Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9140

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
AWB 17/6064
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris, door te handelen zoals hij heeft gedaan, referent in een ‘Catch-22’-situatie heeft gebracht: als referent had gewacht met het doen van de mvv-aanvraag totdat hij een asielvergunning had, zou de staatssecretaris de aanvraag hebben afgewezen omdat hij op het moment van de mvv-aanvraag meerderjarig was, maar nu referent niet heeft gewacht en de mvv-aanvraag uit voorzorg eerder deed, werd hem tegengeworpen dat de aanvraag prematuur was en werd het moment van het bekendmaken van de asielaanvraag als peilmoment gekozen, met ook als resultaat: een afwijzing. Dat is, naar het oordeel van de rechtbank, niet juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/6064

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2017 in de zaak tussen

[eisers]

, eisers

(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Verheijen).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2016 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag die [referent] (referent) heeft gedaan tot afgifte van een “machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) – nareis asiel” aan zijn ouders (eisers) afgewezen. Het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 22 februari 2017 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Op 9 juni 2017 heeft de zitting bij de rechtbank plaatsgevonden. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ook is referent naar de zitting gekomen.

Overwegingen

Vooraf

1. De wetsartikelen die in deze uitspraak worden genoemd, zijn in de bijlage opgenomen.

Waar gaat het om in deze zaak?

2. Heel kort gezegd gaat het er in deze zaak om of de staatssecretaris de mvv nareis-aanvraag die referent als alleenstaande minderjarige voor zijn ouders heeft gedaan, mocht afwijzen op de grond dat referent inmiddels meerderjarig is geworden. Hieronder zal dat verder uiteen worden gezet.

3. Referent is geboren op [geboortedag] 1998 en heeft de Syrische nationaliteit. Eisers zijn de ouders van referent en hebben ook de Syrische nationaliteit. Referent is op 1 september 2015 zonder zijn ouders Nederland ingereisd. Op die dag heeft hij – voor zichzelf – een asielaanvraag ingediend. Die aanvraag is door de staatssecretaris niet meteen in behandeling genomen. Volgens de staatssecretaris had dat te maken met de op dat moment grote instroom van asielaanvragen. De achttiende verjaardag van referent naderde; op [geboortedag] 2016 zou hij meerderjarig worden. Omdat voor het doen van een nareis-aanvraag zoals referent die wilde doen voor zijn ouders, een wettelijk vereiste is dat de referent minderjarig is1, heeft referent vlak voor zijn verjaardag, op 29 december 2015, de mvv nareis-aanvraag voor zijn ouders ingediend.

4. Drie dagen later, op [geboortedag] 2016, is referent achttien jaar geworden. Zijn AA-procedure (asielprocedure) is gestart op 16 januari 2016. Bij besluit van 20 januari 2016 heeft referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen, geldig tot 1 september 2020. De asielvergunning is verleend met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2015 (de datum waarop hij de asielaanvraag deed).

5. Vervolgens heeft de staatssecretaris op 6 juli 2016 met het primaire besluit beslist op de mvv nareis-aanvraag voor referents ouders. De aanvraag werd afgewezen omdat referent op het moment dat de asielvergunning aan hem werd bekendgemaakt, al meerderjarig was en hij op dat moment niet meer voldeed aan het wettelijk vereiste van minderjarigheid. Bij het bestreden besluit heeft de staatssecretaris de afwijzing gehandhaafd. Daarin heeft de staatssecretaris overwogen dat referent niet, zoals wettelijk voorgeschreven2, de mvv nareis-aanvraag heeft ingediend binnen drie maanden nadat hij Nederland is ingereisd. Vervolgens heeft de staatssecretaris overwogen: “Overwogen wordt dat in de wet- en regelgeving staat dat de termijn van 3 maanden aanvangt op het moment van verlenen van de asielvergunning aan de hoofdpersoon en dus niet op het moment dat de aanvraag om nareis wordt ingediend. Daarom zal in geval van een prematuur ingediende nareisaanvraag moeten worden gekeken naar de leeftijd die de referent had op het moment van datum asielbeschikking.” Op de zitting heeft de gemachtigde van de staatssecretaris dit als volgt toegelicht. Omdat de mvv-aanvraag die referent deed, in wezen prematuur was (want ingediend voordat hem een asielvergunning was uitgereikt), is als peildatum genomen de datum van de bekendmaking (uitreiking) van de asielvergunning. Op die datum was referent meerderjarig. De staatssecretaris overweegt verder in het bestreden besluit dat nu referent meerderjarig is, hij niet meer kan worden gezien als alleenstaande minderjarige in de zin van de Gezinsherenigingsrichtlijn3 en in de zin van artikel 29, tweede lid en onder c van de Vw 2000, zodat zijn ouders niet in aanmerking komen voor verlening van een mvv nareis.

6. In beroep heeft referent onder meer aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte de datum van het bekendmaken van de asielvergunning als peilmoment voor het bepalen van de leeftijd van referent heeft genomen. Het peilmoment zou moeten zijn de datum van zijn binnenkomst in Nederland, namelijk 1 september 2015, toen hij nog zeventien was.

In dit verband verwijst de gemachtigde van eisers naar uitspraken van deze rechtbank waarin dat is geoordeeld.4

Het oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet goed heeft gemotiveerd5. Daartoe overweegt zij het volgende.

8. In eerdere zaken over soortgelijke kwesties als hier aan de orde heeft de staatssecretaris het standpunt ingenomen dat als peildatum moet worden genomen: de datum waarop de referent de mvv nareis-aanvraag doet. Daarbij verwees de staatssecretaris naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 20156. Onder meer deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat de staatssecretaris, door te verwijzen naar die Afdelingsuitspraak en zich op het standpunt te stellen dat de aanvraagdatum van de mvv bepalend is voor het antwoord op de vraag of referent een alleenstaande minderjarige is, niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de mvv nareis niet kan worden verleend7. In die zaken was de betreffende referent op de aanvraagdatum van de mvv achttien jaar.

9. In deze zaak heeft de staatssecretaris echter niet als standpunt ingenomen dat de aanvraagdatum van de mvv als peildatum moet worden genomen. Referent was ook niet, zoals in de in overweging 8 genoemde zaken wel het geval was, achttien op het moment dat hij de mvv-aanvraag deed; hij was toen nog zeventien. Juist omdat referent vreesde dat zijn aanvraag (zoals in die andere zaken) zou worden afgewezen op de grond dat hij meerderjarig was, heeft hij de mvv-aanvraag gedaan vlak voor het moment dat hij meerderjarig werd.

10. Anders dus dan in de in overweging 8 genoemde zaken heeft de staatssecretaris in deze zaak het standpunt ingenomen dat als peildatum moet worden genomen: de datum van het bekendmaken van de asielvergunning. Die bekendmaking heeft plaatsgevonden op 20 januari 2016, toen de asielvergunning aan referent werd uitgereikt. De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarop hij heeft gebaseerd dat de datum van bekendmaking van de asielvergunning als peilmoment moet worden genomen, en ook op de zitting heeft diens gemachtigde daarover geen duidelijkheid kunnen bieden. Waarom de staatssecretaris dus, anders dan in de in overweging 8 genoemde zaken en jurisprudentie, zich hier niet op het standpunt stelt dat het peilmoment de aanvraagdatum van de mvv is, maar dat het peilmoment de datum van bekendmaking van de asielvergunning is, is mistig gebleven.

11. De staatssecretaris heeft wel verwezen naar artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 en gezegd dat alleen een vreemdeling die in het bezit is van een asielvergunning, een mvv nareis-aanvraag kan doen. Omdat referent op het moment dat hij de mvv-aanvraag deed, nog niet in het bezit was van een asielvergunning, was zijn mvv-aanvraag prematuur, zo stelt de staatssecretaris. Om die reden heeft de staatssecretaris, zo zegt hij, als peilmoment genomen de datum van de bekendmaking van de asielvergunning. De rechtbank verwerpt dat standpunt. De asielvergunning is immers met terugwerkende kracht tot 1 september 2015 (de datum waarop referent de asielaanvraag deed) verleend. Dat betekent dus dat referent op het moment dat hij de mvv-aanvraag deed (29 december 2015) – achteraf bezien – beschikte over een asielvergunning. Het standpunt van de staatssecretaris dat referent de mvv-aanvraag prematuur deed, is dan ook niet juist: referent moet vanwege die terugwerkende kracht worden geacht te hebben beschikt over een asielvergunning op het moment dat hij de mvv-aanvraag deed. Op dat moment was hij minderjarig en dus een alleenstaande minderjarige in de zin van de Gezinsherenigingsrichtlijn en in de zin van artikel 29, tweede lid en onder c van de Vw 2000. Om diezelfde reden faalt ook het (pas) op de zitting gedane beroep van de gemachtigde van de staatssecretaris op artikel 3, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. In dat artikel staat dat die richtlijn niet van toepassing is als de gezinshereniger om erkenning als vluchteling verzoekt en daarop nog geen beslissing is genomen. Ook hier geldt dat referent vanwege de terugwerkende kracht die aan zijn asielvergunning is toegekend, moet worden geacht daarover te hebben beschikt op het moment dat hij de mvv-aanvraag deed en er dus op dat moment wel degelijk een beslissing op zijn verzoek was genomen.

12. Bij dit alles komt nog het volgende. Referent heeft op de dag van zijn inreis in Nederland een asielaanvraag ingediend. Pas viereneenhalve maand later, op 16 januari 2016, heeft de staatssecretaris een begin gemaakt met de asielprocedure. In de tussentijd is de asielaanvraag dus blijven liggen, maar zag referent wel aankomen dat hij binnenkort achttien zou worden en dus alleen al om die reden volgens het standpunt van de staatssecretaris een mvv nareis-aanvraag zou worden afgewezen. Referent heeft daarom kort voor zijn verjaardag de mvv-aanvraag ingediend, ook al was hij nog niet in het bezit van een asielvergunning. Vervolgens heeft de staatssecretaris die aanvraag afgewezen omdat referent op de dag van het bekendmaken van de asielvergunning meerderjarig was. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris, door te handelen zoals hij heeft gedaan, referent in een ‘Catch-22’-situatie heeft gebracht: als referent had gewacht met het doen van de mvv-aanvraag totdat hij een asielvergunning had, zou de staatssecretaris de aanvraag hebben afgewezen omdat hij op het moment van de mvv-aanvraag meerderjarig was, maar nu referent niet heeft gewacht en de mvv-aanvraag uit voorzorg eerder deed, werd hem tegengeworpen dat de aanvraag prematuur was en werd het moment van het bekendmaken van de asielaanvraag als peilmoment gekozen, met ook als resultaat: een afwijzing. Dat is, naar het oordeel van de rechtbank, niet juist. Het is referent immers niet aan te rekenen dat zijn asielaanvraag zodanig lang is blijven liggen dat hij zich vanwege het naderen van zijn achttiende verjaardag genoodzaakt zag de mvv-aanvraag te doen voordat hij in bezit van een asielvergunning was.

13. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers niet in aanmerking komen voor de aangevraagde mvv. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De staatssecretaris wordt opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van eisers.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris aan eisers het door hun betaalde griffierecht vergoedt.

15. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eisers gemaakte proceskosten. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,– (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, € 495,– per punt).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;

- draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 168,– aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 990,–.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, rechter, in aanwezigheid van drs. W. Smeding, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE WETTELIJK KADER

RICHTLIJN 2003/86/EG VAN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging

Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

(…)

f) „alleenstaande minderjarige”: een onderdaan van een derde land of een staatloze jonger dan 18 jaar die zonder begeleiding van een krachtens de wet of het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene op het grondgebied van een lidstaat aankomt, zolang hij niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke volwassene staat, of een minderjarige die zonder begeleiding wordt achtergelaten nadat hij op het grondgebied van de lidstaat is aangekomen.

Artikel 3

1. Deze richtlijn is van toepassing wanneer de gezinshereniger wettig in een lidstaat verblijft, in het bezit is van een door een lidstaat afgegeven verblijfstitel met een geldigheidsduur van één jaar of langer en reden heeft om te verwachten dat hem een permanent verblijfsrecht zal worden toegekend, indien de leden van zijn gezin onderdanen van een derde land met ongeacht welke status zijn.

2. Deze richtlijn is niet van toepassing indien de gezinshereniger:

a. a) om erkenning als vluchteling verzoekt en over wiens verzoek nog geen definitief besluit is genomen;

b) toestemming heeft in een lidstaat te verblijven uit hoofde van tijdelijke bescherming, of die op dezelfde grond toestemming om te verblijven heeft aangevraagd en een beslissing aangaande zijn status afwacht;

c) toestemming heeft in een lidstaat te verblijven uit hoofde van subsidiaire vormen van bescherming, overeenkomstig internationale verplichtingen, nationale wetgevingen of in de lidstaten gebruikelijke praktijken, of die op dezelfde grond toestemming om te verblijven heeft aangevraagd en een beslissing aangaande zijn status afwacht.

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 29, tweede lid en onder c

2 Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

(…)

c. de ouders van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PbEU 2003, L 251).

Artikel 29, vierde lid

4 De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, kan eveneens worden verleend aan een gezinslid als bedoeld in het tweede lid, dat slechts niet uiterlijk binnen drie maanden is nagereisd nadat aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 is verleend, indien binnen die drie maanden door of ten behoeve van dat gezinslid een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 7:12, eerste lid

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.

1 Artikel 2, onder f, van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (Gezinsherenigingsrichtlijn) en artikel 29, eerste lid en onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) (zie bijlage).

2 Artikel 29, vierde lid, van de Vw 2000 (zie bijlage).

3 Artikel 2, onder f van de Gezinsherenigingsrichtlijn (zie bijlage).

4 Rechtbank Den Haag, uitspraken van 26 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4713 en ECLI:NL:RBOBR:2016:6162 (nog niet gepubliceerd).

5 Artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de Awb (zie bijlage).

6 www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:RVS:2015:3712.

7 Zie de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, 16 augustus 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:9985, zittingsplaats Roermond, 26 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4713, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, 7 november 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:6162 (nog niet gepubliceerd).