Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9138

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
C/09/525988 / KG ZA 17/117
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Onrechtmatige overheidsdaad. Vordering verbod tenuitvoerlegging lijfsdwang ivm ontnemingsmaatregel. Eiser wordt in zijn vorderingen niet-ontvankelijk verklaard omdat er een andere rechtsgang voorhanden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/525988 / KG ZA 17/117

Vonnis in kort geding van 9 maart 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , thans verblijvende in PI [PI] te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.M.J.P. Penners te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (meer speciaal het Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. I.C. Engels te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 1 maart 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

[eiser] heeft ter zitting zijn vordering gewijzigd, in die zin dat hij thans vordert dat de Staat wordt geboden de lopende hechtenis op te schorten om hem in de gelegenheid te stellen zijn schuldsaneringstraject (in plaats van zijn schuldhulpverleningstraject) op een adequate wijze uit te voeren. De Staat heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging. Gelet hierop en omdat de eiswijziging zeer beperkt is, zal de voorzieningenrechter de eiswijziging – hoewel deze niet zoals voorgeschreven in het Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel / familie (bij voorkeur voor de terechtzitting) schriftelijk is medegedeeld – toelaten.

1.3.

Ter zitting is vonnis bepaald op 15 maart 2017. Het vonnis is heden, bij vervroeging, uitgesproken.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] maakt sinds 2011 gebruik van budgetbeheer van de Kredietbank Limburg. Verzoeken van [eiser] om in aanmerking te komen voor schuldhulpverlening en om toegelaten te worden tot een schuldsaneringstraject zijn in 2011 afgewezen.

2.2.

Bij vonnis (in de strafzaak) van 2 mei 2014 heeft de rechtbank Limburg, locatie Roermond [eiser] veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur (subsidiair 40 dagen hechtenis) wegens het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder B en onder C van de Opiumwet en diefstal. Bij vonnis (in de ontnemingszaak) van dezelfde datum heeft de rechtbank Limburg, locatie Roermond een ontnemingsmaatregel opgelegd, waarbij de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat heeft vastgesteld op € 55.688,06 en [eiser] is verplicht tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij door middel van strafbare feiten heeft verkregen.

2.3.

Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) is belast met de executie van ontnemingsmaatregelen.

2.4.

Tijdens de opsporingsfase is er conservatoir beslag gelegd op een aantal goederen van [eiser] , ter bewaring van het recht tot verhaal. Deze goederen zijn vervreemd voor een bedrag van € 4.990,34 en met instemming van [eiser] is dit bedrag aangewend voor gedeeltelijke betaling van de ontnemingsmaatregel.

2.5.

Op 13 november 2014 heeft het CJIB [eiser] aangeschreven en verzocht het restant bedrag (na uitwinning van het conservatoir beslag) te voldoen. Op deze aanschrijving heeft [eiser] niet gereageerd, waarna het CJIB hem op 30 december 2014 een herinnering heeft gezonden. Ook hierop heeft [eiser] niet gereageerd.

2.6.

Op 18 juni 2015 heeft de officier van justitie op grond van artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een vordering tot het verlenen van verlof tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang voor de duur van 540 dagen ingediend bij de raadkamer van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht. Dit verzoek is op 15 maart 2016 ter zitting behandeld en bij beschikking van 29 maart 2016 is het gevorderde verlof verleend, met bepaling van de duur van de lijfsdwang op 540 dagen.

2.7.

Na een aanvraag in augustus 2016 is [eiser] toegelaten tot het schuldhulpverleningstraject van de Kredietbank Limburg. Op 20 december 2016 heeft [eiser] een overeenkomst tot schuldregeling en een stabilisatieovereenkomst ondertekend.

2.8.

Op 28 december 2016 is een aanhoudingsbevel lijfsdwang door het CJIB uitgevaardigd en [eiser] ondergaat sinds 3 januari 2017 de lijfsdwang. De einddatum van zijn detentie is voorzien op 27 juni 2018.

2.9.

Volgens een schuldenoverzicht van Kredietbank Limburg van 5 januari 2017 bedraagt de totale schuldenlast van [eiser] € 259.466,19. De ontnemingsmaatregel is in dit overzicht voor een (geschat) bedrag van € 50.697,72 in aanmerking genomen.

2.10.

Kredietbank Limburg heeft de schuldeisers van [eiser] een betalingsvoorstel gedaan. Het CJIB heeft bij brief van 10 februari 2017 aan de Kredietbank Limburg het betalingsvoorstel afgewezen. Naast het CJIB heeft/hebben (een) andere schuldeiser(s) van [eiser] bericht niet in te stemmen met het betalingsvoorstel, waardoor het niet mogelijk is via een minnelijk traject tot een regeling met de schuldeisers te komen. [eiser] wil gebruik gaan maken van de schuldsaneringsregeling.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven –:

i) de Staat te verbieden om de thans lopende hechtenis verder te executeren;

ii) de Staat te gebieden om de uitvoering van de thans lopende hechtenis op te schorten om [eiser] in de gelegenheid te stellen zijn schuldsaneringstraject op een adequate wijze uit te voeren;

iii) [eiser] per direct, althans binnen één dag na dit vonnis, in vrijheid te stellen;

alles op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [eiser] is niet onwillig de ontnemingsmaatregel te betalen, maar heeft niet de financiële middelen om de vordering in een keer of in termijnen te kunnen betalen. [eiser] verkeert in een moeizame financiële situatie, sinds zijn voormalig partner in 2008 de gezamenlijke woning plotseling heeft verlaten en [eiser] ineens alle lasten (waaronder twee hypotheken) alleen moest betalen. Om de financiële problemen op te lossen is [eiser] uit wanhoop een hennepkwekerij gestart in zijn woning, waarvoor hij uiteindelijk veroordeeld is. [eiser] is overspannen en depressief geraakt, is tijdelijk dakloos geweest en heeft een langdurige ontsteking in zijn alvleesklier, waarvoor hij medicatie ontvangt. [eiser] heeft zich gemeld bij de Kredietbank Limburg om geholpen te worden bij zijn schuldenproblematiek. [eiser] ontvangt een AOW-uitkering en een klein bedrag aan Duitse rente. De AOW-uitkering zal eindigen na een maand hechtenis. Dan zal ook het schuldhulpverleningstraject van de Kredietbank Limburg eindigen, omdat daar zonder inkomsten geen uitvoering aan gegeven kan worden. Bovendien komen de lopende huurbetalingen dan in het geding, waardoor [eiser] wederom dakloos kan raken.

3.3.

De Staat handelt onrechtmatig jegens [eiser] door hem in hechtenis te nemen. De oplossing voor de schuldenproblematiek van [eiser] wordt door de vervangende hechtenis nagenoeg onmogelijk, terwijl [eiser] en zijn hulpverleners hard hebben gewerkt om het schuldhulpverleningstraject van de grond te krijgen.

3.4.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven.

4.2.

Het meest verstrekkende verweer van de Staat houdt in dat [eiser] niet in zijn vorderingen kan worden ontvangen, omdat voor hem met voldoende waarborgen omklede andere rechtsgangen openstaan die de weg naar de voorzieningenrechter afsluiten. De voorzieningenrechter volgt de Staat in dit standpunt en overweegt daartoe als volgt.

4.3.

Op grond van artikel 577b lid 2 Sv kan [eiser] de rechter die de ontnemingsmaatregel heeft opgelegd verzoeken het bedrag van de ontnemingsmaatregel te verminderen of kwijt te schelden. Daarnaast kan [eiser] op grond van artikel 577c lid 7 Sv de strafrechter verzoeken de lijfsdwang op te heffen. [eiser] kan (een van) deze procedures benutten om de door hem gestelde betalingsonmacht en nadelige gevolgen van de lijfsdwang aan de strafrechter voor te leggen. Deze procedures zijn (in beginsel) met voldoende waarborgen omkleed en sluiten de weg naar de burgerlijke rechter af.

4.4.

[eiser] heeft tegen het standpunt van de Staat over zijn ontvankelijkheid ingebracht dat voormelde procedures voor hem geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgangen zijn, omdat hij zich in die procedures moet wenden tot de rechter die – zeer recent nog – heeft geoordeeld over de gevorderde lijfsdwang en in die procedure een (hard) standpunt heeft ingenomen over de geloofwaardigheid van [eiser] met betrekking tot de door [eiser] gestelde betalingsonmacht. Dit verweer baat [eiser] niet. In de wet is uitdrukkelijk bepaald dat de verzoeken om de ontnemingsmaatregel en/of gijzeling aan te tasten moeten worden voorgelegd aan de rechter die deze heeft opgelegd. Zonder nadere, concrete motivering – die achterwege is gebleven – valt niet in te zien waarom die procedures geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang zouden opleveren. De enkele omstandigheid dat de betreffende rechter in het verleden ten nadele van [eiser] heeft beslist is daarvoor volstrekt ontoereikend.

4.5.

Slotsom van het vorenstaande is dat [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vorderingen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

5.2.

veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat [eiser] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2017.

idt