Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9191

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
17_2027
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige Kamer, 1(F) Vluchtelingenverdrag, mensenhandel.

Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit niet, dan wel niet conform het beleid zoals neergelegd in Werkinstructie 2014/10, heeft beoordeeld of het asielrelaas van eiser geloofwaardig dient te worden geacht en verweerder niet heeft aangegeven welke passages uit het relaas ongeloofwaardig worden geacht, overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de bewijslast(verdeling) in het kader van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag een bijzondere is. Verweerder moet aantonen dat er 'ernstige redenen' zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) valt. De veronderstelling dat artikel 1(F) van toepassing is, hoeft echter niet bewezen te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet niettemin zorgvuldig door verweerder worden gemotiveerd. Als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling zich aan een in artikel 1(F) bedoelde handeling schuldig heeft gemaakt, dient de vreemdeling, wil hij voorkomen dat artikel 1F van toepassing wordt verklaard, een en ander gemotiveerd te weerleggen. Om te kunnen bepalen of een vreemdeling individueel voor handelingen als bedoeld in artikel 1(F), verantwoordelijk dient te worden gehouden, wordt onderzocht of ten aanzien van de vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf of de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is, kan artikel 1(F) worden tegengeworpen.Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet hoeft aan te tonen dat aan alle elementen van de delictsomschrijving van artikel 273f Sr is voldaan. Bij de beantwoording van de vraag of ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, heeft verweerder zich terecht gebaseerd op de verklaringen van eiser tijdens de gehoren. Nu dit niet een klassieke beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas betreft, was verweerder niet gehouden het relaas van eiser conform het beleid neergelegd in Werkinstructie 2014/10 te beoordelen. Overigens heeft verweerder, blijkens het bestreden besluit en de toelichting daarop ter zitting, de geloofwaardigheid van eisers relaas wel beoordeeld. Verweerder concludeert immers dat geloofwaardig wordt geacht dat eiser samen met zijn moeder en broer een bordeel heeft geëxploiteerd in Irak en stelt vervolgens dat eiser in zijn verklaringen de werkomstandigheden en de situatie van de vrouwen heeft gebagatelliseerd. Tevens stelt verweerder dat aan de verklaringen van eiser dat de vrouwen vrij waren en geen eigendom waren, geen geloof wordt gehecht. Bij de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verweerder steeds in het voornemen, dat is herhaald en ingelast in het bestreden besluit, passages uit eisers relaas geciteerd en daarna aangegeven welke conclusies verweerder daaraan verbindt. Hetgeen eiser aanvoert, faalt daarom.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17 / 2027

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 7 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Iraakse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem)

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. B. van Beers, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond. Voorts is tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Bij uitspraak van 13 februari 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats de door eiser verzochte voorlopige voorziening toegewezen en de behandeling van het beroep verwezen naar de meervoudige kamer (AWB 17/2028).

Verweerder heeft op 29 mei 2017 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser is afkomstig uit de wijk [naam 1] in [plaatsnaam] . Eisers moeder runde in de tijd van Saddam Hoessein, nadat zij was gescheiden van eisers vader, een bordeel. Tot 2012 was dit geheim. Vanaf 2012 was dit openbaar en werkte eiser ook in het bordeel. Eisers vader, ooms van zijn vaderskant en neven bedreigden eisers moeder, broer en eiser zelf. Eiser is daarom met zijn moeder en broer naar Turkije gegaan en heeft daar verbleven van 20 januari 2013 tot 20 oktober 2013. Toen zij terugkeerden naar Irak, werd eisers moeder op 30 oktober 2013 vermoord. Anderhalve maand later hebben eiser en zijn broer het bordeel heropend. Eisers broer is vervolgens beschoten door een neef. Eiser en zijn broer hebben tot begin april 2015 verder geen problemen meer ondervonden. In april 2015 is eisers broer eerst telefonisch bedreigd door een oom en vervolgens is de broer op 10 april 2015 vermoord. Eiser heeft daarna Irak verlaten.

  2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Er bestaan ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag). Verweerder acht geloofwaardig dat eiser met zijn moeder en broer van 2012 tot 2015 een bordeel in [plaatsnaam] heeft geëxploiteerd. Echter, ten aanzien van de vrijwilligheid van de vrouwen die werkzaam waren voor eiser en de werkomstandigheden van deze vrouwen in het bordeel wordt aangenomen dat eiser de situatie en de werkomstandigheden heeft gebagatelliseerd. Eiser wordt in verband gebracht met het verwerven en huisvesten van vrouwen met het oogmerk van seksuele uitbuiting en aldus met mensenhandel, hetgeen een relatief niet-politiek misdrijf is in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag. Er is daarbij sprake van knowing en personal participation. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw. Voorts wordt tegen eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd op grond van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c en d, Vw.

  3. De rechtbank stelt allereerst vast dat aan het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod de rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw zijn verbonden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld uit de uitspraak van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) en van 18 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:638) volgt dat eiser, zolang voornoemd inreisverbod voortduurt, geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Of verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen, kan ten volle in het kader van de toetsing van het inreisverbod aan de orde worden gesteld. De rechtbank zal daarom de gronden die eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd heeft aangevoerd in het kader van het beroep tegen het inreisverbod beoordelen.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht, te weten het verwerven en huisvesten van vrouwen met het oogmerk van seksuele uitbuiting (mensenhandel), op zichzelf zijn aan te merken als een relatief niet-politiek misdrijf.

4.2

Evenmin heeft eiser het door verweerder geschetste algemene beeld over de positie van vrouwen in Irak, zoals dat uit openbare bronnen blijkt, bestreden. Uit deze bronnen blijkt dat vrouwen in Irak zeer kwetsbaar zijn en sinds de val van het bewind van Saddam Hoessein in toenemende mate het slachtoffer worden van geweld en verkrachtingen. Dit geldt eveneens voor vrouwen die werkzaam zijn in de prostitutie. Er is sprake van veelvuldige berichten over vrouwen en meisjes die in Irak worden blootgesteld aan gedwongen prostitutie. De situatie van jonge vrouwen die werkzaam zijn in de prostitutie is in Irak zeer schrijnend. De culturele context waarin deze vrouwen verkeren en de omstandigheid dat prostitutie illegaal is, maakt dat het voor hen vrijwel onmogelijk is om zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken. Juist slachtoffers van gedwongen prostitutie worden gestigmatiseerd en gecriminaliseerd. In het algemeen zijn met name alleenstaande, ontheemde en ongehuwde vrouwen zeer kwetsbaar in de Iraakse samenleving en lopen zij een groot risico om dakloos te worden en/of het slachtoffer te worden van eerwraak of gedwongen prostitutie.

5. Eiser voert allereerst (samengevat) aan dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit niet, dan wel niet conform het beleid zoals neergelegd in Werkinstructie 2014/10, heeft beoordeeld of het asielrelaas van eiser geloofwaardig dient te worden geacht. Verweerder heeft niet aangegeven welke passages uit het relaas ongeloofwaardig worden geacht. Er wordt dan ook niet aan de delictsomschrijving van artikel 273f Wetboek van Strafrecht (Sr) voldaan.

5.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat aannemelijk wordt geacht dat eiser met zijn moeder en broer een bordeel in Irak heeft geëxploiteerd. Echter, ten aanzien van de vrijwilligheid van de vrouwen die werkzaam waren voor eiser en de werkomstandigheden van deze vrouwen in het bordeel, wordt door verweerder aangenomen dat eiser de situatie dan wel werkomstandigheden van deze vrouwen heeft gebagatelliseerd. Evenmin wordt geloof gehecht aan de verklaringen van eiser dat deze vrouwen geen eigendom waren en zij vrij waren.

5.2

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2851) en 18 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ8392)) volgt dat de bewijslast(verdeling) in het kader van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag een bijzondere is. Verweerder moet aantonen dat er 'ernstige redenen' zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) valt. De veronderstelling dat artikel 1(F) van toepassing is, hoeft echter niet bewezen te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet niettemin zorgvuldig door verweerder worden gemotiveerd. Als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling zich aan een in artikel 1(F) bedoelde handeling schuldig heeft gemaakt, dient de vreemdeling, wil hij voorkomen dat artikel 1F van toepassing wordt verklaard, een en ander gemotiveerd te weerleggen (zie in verband met dit laatste, bijvoorbeeld, de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:1629). Om te kunnen bepalen of een vreemdeling individueel voor handelingen als bedoeld in artikel 1(F), verantwoordelijk dient te worden gehouden, wordt onderzocht of ten aanzien van de vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf of de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is, kan artikel 1(F) worden tegengeworpen.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet hoeft aan te tonen dat aan alle elementen van de delictsomschrijving van artikel 273f Sr is voldaan. Bij de beantwoording van de vraag of ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, heeft verweerder zich terecht gebaseerd op de verklaringen van eiser tijdens de gehoren. Nu dit niet een klassieke beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas betreft, was verweerder niet gehouden het relaas van eiser conform het beleid neergelegd in Werkinstructie 2014/10 te beoordelen. Overigens heeft verweerder, blijkens het bestreden besluit en de toelichting daarop ter zitting, de geloofwaardigheid van eisers relaas wel beoordeeld. Verweerder concludeert immers dat geloofwaardig wordt geacht dat eiser samen met zijn moeder en broer een bordeel heeft geëxploiteerd in Irak en stelt vervolgens dat eiser in zijn verklaringen de werkomstandigheden en de situatie van de vrouwen heeft gebagatelliseerd. Tevens stelt verweerder dat aan de verklaringen van eiser dat de vrouwen vrij waren en geen eigendom waren, geen geloof wordt gehecht. Bij de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verweerder steeds in het voornemen, dat is herhaald en ingelast in het bestreden besluit, passages uit eisers relaas geciteerd en daarna aangegeven welke conclusies verweerder daaraan verbindt. Hetgeen eiser aanvoert, faalt daarom.

6. Eiser voert (samengevat) aan dat, hoewel het door verweerder geschetste algemene beeld over de positie van vrouwen in Irak niet wordt bestreden, verweerder in dit specifieke geval ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd stelt dat sprake is van misbruik en uitbuiting van vrouwen. Eiser stelt dat een feitelijke grondslag hiertoe ontbreekt. Verweerder laat na aan te geven uit welke verklaringen van eiser tijdens de gehoren blijkt dat sprake is van seksuele uitbuiting. De vrouwen die in het bordeel werkzaam waren, konden zich aan hun situatie onttrekken. Dit betekent ook dat een feitelijke grondslag ontbreekt aan de bewering van verweerder dat het bordeel en de daar werkzame vrouwen in het beeld passen zoals geschetst in de aangehaalde openbare bronnen. Met name gaat verweerder eraan voorbij dat het bordeel een “old fashioned” bordeel was, dat door eisers moeder was geopend ver vóór 2012. Het bordeel werd na haar dood door eiser en zijn broer op de oude voet voortgezet. Reeds uit het gegeven dat sommige vrouwen die vroeger bij het bordeel werkzaam waren, zich zonder tussenkomst van een derde bij het bordeel aanmeldden en het feit dat een van de vrouwen regelmatig naar familie ging om vervolgens weer naar het bordeel terug te keren, blijkt dat geen sprake was van een situatie waaraan de vrouwen zich niet konden onttrekken. Dat één van de vrouwen, [naam 2] , expliciet geen contact met haar familie meer wilde omdat zij de ouderlijke woning was ontvlucht om aan uithuwelijking te ontkomen, betekent niet dat haar werk in het bordeel als gedwongen prostitutie moet worden aangemerkt. Verweerder laat (wederom) na feiten te vermelden op grond waarvan gedwongen prostitutie door [naam 2] wel zou moeten worden aangenomen.

Eiser heeft voorts gesteld, hetgeen ter zitting nader is toegelicht, dat verweerder aan het “framen” is. Verweerder kleurt het relaas van eiser, en met name enkele door eiser gebruikte woorden en zinnen (“afwerkplaats”, “methode”), op een zodanig negatieve wijze in, dat dit, ten onrechte, ten nadele van eiser uitpakt.

6.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de gedragingen die eiser worden verweten zijn dat hij vrouwen heeft geworven en heeft gehuisvest, met het oogmerk van seksuele uitbuiting. Dit heeft eiser gedaan door misbruik te maken van een kwetsbare positie en door het inzetten van dwang- c.q. drukmiddelen. Eiser heeft deze middelen aangewend om vrouwen in een uitbuitingssituatie te brengen dan wel te beletten dat zij zich daaraan konden onttrekken. De vrouwen waren zeer beperkt in hun bewegingsvrijheid en zij konden niet zonder meer vertrekken. Zowel hun schaamte en angst als de omstandigheden die eiser bewust heeft gecreëerd om de bewegingsvrijheid van deze vrouwen te beperken, maken dat deze vrouwen in een positie verkeerden dat zij door eiser seksueel konden worden uitgebuit. De verklaringen van eiser over het bordeel en over de door hem geworven vrouwen passen in het beeld zoals geschetst in de aangehaalde openbare bronnen. Eiser heeft door zijn handelen, te weten het werven en in dienst nemen van deze vrouwen (onder meer via [naam 3] , degene die de vrouwen voor hem ronselde) misbruik gemaakt van hun kwetsbare positie. Dit heeft eiser bewust gedaan, nu wordt aangenomen dat hij op de hoogte was van de situatie en omstandigheden van vrouwen in Irak en hij er vervolgens bewust voor heeft gekozen deze vrouwen te werven, te huisvesten en vervolgens bij hem te werk te stellen in het bordeel. De stelling dat de vrouwen vrij de deur uit konden, wordt niet gevolgd. Dat de vrouwen feitelijk niet het eigendom waren van eiser en zij niet fysiek waren opgesloten, doet niets af aan de onvrijheid waarin deze vrouwen verkeerden. Verweerder verwijst voorts naar de wijze waarop eiser als man deze vrouwen controleerde, de kwetsbare positie van deze vrouwen, de culturele normen, de sociale positie en de wetgeving in Irak welke deze vrouwen stigmatiseert en criminaliseert.
Ook de opmerking, dat sommige vrouwen nog contact hadden met hun familie, doet er niet aan af dat het gaat om personen in een kwetsbare positie voor wie het niet mogelijk was zich aan de uitbuitingssituatie te onttrekken. Door juist deze kwetsbare vrouwen te werk te stellen als prostituee, kan eiser worden verweten dat hij misbruik heeft gemaakt van hun positie en dat hij mede de omstandigheden heeft gecreëerd dat zij zich niet aan de uitbuitingssituatie konden onttrekken. Voor zover eiser erop heeft gewezen dat [naam 2] het ouderlijk huis was ontvlucht om aan uithuwelijking te ontkomen, wijst verweerder erop dat uit openbare bronnen blijkt dat juist vrouwen als [naam 2] , ongehuwd en alleenstaand en een zogeheten “runaway girl”, in een kwetsbare positie verkeren.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat de verklaringen van eiser over het bordeel en de wijze waarop hij vrouwen via [naam 3] wierf, passen in het in het bestreden besluit op grond van verschillende openbare bronnen geschetste beeld over bordelen en prostituees in Irak. Uit deze openbare bronnen blijkt - hetgeen eiser niet heeft bestreden - dat de positie van prostituees in Irak zeer kwetsbaar en schrijnend is en dat het voor hen vrijwel onmogelijk is om zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken. Verweerder heeft zich voorts, gelet daarop, op goede gronden op het standpunt gesteld dat eisers stelling dat de vrouwen vrij de deur uit konden, niet kan worden gevolgd. Dat de vrouwen feitelijk niet fysiek waren opgesloten, doet niets af aan hun kwetsbaarheid en hun onvrijheid om zich aan die situatie te onttrekken. Ook de omstandigheid dat enkele vrouwen nog contact hadden met hun familie en sommigen zich vrijwillig hebben aangemeld, doet aan hun kwetsbaarheid niet af. Verweerder heeft daarom op goede gronden eiser verweten dat hij met het in dienst nemen van (alleenstaande) vrouwen met het doel deze seksuele diensten te laten verrichten, bewust deze vrouwen in een situatie heeft gebracht van illegaliteit en hij vervolgens misbruik heeft gemaakt van deze situatie.

7. Ook de meer specifieke gronden van eiser met betrekking tot het al of niet toepassen van dwangmiddelen, volgt de rechtbank niet. De rechtbank zal deze hierna afzonderlijk beoordelen.

7.1.1

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat uit de werkomstandigheden van de vrouwen zou blijken dat sprake was van seksuele uitbuiting. Het bordeel had een vaste, bij de exploitanten bekende klantenkring. Het beleid was dat vrouwen niet werden meegegeven aan mannen die niet bekend waren. Verweerder laat na de feiten uit het relaas aan te halen op grond waarvan hij zou mogen concluderen dat sprake was van een “zekere mate van controle” door eiser op het handelen van de vrouwen. Klanten betaalden weliswaar aan eiser, maar verweerder gaat eraan voorbij dat de vrouwen een derde tot de helft van de betalingen kregen uitbetaald, zodat dit niet als controlemiddel kan worden aangemerkt. Ook gaat verweerder eraan voorbij dat in casu een “full night stay” met waarborgen was omkleed. Vrouwen werden niet meegegeven aan onbekende mannen, maar alleen aan vaste klanten uit de wijk, vaak hooggeplaatste militairen. Ook werden afspraken gemaakt over het terugbrengen of ophalen van de vrouwen. Het ophalen van de vrouw bij een klant was overigens geen controlemiddel, maar een vorm van bescherming van de vrouw. Ten onrechte stelt verweerder dat de vrouwen enkel een derde van hun inkomsten mochten houden, terwijl dit in werkelijkheid, afhankelijk van de situatie, tussen een derde en de helft lag. Van onevenredigheid is geen sprake, temeer als rekening wordt gehouden met het feit dat de vrouwen kost en inwoning kregen.

7.1.2

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van uitbuiting doordat eiser feitelijke dwang- dan wel drukmiddelen heeft toegepast door het uitoefenen van een zekere mate van controle over de vrouwen. De klanten moesten betalen aan eiser en hij ging de vrouwen zelf ophalen bij een klant in het geval van een “full night stay”. De stelling dat de vrouwen door de vaste klant bij een “full night stay” werden teruggebracht dan wel opgehaald door eiser, duidt juist op een aantasting van de persoonlijke vrijheid. De omstandigheid dat sprake was van vaste klanten doet voorts niets af aan de kwetsbare positie waarin deze vrouwen zich bevonden. Daarnaast ging eiser mee naar clubs om vervolgens een van de vrouwen vanuit de club “mee te geven” aan een man. Kijkend naar de hoeveelheid geld die de vrouwen moesten afdragen wordt de conclusie dat sprake is van seksuele uitbuiting alleen maar versterkt. De percentages die eiser noemt zijn in overeenstemming met de informatie uit openbare bronnen. Er is sprake van een onevenredig deel dat moet worden afgedragen door de vrouwen. Het zelf niet kunnen beheren van de financiën en het beperkte bedrag dat zij kregen, maakt dat deze jonge vrouwen in een afhankelijke positie werden gedwongen. Ten aanzien van de stelling, dat geen sprake was van uitbuiting omdat er geen sprake was van het afnemen van de inkomsten, stelt verweerder dat niet enkel het afnemen van inkomsten maakt dat er sprake is van een uitbuitingssituatie. Volgens de richtlijn voor strafvordering mensenhandel van het openbaar ministerie is relevant of er sprake is van het afstaan van een onevenredig deel. In deze zaak moesten de klanten betalen aan eiser, zodat de vrouwen niet zelf hun inkomsten konden beheren. Dat zij vervolgens enkel een derde mochten behouden, beschouwt verweerder als onevenredig.

7.1.3

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door verweerder aangehaalde openbare bronnen blijkt het volgende over de “full night stay”:

“The sollicitor sometimes gives out the females to full-night stay at men’s houses, where she may have to serve many men. There is no guarantee that a female can come back from these trips. In two of the brothels covered by this report, young females were not returned to the brothel from which they were taken. Both involved security/militia group customers.”
Eiser heeft tijdens het aanvullend gehoor (pagina 9) over de “full night stay” verklaard:

“U heeft verteld dat u soms de meisje meenam naar een klant toe. Vertelt u eens wat meer hierover?
Als een klant belde en zei dat hij een meisje wilde, kwam hij naar mij en koos een meisje. Als hij niet kon komen, nam ik een aantal meisjes mee naar hem toe, en dan koos hij eentje en ging ik met de rest terug naar huis. En soms kwam de klant zelf naar mijn huis, koos een meisje en nam haar mee naar huis.”

Pagina 15:

“U zegt dat u de meisjes soms ook meenam voor een avondje uit in een club. Was dit voor werk of voor plezier?
Soms was het voor plezier en soms voor werk. Het moest iemand zijn die ik kende, want ik gaf de meisjes niet zomaar mee. Als ik een avond uit was en iemand zei dat hij een meisje wilde hebben, dan liet ik het meisje met hem mee gaan. En soms was het alleen voor plezier, dan nam ik de meisjes mee voor een avondje uit.
Als u ze meenam voor werk naar een club, was dit van tevoren afgesproken met een klant?
Het was niet vooraf afgesproken. Als ik naar een club ging met de meisjes en een van de mensen die daar was – of ergens anders vandaan belde en zei dat hij een meisje wilde, dan mocht hij het meisje meenemen.
Waar nam hij het meisje mee naartoe?
Naar zijn huis.
Hoe kwam het meisje weer terug naar uw huis?
Hij bracht haar soms naar ons huis en soms nam ik een van onze auto’s en ging haar ophalen.”
Uit het voorgaande blijkt dat eiser daadwerkelijk meisjes aan een man mee gaf voor een “full night stay”. Dat daarbij sprake was van vaste klanten maakt de kwetsbare positie van de prostituees tijdens zo’n “full night stay” niet minder, omdat uit de openbare informatie blijkt dat de meisjes vaak op zo’n avond meerdere mannen moesten bedienen en eiser door het meisje mee te geven geen toezicht kon houden op wat precies gebeurde. Dat eisers vaste klanten hooggeplaatste militairen waren, leidt evenmin tot een ander oordeel, aangezien dit enkele feit niet meebrengt dat de veiligheid van de betrokken prostituee was gegarandeerd. Voorts is uit openbare bronnen gebleken dat sommige meisjes na een “full night stay” niet werden teruggebracht, juist in gevallen waarin leden van een security of militia group de klanten waren.

Ten aanzien van het uitbetalen van de meisjes heeft eiser tijdens het aanvullend gehoor (pagina 9) verklaard:

“Hoeveel betaalde de klant voor een meisje?
Soms 30 soms 35.000 Iraakse dinars, het was verschillend.
(…)
Had u andere tarieven als een klant iets bijzonders wilde doen?
Als het meisje bij iemand anders zou gaan overnachten, dan was het 200 dollar.
(…)
Aan wie betaalde de klant het geld?
Aan mij, mijn broer of mijn moeder, afhankelijk van wie van ons thuis was.
Kregen de meisjes een gedeelte van dit bedrag?
Ja natuurlijk, soms 10 of 15 duizend dinar per klant.”
Pagina 16:
“U vertelde dat de meisjes 10 tot 15 duizend dinar per klant mochten houden. Op grond waarvan werd de ene keer 10 en de andere keer 15 duizend betaald?
Als het druk was en er waren veel gelegenheden of feestjes, dan kregen ze 15 duizend dinar en als het werk rustiger was, dan kregen ze toen duizend dinar.
Wie bepaalde dat de meisjes dit bedrag kregen, 10 of 15 duizend dinar?
Mijn moeder.
Konden de meisjes om een salaris verhoging vragen?
Nee, dat is de vaste marktprijs, wij waren niet de enigen, andere bordelen die ook meisjes hadden betaalden hetzelfde uit.”
Uit het voorgaande blijkt dat eiser het geld van de klanten in ontvangst nam en daarna de meisjes uitbetaalde. De prostituees konden het verdiende geld aldus niet zelf beheren. Voorts heeft eiser in zijn verklaringen bevestigd dat de door hem gehanteerde tarieven door meerdere bordelen werden gehanteerd, hetgeen overeenkomt met de door verweerder aangehaalde informatie uit openbare bronnen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van een onevenredige hoeveelheid verdiensten die moest worden afgedragen door de prostituees. Dat zij de helft van het geld ontvingen, blijkt niet uit eisers verklaringen. Eiser heeft immers verklaard dat een klant 30 en soms 35 duizend dinar betaalde en de meisjes 10 tot 15 duizend dinar ontvingen. De ontvangst van 15 duizend dinar was, blijkens eisers verklaringen, niet afhankelijk van de hoogte van het bedrag dat door de klant werd betaald, maar enkel van het feit of het die avond druk was. Verweerder heeft zich daarom op goede gronden op het standpunt gesteld dat de hoeveelheid geld die de prostituees moesten afdragen de conclusie dat sprake is van seksuele uitbuiting alleen maar versterkt. De stelling ter zitting dat prostituees ook kost en inwoning in natura kregen leidt, los van het feit dat uit eisers verklaringen enkel blijkt dat zij in zijn woning verbleven, niet tot een ander oordeel gelet op het geringe percentage dat de prostituees van het door klanten betaalde geld ontvingen.

7.2.1

Eiser voert aan dat verweerder niet reageert op eisers stelling dat, met zijn antwoord op de vraag of vrouwen in het bordeel klanten mochten weigeren, werd beoogd aan te geven dat deze vrouwen ervaren prostituees waren die wisten wat het werk inhield en juist vanwege hun ervaring in directe onderhandeling met hun klanten konden bepalen wat zij zich wel en niet wilden laten welgevallen (zoals het gebruik van een condoom). Er was ook geen verbod op het weigeren van klanten. Tegen deze achtergrond ontbreekt een gemotiveerde grondslag aan de opvatting van verweerder dat er geen geloof wordt gehecht aan de stelling van eiser dat er sprake was van een gelijkwaardige onderhandelingspositie. Uit zijn verklaring dat de vrouwen geen smoesjes hoefden te verzinnen om weg te komen omdat eiser toch wel alles wist over haar en haar familie, kan niet worden opgemaakt dat controle werd uitgeoefend. Eiser heeft verklaard dat de vrouwen konden stoppen en vertrekken wanneer zij dat wilden. Met “geen smoesjes verzinnen” bedoelt eiser dat de vrouwen hem, tegen de achtergrond van hun keuze om met werk te stoppen en te vertrekken, hun echte vertrekmotieven konden vertellen zonder dat dit voor hen repercussies met zich mee zou brengen. Verweerder heeft hier het relaas van eiser negatief ingekleurd. Ook kon eiser niets ten nadele van een vrouw verrichten met een kopie van een paspoort.

7.2.2

Verweerder heeft zich (samengevat) op het standpunt gesteld dat de opmerking van eiser dat de jonge vrouwen die voor hem werkten geen smoesjes hoefden te verzinnen om weg te komen, omdat eiser toch wel alles wist over haar en haar familie en het feit dat hij een kopie van een paspoort in handen had van een van de dames, past binnen het beeld dat eiser een zekere mate van controle uitoefende op het handelen van de vrouwen. Ook hadden zij geen mogelijkheid om bepaalde werkzaamheden dan wel seksuele handelingen te weigeren en moesten zij datgene doen wat de klant wilde. Eiser heeft ook verklaard dat het niet mogelijk was dat een vrouw haar klant niet wilde omdat het haar werk was en dat zij waren gekomen om dit werk te doen en niet om te kiezen en te zeggen dat zij daar niet van hielden.
Gelet op de positie van deze vrouwen, die als kwetsbaar moet worden bestempeld, wordt aan de stelling dat sprake was van een gelijkwaardige onderhandelingspositie geen geloof gehecht. Uit de bewoordingen van eiser in het aanvullend gehoor over onder meer de omstandigheid dat de meisjes die wilden stoppen eerst [naam 3] moesten bellen, zodat eiser zijn geld terug kon krijgen, kan worden afgeleid dat hij in een positie verkeerde waarin hij macht over deze vrouwen kon uitoefenen. Zo had eiser naar eigen zeggen ook “methodes” om te voorkomen dat de vrouwen het bordeel zouden verlaten. Daarnaast verbleven de vrouwen constant in de woning van eiser en sliepen zij ook daar.

7.2.3

De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft tijdens het aanvullend gehoor als volgt verklaard over de mogelijkheid van het weigeren van een klant door een meisje (pagina 8):

“Kwam het wel eens voor dat een meisje een klant niet wilde hebben?
Dat kan niet.
Hoe bedoelt u?
Dat is haar werk.
Mochten zij geen klanten weigeren?
Het is niet zo dat het niet mocht, maar zij waren gekomen om dit werk te doen en niet om te kiezen en te zeggen “daar houd ik van en daar houd ik niet van”, zij waren gekomen om te werken en niet om keuzes te maken. Als zij bij ons kwamen, hoefde ik ze niet in te werken of het werk aan te leren, zij waren ervaren en wisten wat ze te wachten stond.”
Uit deze verklaringen blijkt naar het oordeel van de rechtbank - anders dan eiser meent - niet dat de prostituees klanten konden weigeren.

Op pagina 12 van het aanvullend gehoor heeft eiser als volgt verklaard over het beëindigen van het werk als prostituee:

“U vertelde eerder dat zij soms de deur uitgingen. Hoe ging dit dan, moesten ze het aankondigen en ging iemand met ze mee?
Als een meisje naar buiten wilde gaan, dan kwamen ze en vertelde ze dat. Ik hoefde niet iemand mee te sturen, want als zij weg wilde gaan, omdat zij het werk niet meer leuk vond, kon ze dat eerlijk zeggen en niemand hield haar tegen, zij kon gewoon stoppen. Zij hoefde niet een smoesje te verzinnen om weg te komen, want ik wist toch alles over haar en haar familie. Deze methode was trouwens niet nodig.”
De stelling van eiser, dat hieruit niet kan worden opgemaakt dat eiser controle uitoefende en dat eiser hiermee bedoelde dat zij hun werkelijke motieven voor hun vertrek konden vertellen zonder dat dit voor hen repercussies met zich mee zou brengen, heeft verweerder op goede gronden niet aannemelijk geacht. Deze stelling is een nadere invulling van eisers verklaring die niet uit de verklaring zelf blijkt. Daarbij heeft verweerder ook kunnen meewegen dat uit eisers verklaringen tijdens het aanvullend gehoor (pagina 5) blijkt dat de prostituees zelf [naam 3] dienden te bellen als zij wilden stoppen, zodat eiser het geld dat hij aan [naam 3] had betaald kon terugkrijgen. Gelet op hun kwetsbare positie, kan worden geoordeeld dat dit een controlemiddel was dat er feitelijk toe leidde dat het voor de betrokken vrouw moeilijk was om te stoppen met het werk. Een ander controlemiddel was het feit dat de prostituees constant in eisers woning verbleven (ze hadden dus geen eigen verblijf waarin zij zich konden terugtrekken uit hun werk, inclusief hun werkgever) en hij aldus ook feitelijk controle over hen kon uitoefenen. Gelet op de zeer schrijnende positie van prostituees in Irak, zoals die blijkt uit de aangehaalde openbare bronnen, heeft verweerder dan ook op goede gronden geen waarde gehecht aan eisers stelling dat sprake was van een gelijkwaardige onderhandelingspositie, dat de prostituees direct konden onderhandelen met de klanten, dat zij ook klanten konden weigeren en dat zij konden vertrekken wanneer zij wilden.

7.3.1

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat sprake was van jonge vrouwen. Uit de door eiser genoemde geboortedata (1983, 1992, 1988/1989) blijkt dat geen sprake was van prostitutiewerkzaamheden door jonge meisjes. Deze leeftijden maken aannemelijk dat de in het bordeel werkzame vrouwen in hun professie ervaren waren.

7.3.2

Verweerder volgt eisers stelling dat het om ervaren prostituees ging niet. Uit eisers verklaringen volgt dat de leeftijd van de vrouwen niet duidelijk is en hieruit kan niet worden geconcludeerd dat zij als “ervaren” kunnen worden beschouwd. Dat het mogelijk zou gaan om ervaren prostituees, doet ook niet af aan de kwetsbaarheid van deze vrouwen. Feit blijft dat alleenstaande vrouwen in Irak als kwetsbaar moeten worden aangemerkt.

7.3.3

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de leeftijd van de vrouwen voor zover door eiser genoemd, niet zonder meer kan worden afgeleid dat het om ervaren prostituees ging. Maar zelfs als het zou gaan om ervaren prostituees, volgt daaruit niet dat daarom geen sprake was van vrouwen die kwetsbaar waren en die juist om die reden konden worden misbruikt, zoals ook uit de aangehaalde openbare bronnen blijkt. Hetgeen eiser aanvoert faalt daarom.

7.4.1

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat eiser niets heeft verklaard over toetsing van de vrijwilligheid van de vrouwen die zich voor het werk bij het bordeel aanmelden. Eiser verwijst naar zijn verklaring tijdens het gehoor van 2 juni 2016.

7.4.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser zich niet heeft verdiept in de situatie van deze vrouwen en/of is nagegaan of hun keuze voor de werkzaamheden vrijwillig was, hetgeen blijkt uit eisers verklaring dat hij geen vragen stelde aan de nieuwe meisjes. De opmerking, dat eiser toetste aan de vrijwilligheid en dat er daarom geen sprake kan zijn geweest van mensenhandel, wordt niet gevolgd. Het stellen van een enkele vraag doet niets af aan de kwetsbare positie van deze jonge vrouwen. Eiser stelde geen of slechts een enkele vraag aan de vrouwen die door [naam 3] werden geleverd vanuit diens club.

7.4.3

Eiser heeft tijdens het aanvullend gehoor van 2 juni 2016 (pagina 10) als volgt verklaard:

“U vertelde dat [naam 3] de meisjes voor u regelde. Als hij met een nieuw meisje naar u toe kwam, stelde u aan het meisje vragen?
Zoals wat?
Geen idee, gewoon vragen?
Nee, ik had geen vragen.
(…)
U gaf aan dat de meisjes het werk vrijwillig deden. Hoe weet u dit als u niet weet hoe [naam 3] de meisjes regelde en u de meisjes geen vragen stelde?
Wanneer ik het meisje bij [naam 3] ophaalde en andersom vroeg ik haar altijd of iemand haar had gedwongen en zij zei altijd nee. Als er een meisje was geweest dat werd gedwongen, was ik er niet aan begonnen en had ik haar niet meegenomen.”
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden de stelling dat eiser naging of de prostituees vrijwillig werkten, niet aannemelijk heeft geacht. Eiser heeft hierover immers in het aanvullend gehoor wisselend verklaard door enerzijds te verklaren dat hij geen vragen stelde en anderzijds dat hij wel de meisjes vroeg of zij gedwongen werden. De toelichting ter zitting dat eiser bedoelde dat hij geen vragen stelde als [naam 3] erbij was, maar dat hij later wel de vraag stelde als hij alleen was met het meisje, volgt de rechtbank niet nu dit een nadere invulling van eisers verklaring is die niet blijkt uit de verklaring zelf. Eiser heeft immers in het gehoor geantwoord: ik had geen vragen. Die verklaring is niet in de correcties en aanvullingen op het aanvullend gehoor gecorrigeerd dan wel nader toegelicht, hetgeen wel voor de hand had gelegen. Hetgeen eiser aanvoert, faalt daarom.

7.5.1

Eiser voert voorts aan dat verweerder ten onrechte aannemelijk acht dat de werkzaamheden van [naam 3] geen bemiddeling tussen de vrouwen en eiser betrof, maar handel in vrouwen. Verweerder noemt geen gegeven waaruit zou kunnen worden afgeleid dat van vrouwenhandel sprake was.

7.5.2

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser de handel in vrouwen door [naam 3] in stand heeft gelaten en mede mogelijk heeft gemaakt door het betalen van “bemiddelingskosten”. Daarbij blijkt ook uit algemeen openbare informatie dat nachtclubs in [plaatsnaam] juist een grote leverancier zijn voor vrouwen die worden geëxploiteerd in de seksindustrie en dat de meeste bordelen zowel bij prostitutie als mensenhandel betrokken zijn. De door eiser beschreven situatie past in dit beeld.

7.5.3

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de verklaringen van eiser (onder meer tijdens het aanvullend gehoor, pagina 4) blijkt dat hij [naam 3] betaalde om vrouwen voor hem te regelen. Het ging om bedragen van 1.000 tot 20.000 dollar per vrouw. Voorts blijkt uit de verklaringen van eiser dat [naam 3] de vrouwen vond in verschillende nachtclubs. Uit de door verweerder genoemde informatie blijkt dat onder meer sinds 2009 nachtclubs in [plaatsnaam] een grote leverancier zijn van jonge vrouwen. Deze vrouwen worden vervolgens seksueel geëxploiteerd, dan wel uitgebuit. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over het verkrijgen van vrouwen door zijn tussenpersoon uit de nachtclubs past binnen dat beeld.

7.6

Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich terecht op grond van eisers verklaringen op het standpunt heeft gesteld dat eiser misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van prostituees in Irak en bewust een situatie heeft gecreëerd waardoor hij macht en controle over de prostituees kon uitoefenen door middel van het toepassen van dwangmiddelen.

8. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit aan de hand van de informatie over Irak uit openbare bronnen en de verklaringen van eiser deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser de vrouwen die werkzaam waren in zijn bordeel seksueel heeft uitgebuit, zijnde het plegen van mensenhandel zoals bedoeld in artikel 273f Sr. Anders dan eiser meent, berust verweerders standpunt op een deugdelijke feitelijke grondslag.

9. Eiser heeft (samengevat) aangevoerd dat, omdat er met betrekking tot eiser geen sprake is van een misdrijf in de zin van 1(F) Vluchtelingenverdrag ook geen sprake kan zijn van knowing en personal participation.

9.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van knowing participation omdat eiser willens en wetens een bordeel heeft geëxploiteerd, terwijl hij zich ervan bewust was of had kunnen zijn dat de door hem verworven en tewerkgestelde vrouwen in een kwetsbare positie verkeerden, mede gelet op de cultuur van schaamte en de omstandigheid dat prostitutie strafbaar is. Tevens heeft verweerder zich op grond van de verklaringen van eiser tijdens de gehoren, terecht op het standpunt gesteld dat eiser zelf deze handelingen, zoals hiervoor besproken onder rechtsoverweging 6 en 7, heeft gepleegd, zodat sprake is van personal participation.

10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, zijnde een ernstig niet-politiek misdrijf als bedoeld in artikel 1(F), onder b, Vluchtelingenverdrag.

11. Verweerder heeft daarom terecht een inreisverbod aan eiser opgelegd voor de duur van tien jaar op grond van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c en d, Vw. Het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, is daarom ongegrond.

12. Nu het inreisverbod in stand blijft, heeft eiser geen belang bij een beoordeling van de gronden gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het beroep, voor zover gericht tegen die afwijzing, is daarom niet-ontvankelijk.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, ongegrond;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzitter, en mrs. N.O.P. Roché en I. de Greef, rechters, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2017.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.