [A c.s.] en 18 september 2015 op de laatstgenoemde datum de in het vonnis van 17 juli 2014 opgelegde dwangsom in beginsel tot het maximum is volgelopen.

4.4.

Bij de beantwoording van de vraag of [A c.s.] de dwangsommen daadwerkelijk verbeurd hebben, kan in het midden blijven of [A c.s.] (volledig) kunnen voldoen aan de veroordeling uit het vonnis van 17 juli 2014, althans of zij meer informatie aan de Belastingdienst kunnen verstrekken dan zij tot heden hebben gedaan. Hiertoe is redengevend dat het, gezien de veroordeling van [A c.s.] , op hun weg had gelegen om, minst genomen, inspanningen te verrichten om binnen dertig dagen na betekening van het vonnis van 17 juli 2014 aan de veroordeling in dat vonnis te voldoen, althans de Belastingdienst deugdelijk te informeren indien zij daarvoor meer tijd nodig hadden dan de termijn van 30 dagen. Dit hebben zij nagelaten. De eerste inspanning die zij hebben verricht om aan het vonnis te voldoen dateert van 13 mei 2015, toen zij – kennelijk, zo volgt uit de brief van KB Lux van 19 mei 2015 – informatie bij KB Lux hebben opgevraagd. Nog daargelaten dat zij de Belastingdienst van die inspanning op dat moment niet op de hoogte hebben gebracht, was op dat moment de dwangsom al grotendeels volgelopen. Op het moment dat zij voor het eerst de Belastingdienst enige informatie over de bankrekening verstrekten en zij voor het eerst het bestaan van die bankrekening erkenden (namelijk op 18 september 2015) was de dwangsom reeds volledig volgelopen. In het licht van deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat het vollopen van de dwangsom niet het gevolg is van de onmogelijkheid om aan de veroordeling te kunnen voldoen, maar van het nalaten van het (tijdig) verrichten van inspanningen om de informatie te verkrijgen waarmee mogelijkerwijs aan het vonnis van 17 juli 2014 zou kunnen worden voldaan. Nu het doel en de strekking van de veroordeling in het vonnis van 17 juli 2014 was dat [A c.s.] informatie zou verschaffen, en [A c.s.] pas informatie hebben verschaft toen de dwangsom al volledig was volgelopen moet worden geconcludeerd dat [A c.s.] zich onvoldoende hebben ingespannen om de veroordeling in het vonnis na te komen, zodat zij de dwangsommen ook daadwerkelijk verbeurd hebben. Van misbruik van executiebevoegdheid door de Belastingdienst is geen sprake.

4.5.

Gezien het vorenstaande zullen de primaire vorderingen van [A c.s.] worden afgewezen. Ook de subsidiaire vorderingen van [A c.s.] zullen worden afgewezen. Zoals de Belastingdienst terecht aanvoert rust op [A c.s.] ieder afzonderlijk op grond van artikel 47 AWR een informatieplicht en zijn zij, weliswaar met dezelfde dagvaarding, ieder afzonderlijk gedagvaard. Het tweepartijenstelsel waar het burgerlijk procesrecht op berust, brengt mee dat, ook als meer dan twee partijen in een procedure zijn betrokken, sprake is van verschillende, voor afzonderlijke berechting vatbare vorderingen. Gezien dit uitgangspunt kan het vonnis 17 juli 2014 niet anders worden uitgelegd dan dat [A c.s.] ieder afzonderlijk zijn veroordeeld om de in het vonnis vermelde informatie te verstrekken. Voor een andere uitleg biedt dat vonnis geen aanknopingspunten. Nu [A c.s.] gelet hierop ook ieder voor zich kunnen besluiten of, wanneer en hoe zij aan het vonnis willen voldoen en bovendien niet uitgesloten kan worden dat er voor ieder van hen iets anders nodig is om aan de verplichting uit het vonnis te voldoen, is er geen grondslag om te veronderstellen dat de dwangsom niet aan ieder van hen afzonderlijk is opgelegd.

4.6.

[A c.s.] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente bij niet tijdige betaling. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237)

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [A c.s.] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Belastingdienst te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Belastingdienst begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat [A c.s.] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.

idt