Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9201

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
NL17.4257
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser erkend als Verdragsvluchteling, maar eiser komt niet voor vergunningverlening in aanmerking, omdat sprake is van een contra-indicatie in de zin van het beleid genoemd in C2/7.10.1 Vc. Immers, eiser is veroordeeld voor in totaal meer dan 10 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en daarmee is sprake van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’, aldus verweerder. Nog afgezien van de vraag of de optelsom, zoals deze in het beleid van verweerder is opgenomen, ook van toepassing is bij een verdragsvluchteling, gelet op het aparte kopje dat daarvoor in het beleid is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerders beleidsregel dat aan de norm van tien maanden ook wordt voldaan (en dus van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ sprake is), als de veroordelingen bij elkaar opgeteld die tien maanden overtreffen, niet strookt met artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, Kwalificatierichtlijn en artikel 3.105c, aanhef en onder b, Vb Deze artikelen, en ook overigens artikel 33 Vluchtelingenverdrag, spreken immers van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ en bieden ook verder geen aanknopingspunten voor de kwantitatieve normering van het begrip ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ zoals verweerder in zijn beleid heeft bepaald. Het begrip ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ is een unierechtelijk begrip, dat zich niet leent voor een afwijkende uitleg door verweerder. Verweerder kan dan ook aan de vaststelling, dat sprake is van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’, in dit geval niet ten grondslag leggen dat eiser is veroordeeld voor een gevangenisstraf van in totaal zeventien maanden, wegens strijd met de artikelen 14, vierde lid, aanhef en onder b, Kwalificatierichtlijn en artikel 3.105c, aanhef en onder b, Vb. Nu verweerder aan zijn conclusie, dat er sprake is van een contra-indicatie, niet de “optelsom” uit zijn beleid als genoemd in C2.7.10.1 Vc ten grondslag kan leggen en verweerder zich afgezien van de contra-indicatie onvoorwaardelijk en uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld, dat eiser als een verdragsvluchteling kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, is de rechtbank van oordeel dat thans nog slechts één besluit mogelijk is, namelijk het inwilligen van de aanvraag van eiser.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 3.105c, geldigheid: 2016-03-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.4257


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

eiser,

(gemachtigde: mr. S. Thelosen),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).


Procesverloop
Bij besluit van 30 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (NL17.4258), plaatsgevonden op 20 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling het volgende.
Eiser is van Jamaicaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Bij besluit van 27 augustus 2014 heeft verweerder de aan eiser verleende reguliere verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf bij moeder’ ingetrokken met terugwerkende kracht tot 18 november 2012 en heeft verweerder de aanvraag om verlenging van de aan hem verleende verblijfsvergunning afgewezen. Tevens heeft verweerder een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 4 maart 2015 ongegrond verklaard. Het tegen deze uitspraak ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, bij uitspraak van 14 juli 2015 (Awb 15/4770 en Awb 15/4771), voor zover gericht tegen de afwijzing van de verlengingsaanvraag, de intrekking en de uitvaardiging van het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk verklaard en heeft het beroep, voor zover gericht tegen de uitvaardiging van het inreisverbod ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Hij heeft verklaard dat hij sinds 2005 in Nederland is komen wonen. In 2007 is hij teruggegaan naar Jamaica voor drie maanden en in 2008 voor twee weken. Na 2008 is hij niet meer naar Jamaica teruggekeerd. Sinds 2013 komt hij er openlijk voor uit dat hij homo- dan wel biseksueel is. Hij is bedreigd via zijn Facebookaccount door vrienden uit Jamaica. Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij toen hij ongeveer 6/7 jaar oud was, is misbruikt door vrienden van een van zijn ooms.

3. Verweerder heeft in het asielrelaas van eiser de volgende elementen als relevant aangemerkt:
1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
2. de homoseksuele, dan wel biseksuele geaardheid van eiser alsmede de bedreigingen die hij in dat kader ondervonden heeft; en
3. het seksuele misbruik door vrienden van een van zijn ooms.

Verweerder acht deze elementen geloofwaardig. Op grond van zijn biseksuele voorkeur komt eiser in aanmerking voor vluchtelingschap, maar er is sprake van een contra-indicatie in de zin van het beleid als genoemd in paragraaf in C2/7.10.1 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), omdat eiser gelet op de totale hoogte van de opgelegde straffen en de aard van de delicten een gevaar voor de gemeenschap vormt.
Verweerder heeft de aanvraag om dezelfde reden afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

4. De rechtbank overweegt allereerst het volgende. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:179 (http://pi.rechtspraak.minjus.nl/)) volgt dat een asielaanvraag van een vreemdeling tegen wie eerder een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd dat ten tijde van die aanvraag voortduurt, mede dient te worden aangemerkt als een verzoek om opheffing van dat inreisverbod. Vervolgens moet een afwijzing van die asielaanvraag dan mede worden begrepen als een afwijzing van een verzoek om opheffing van dat zware inreisverbod. De beoordeling of een vreemdeling voldoet aan de vereisten voor vergunningverlening wordt in dit geval ten volle aan de orde gesteld in het kader van de toetsing van het besluit op het verzoek om opheffing van het zware inreisverbod.

5. Eiser voert het volgende aan. Verweerder heeft hem als vluchteling erkend. Verweerder dient daarom alle uit het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) voortvloeiende rechten toe te kennen, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag. Artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van richtlijn 2011/95/EU (PB 2011, L 337; de Kwalificatierichtlijn) komt daarmee overeen. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit zijn oordeel gebaseerd op artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, Kwalificatierichtlijn. Uit deze artikelen volgt dat bij de veroordeling voor een bijzonder ernstig misdrijf een gevaar voor de samenleving kan worden aangenomen, op basis waarvan een verblijfsvergunning kan worden geweigerd of ingetrokken. In zijn beleid heeft verweerder uitgewerkt dat sprake is van ‘een bijzonder ernstig misdrijf” in bovengenoemde zin bij een veroordeling van tien maanden onvoorwaardelijk. Eiser heeft nooit een dergelijke veroordeling gehad en is dus nooit veroordeeld voor ‘een bijzonder ernstig misdrijf’. Voor zover in het beleid is opgenomen dat ook van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ gesproken kan worden als bij optelling van meerdere veroordelingen aan de norm van tien maanden is voldaan, is deze kwantitatieve norm buiten werking gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, bij uitspraak van 31 juli 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:17009) wegens strijd met de Kwalificatierichtlijn. Door de kwantitatieve norm toe te passen heeft verweerder onrechtmatig gehandeld en komt het besluit voor vernietiging in aanmerking. Deze uitspraak van zittingsplaats Middelburg, heeft de Afdeling bij uitspraak van 27 maart 2015 (201407219/1/V1) bevestigd. Eiser verwijst voor de uitleg van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ ook naar het UNHCR handboek.

5.1

Verweerder stelt zich op het volgende standpunt. Eiser voldoet aan de norm voor ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ omdat hij totaal tot meer dan 17 maanden gevangenisstraf is veroordeeld. In het beleid als genoemd in paragraaf C2/7.10.1 Vc is bepaald dat bij de beoordeling of sprake is van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ de optelsom van de gepleegde delicten in aanmerking wordt genomen. Het is niet noodzakelijk dat eiser voor een enkel delict tot een onherroepelijke en onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste tien maanden is veroordeeld, maar dat al zijn veroordelingen bij elkaar opgeteld tot minimaal tien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf hebben geleid, waarbij in ieder geval één van de veroordelingen betrekking moet hebben op een misdrijf dat een gevaar voor de gemeenschap oplevert.
Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat het bestreden besluit is gebaseerd op de artikelen 14, vierde lid, aanhef en onder b, Kwalificatierichtlijn en artikel 3.105c, aanhef en onder b, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder stelt voorts dat de begrippen ‘bijzonder ernstig misdrijf’ en ‘gevaar voor de gemeenschap’ in onderlinge samenhang moeten worden bezien. Weliswaar moet er in dit geval beter gemotiveerd worden dat sprake is van ‘een gevaar voor de gemeenschap’ waarbij moet worden ingegaan op de aard van het misdrijf en de individuele omstandigheden, maar dat kan verweerder in een bestuurlijke lus herstellen. Verweerder heeft verder ter aanvulling van zijn standpunt verwezen naar het standpunt zoals verweerder dat heeft ingenomen in zijn hoger beroepschrift tegen voormelde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, en heeft zich op het standpunt gesteld dat met het optellen van de opgelegde straffen, in samenhang bezien met de aard en de ernst van de misdrijven en de aangevoerde individuele omstandigheden, een juiste invulling wordt gegeven aan het unierecht.

5.2

Ingevolge artikel 33, eerste lid, Vluchtelingenverdrag zal geen der Verdragsluitende Staten, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of teruggeleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag kan op de voordelen van deze bepaling evenwel geen aanspraak worden gemaakt door een vluchteling ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt, of die, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van dat land.

Ingevolge artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, Kwalificatierichtlijn kunnen de lidstaten de door een regerings-, administratieve, rechterlijke of quasi-rechterlijke instanties aan een vluchteling verleende status intrekken, beëindigen of weigeren te verlengen wanneer hij een gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat, omdat hij definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf.

Ingevolge artikel 14, vijfde lid, Kwalificatierichtlijn mogen de lidstaten onder de in het vierde lid omschreven omstandigheden besluiten geen status te verlenen aan een vluchteling wanneer nog geen besluit in die zin is genomen.

Ingevolge artikel 3.105c, aanhef en onder b, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij verdragsvluchteling is als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van die toelatingsgrond slechts worden geweigerd indien de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap.

In C2/7.10.1 Vc is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

Bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. De IND beoordeelt of er sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf als de vreemdeling verdragsvluchteling is.
(…)
De IND beoordeelt de vraag of er sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf aan de hand van de vraag of de optelsom van de opgelegde straffen in totaal ten minste de toepasselijke norm bedraagt. Hierbij wegen de individuele omstandigheden zwaar mee, waaronder de vraag hoe groot het aandeel is van de delicten die een gevaar voor de gemeenschap vormen. In ieder geval één van de veroordelingen zal betrekking moeten hebben op een misdrijf dat een gevaar voor de gemeenschap oplevert. De IND betrekt in ieder geval het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straffen in de vraag of de optelsom van de opgelegde straffen de toepasselijke norm bedraagt.

(…)

Openbare orde als de vreemdeling een verdragsvluchteling is

(…)

Er is sprake van een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- de vreemdeling is bij onherroepelijk rechterlijk vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf, of aan hem is een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, en

- de opgelegde straf of maatregel bedraagt in totaal tenminste tien maanden.

5.3

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser alleen bij optelling van de op hem betrekking hebbende onherroepelijke vonnissen voldoet aan de norm van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ zoals neergelegd in het beleid als genoemd in C2/7.10.1 Vc.

5.4

Nog afgezien van de vraag of de optelsom, zoals deze in het beleid van verweerder is opgenomen, ook van toepassing is bij een verdragsvluchteling, gelet op het aparte kopje dat daarvoor in het beleid is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerders beleidsregel dat aan de norm van tien maanden ook wordt voldaan (en dus van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ sprake is), als de veroordelingen bij elkaar opgeteld die tien maanden overtreffen, niet strookt met artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, Kwalificatierichtlijn en artikel 3.105c, aanhef en onder b, Vb Deze artikelen, en ook overigens artikel 33 Vluchtelingenverdrag, spreken immers van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ en bieden ook verder geen aanknopingspunten voor de kwantitatieve normering van het begrip ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ zoals verweerder in zijn beleid heeft bepaald. Het begrip ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ is een unierechtelijk begrip, dat zich niet leent voor een afwijkende uitleg door verweerder. Daarbij wijst eiser terecht op het ‘UNHCR Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating tot the Status of Refugees’, waar in punt 154 wordt opgemerkt dat slechts in extreme gevallen toepassing gegeven kan worden aan artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag, en alleen als sprake is van "a particular serious crime".

Verweerder kan dan ook aan de vaststelling, dat sprake is van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’, in dit geval niet ten grondslag leggen dat eiser is veroordeeld voor een gevangenisstraf van in totaal zeventien maanden, wegens strijd met de artikelen 14, vierde lid, aanhef en onder b, Kwalificatierichtlijn en artikel 3.105c, aanhef en onder b, Vb. De beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank komt het bestreden besluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking en behoeven de overige beroepsgronden daarom geen bespreking meer.

5.5.

De rechtbank zal vervolgens bezien of er aanleiding is de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten gelet op het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt.

5.5.1.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt, daar geen aanleiding toe is. Dat verweerder eerst overgaat tot weigering als sprake is van ‘een gevaar voor de gemeenschap’, waarbij alsnog andere omstandigheden worden meegenomen, laat onverlet dat gelet op artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, Kwalificatierichtlijn in ieder geval sprake moet zijn van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ alvorens verweerder tot weigering mag overgaan. Bovendien heeft verweerder blijkens de zich in het dossier bevindende grieven dit betoog ook naar voren gebracht in zijn hoger beroepschrift gericht tegen voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 31 juli 2014, maar dit betoog heeft de Afdeling kennelijk niet gebracht tot een vernietiging van de uitspraak nu deze de uitspraak (ongemotiveerd) heeft bevestigd. De rechtbank ziet dan ook geen reden de rechtsgevolgen in stand te laten.

5.5.2

Gezien het toetsingskader, als neergelegd in rechtsoverweging 4, acht de rechtbank het beroep, aangemerkt als zijnde gericht tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod, gegrond en acht de rechtbank het beroep gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag ontvankelijk. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag slaagt. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 14, vierde lid, aanhef en onder b, Kwalificatierichtlijn, 3.105c, aanhef en onder b, Vb en 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5.5.3

Nu verweerder aan zijn conclusie, dat er sprake is van een contra-indicatie, niet de “optelsom” uit zijn beleid als genoemd in C2.7.10.1 Vc ten grondslag kan leggen en verweerder zich afgezien van de contra-indicatie onvoorwaardelijk en uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld, dat eiser als een verdragsvluchteling kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, is de rechtbank van oordeel dat thans nog slechts één besluit mogelijk is, namelijk het inwilligen van de aanvraag van eiser. Gelet daarop zal de rechtbank, met het oog op finale geschillenbeslechting, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, Awb, zelf in de zaak voorzien. De rechtbank zal verweerder opdragen de gevraagde vergunning binnen vier weken na verzending van deze uitspraak aan eiser te verlenen. De rechtbank zal bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

6. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod, gegrond;

- het beroep gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag ontvankelijk;

- het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op de door eiser verzochte verblijfsvergunning binnen vier weken na verzending van deze uitspraak aan eiser te verlenen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.