Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9219

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2016
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Iran, bekering christendom

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31, geldigheid: 2017-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL16.2016

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. T. Thissen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2017.

Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook is verschenen mevrouw S. Ostabhasanbanna, tolk.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1990 en de Iraanse nationaliteit te hebben. Op 13 oktober 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Eiser heeft aan zijn aanvraag – samengevat weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Eiser kwam zes weken voor zijn vertrek uit Iran een vriend van hem tegen, genaamd [persoon] . [persoon] heeft eiser verteld over het christendom. Eiser wilde meer weten over deze religie en heeft in de twee weken daarop onderzoek gedaan op het internet. Eiser heeft vervolgens tegen [persoon] gezegd dat hij meer over het christendom wilde weten. [persoon] heeft eiser meegenomen naar een huiskerk. Eiser geeft aan dat hij bij de tweede bijeenkomst is bekeerd tot het christendom. Eiser wilde dit geheim met iemand delen en omdat hij geen vrienden had heeft hij het aan zijn moeder verteld. De moeder van eiser maakte zich zorgen om eiser en heeft dit daarom besproken met de vader van eiser. De vader van eiser heeft contact opgenomen met de oom van eiser, die moslim is. De oom van eiser heeft het vervolgens met zijn zoon besproken, die lid is van de Basidj-militie. Toen eiser zijn neef tegen kwam op straat werd hij geconfronteerd met zijn bekering. Eiser is na een worsteling met zijn neef naar huis gegaan, waarna hij samen met zijn ouders heeft besloten dat hij uit voorzorg naar de broer van zijn moeder zou gaan. In de twee opvolgende dagen kwam de neef van eiser bij zijn ouders langs met andere leden van de Basidj-militie. Dit heeft eiser doen besluiten om Iran te verlaten. Eiser vreest bij terugkeer voor de Basidj-militie maar ook voor de Iraanse autoriteiten die via deze militie weten dat eiser is bekeerd tot het christendom.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond. In het asielrelaas heeft verweerder de volgende relevante elementen onderscheiden: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst, 2. Eiser ontmoet zijn vroegere vriend [persoon] , 3. Eiser bekeert zich tot het christendom, 4. In Iran heeft eiser vanwege zijn bekering problemen met zijn neef die bij de Basidj is waarna hij het land verlaat. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Voorts wordt geloofwaardig geacht dat eiser zijn vroegere vriend [persoon] heeft ontmoet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich (al voor zijn vertrek) heeft bekeerd en ook zijn gestelde verdieping in Nederland draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn bekering. Nu de bekering van eiser niet geloofwaardig wordt geacht, worden ook de problemen die eiser stelt naar aanleiding van deze bekering te hebben ondervonden, niet geloofwaardig geacht.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe het volgende – samengevat weergegeven – aangevoerd. Geloof en bekering is iets subjectiefs. Het gaat om een individuele beleving. Een eerste positieve kennismaking met een geloof kan al genoeg zijn om het gevoel te hebben dat dit het geloof voor jou is. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij zich vanwege zijn slechthorendheid en spraakgebrek en het warme welkom dat hij ontving als nieuwkomer zo snel thuis voelde in het christendom. Bekering kan plaatsvinden wanneer men genoeg weet over de godsdienst om te kunnen zeggen dat deze godsdienst bij hem of haar past. Alles weten over het christendom is geen vereiste om Christen te zijn. De toetreding tot het christendom van eiser gebeurde na de ontmoeting met [persoon] , maar het proces van het afvallen van de islam vond al eerder plaats. Er is geen sprake van het makkelijk over de nadelen van de bekering heenstappen. Eiser dacht dat hij door iedereen zou worden uitgesloten en dat er geen plaats meer voor hem zou zijn in zijn land. Hij zegt letterlijk dat hij dacht dat hij een paria zou zijn en niet meer in zijn land zou kunnen verblijven. Er is bovendien sprake van een motiveringsgebrek op dit punt omdat hetgeen hierover in de zienswijze is aangevoerd, niet is weerlegd in het bestreden besluit. Dat verweerder het zelf kunnen lezen van de heilige teksten, het kunnen begrijpen van de teksten en de gebeden en het direct bidden tot god zonder tussenkomst van een priester of imam ziet als een praktisch voordeel, geeft aan dat het relaas van eiser niet zorgvuldig is beoordeeld. Verweerder werpt eiser ten onrechte tegen dat hij niet zou kunnen verklaren of hij meer of minder dan tien keer naar de kerk is gegaan. Verweerder werpt eiser ten onrechte tegen dat hij te weinig kennis heeft van het christendom. Voor wat betreft de drie-eenheid heeft de tolk dit waarschijnlijk niet goed kunnen vertalen van het Nederlands naar het Farsi. Verweerder heeft het relaas van eiser ten onechte ongeloofwaardig geacht.

5. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0955) past verweerder bij de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging een vaste gedragslijn toe. Deze vaste gedragslijn houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die, voor zover toepasselijk in het concrete geval, grofweg kunnen worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van een bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en de geloofspraktijk. Ten slotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt verweerder ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten. Uit deze uitspraak volgt voorts dat verweerder ervan uitgaat dat aan een bekering steeds een welbewuste en weloverwogen keuze van de vreemdeling vooraf gaat en dat hij om die reden bijzondere waarde hecht aan de beantwoording door een vreemdeling van vragen over die motieven voor en het proces van bekering. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar men overwegend een andere geloofsovertuiging heeft, dan wel waar de eerdere geloofsovertuiging van een vreemdeling de enige maatschappelijk aanvaarde godsdienst of de staatsgodsdienst is en het zich bekeren tot een andere geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel of strafbaar is.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is omdat eiser zijn bekering onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft hierbij het volgende van belang mogen achten. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt kunnen stellen dat nu eiser zich voor zijn bekering in een tijdsbestek van twee weken slechts door middel van het bijwonen van een paar kerkdiensten en door informatie op te zoeken via het internet heeft geïnformeerd over het christendom, het niet aannemelijk is dat hij voldoende informatie heeft kunnen verkrijgen om te stellen dat hij is bekeerd. Eiser geeft zelf ook aan dat hij in deze periode niet alles heeft kunnen bereiken en tijd nodig heeft tot hij de goede informatie heeft gevonden. Voor zover eiser stelt dat zijn slechthorendheid de verklaring is voor de snelheid van de bekering en hij door zijn doofheid meer bevattelijk was voor een andere geloofsovertuiging, volgt de rechtbank het standpunt van verweerder inhoudende dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als een verschoppeling werd gezien en/of behandeld in Iran. Verweerder heeft daarbij mede in aanmerking mogen nemen dat eiser een opleiding heeft gevolgd en gedurende een aantal jaren werk had. Voorts heeft verweerder het niet ten onrechte niet aannemelijk mogen achten dat iemand die zich bekeert in een land waar dit tot problemen kan leiden, iemand die is opgevoed met de islam en een goede band heeft met zijn familie, op deze relatief eenvoudige wijze over de problemen die een bekering met zich mee zou kunnen brengen heen stapt. Verweerder heeft voorts mogen concluderen dat de vage en algemene verklaringen die eiser aflegt over zijn gevoelens met betrekking tot het christendom en hoe hij hier in staat, afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van zijn bekering. Zo stelt eiser dat hij rust en liefde heeft gevonden in het christendom omdat er geen andere weg was en dat eiser rustig met God kan praten. Daarbij geeft eiser aan dat hier in de Islam meer voor nodig was en dat hij daar moest vasten, wat niet goed is voor zijn gezondheid. De verklaringen van eiser maken zijn gevoelens met betrekking tot het christendom onvoldoende duidelijk. Ook doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de bekering dat eiser weinig kennis heeft over het christendom en dat zijn idee omtrent het belang van het verzamelen van informatie hierover in tegenspraak lijkt te zijn met de rol die hij stelt dat het christendom inneemt in zijn leven. Zo weet eiser niet in welk deel van de Bijbel het leven van Jezus staat beschreven, wat met Pinksteren wordt gevierd, wat Psalmen zijn en of het christendom profeten kent. Eiser heeft niet voldoende gemotiveerd aangegeven waarom hij in de correcties en aanvullingen wel antwoord kan geven op een aantal van de voornoemde vragen en tijdens het gehoor niet. Nu verweerder de bekering van betrokkene niet ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht, heeft hij ook de problemen die eiser stelt naar aanleiding van deze bekering te hebben ondervonden, niet geloofwaardig mogen achten. De in beroep overgelegde stukken, zoals het doopcertificaat en een verklaring met betrekking tot de bijbelstudiegroep, maken dit niet anders nu verweerder terecht in het verweerschrift stelt dat deze stukken weliswaar dienen ter nadere onderbouwing van een geloofwaardig geacht proces van bekering, maar dat het aan eiser blijft om geloofwaardige verklaringen af te leggen.

6.3

Gelet op het bovenstaande heeft verweerder alle relevante aspecten meegewogen in zijn afweging en is verweerder niet ten onrechte tot de conclusie gekomen dat eiser met zijn verklaringen het proces dat heeft geleid tot zijn bekering niet inzichtelijk heeft gemaakt en hij tevens niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een diepgewortelde geloofsovertuiging.

6.4

Gelet het voorgaande komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Verwilligen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.