Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9089

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1823
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand ingetrokken in verband met schending inlichtingenplicht door gezamenlijke huishouding. Rechtbank acht gezamenlijke huishouding aanwezig, maar verweerder slaagt er niet in om schending inlichtingenplicht aan te tonen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/1823

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [persoon A] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder de over de periode van [geboortedatum kind] 2015 tot en met 2 augustus 2016 verstrekte bijstandsuitkering tot een bedrag van € 8.579,75 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 19 december 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder het primaire besluit I herzien, de uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode van [geboortedatum kind] 2015 tot en met 2 augustus 2016 ingetrokken en het terugvorderingsbesluit in stand gelaten.

Bij besluit van 2 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres ontvangt sinds 7 augustus 2012 bijstand naar de norm alleenstaande ouder. Ze heeft op 17 april 2015 aan verweerder doorgegeven dat ze in november 2015 een kind verwacht van [persoon A] (partner), maar dat ze geen relatie hebben. Eiseres heeft op 3 juni 2016 aan verweerder gemeld dat zij een relatie heeft met haar partner en zij naar verwachting in april 2017 zullen trouwen en samenwonen. Naar aanleiding hiervan is verweerder een onderzoek naar de situatie van eiseres gestart. De uitkomst van dit onderzoek is vastgelegd in een rapport van 8 augustus 2016.

2. Eiseres heeft op 3 augustus 2016 verweerder verzocht de bijstandsuitkering te beëindigen. Verweerder heeft daarom bij besluit van 3 augustus 2016 het recht op bijstand met ingang van die datum beëindigd.

3. Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde onderzoek bij het primaire besluit I de over de periode [geboortedatum kind] 2015 tot en met 2 augustus 2016 verstrekte bijstandsuitkering teruggevorderd. Eiseres is hiertegen in bezwaar gegaan.

4. Verweerder heeft vervolgens in bezwaar geconstateerd dat er ten onrechte geen intrekkingsbesluit is genomen. Gelet hierop heeft verweerder bij het primaire besluit II het eerdere primaire besluit I herzien in die zin dat de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van [geboortedatum kind] 2015 tot en met 2 augustus 2016 wordt ingetrokken en het terugvorderingsbesluit in stand wordt gelaten.

5. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar gericht tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat sprake was van een gebrekkig terugvorderingsbesluit doordat er geen intrekkingsbesluit is genomen. Verweerder heeft dit gebrek tijdig hersteld bij het primaire besluit II en het recht op bijstand alsnog ingetrokken. De grondslag voor de intrekking vormt schending van de inlichtingenplicht doordat eiseres niet heeft gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voert met haar partner. Op [geboortedatum kind] 2015 hebben eiseres en haar partner een kind gekregen, zodat het rechtsvermoeden geldt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding als zij hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat uit het voornoemde onderzoek is gebleken dat eiseres vanaf [geboortedatum kind] 2015 het hoofdverblijf heeft in de woning van haar partner aan de [adres] te [woonplaats] . Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de intrekking terecht is, zodat verweerder terecht de verstrekte bijstand heeft teruggevorderd.

6. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – kort samengevat weergegeven en voor zover relevant – aangevoerd dat zij wel degelijk de inlichtingenplicht is nagekomen. Ze heeft meerdere malen contact opgenomen met verweerder om inlichtingen te verstrekken en verweerder heeft ten onrechte niet van ieder contact een notitie gemaakt. Eiseres heeft meerdere malen contact gehad met [persoon B] , haar consulent. Eiseres stelt dat zij en haar partner een proefperiode hebben gehad om een relatie op te bouwen met haar partner. Dit is ook doorgegeven aan de consulent en zij is van mening dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Eiseres betwist dat zij een fraudeur is. Ze geeft echter toe dat ze fouten heeft gemaakt en is bereid om de ten onrechte verstrekte bijstand vanaf 20 mei 2016 terug te betalen, nu dit de datum is waarop eiseres en haar partner zijn gaan samenwonen.

7. De rechtbank heeft uit de beroepsgronden en ter zitting begrepen dat eiseres verweerder kwalijk neemt dat zij als fraudeur wordt gezien en er een boete is opgelegd. Voor zover de rechtbank bekend is, is er echter geen boete opgelegd; een boete is in het onderhavige beroep ook niet aan de orde.

8. Eiseres heeft betwist dat zij vanaf [geboortedatum kind] 2015 een gezamenlijke huishouding voert met haar partner. Uit artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw volgt dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander. Het staat vast dat uit de relatie tussen eiseres en haar partner op [geboortedatum kind] 2015 een kind is geboren. In geschil is daarom de vraag of eiseres vanaf [geboortedatum kind] 2015 haar hoofdverblijf had in de woning van haar partner en dit ten onrechte niet heeft gemeld bij verweerder.

Nu eiseres heeft erkend dat zij vanaf 20 mei 2016 samenwoont met haar partner (en daarmee een gezamenlijke huishouding met hem voert) is de periode in geding in het onderhavige geval de periode van [geboortedatum kind] 2015 tot en met 19 mei 2016.

9.1

De rechtbank stelt voorop dat het hebben van het hoofdverblijf een juridische kwalificatie betreft. Deze juridische kwalificatie kan afwijken van het gevoel en de intenties van eiseres. Dit betekent dat eiseres haar hoofdverblijf in het kader van de Pw op een ander adres kan hebben, dan zij zelf veronderstelt te hebben.

9.2

De rechtbank is van oordeel dat eiseres vanaf [geboortedatum kind] 2015 haar hoofdverblijf heeft bij haar partner. Hiertoe zijn voor de rechtbank redengevend de verklaringen van eiseres en haar partner ter zitting dat zij vanaf de bevalling heeft verbleven in de woning van haar partner, zodat het hoofdverblijf in de woning van haar partner vanaf de bevalling hiermee vast staat. Deze situatie is ongewijzigd gebleven tot na de kerst van 2015. Eiseres is – zo stelt zij – na de kerst weer teruggegaan naar haar eigen woning. De rechtbank is echter van oordeel dat zij desondanks ook na de kerst het hoofdverblijf in de woning van haar partner had. Het procesdossier bevat naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanknopingspunten voor deze conclusie. Zo heeft eiseres op 3 augustus 2016 verklaard dat ze vanaf [geboortedatum kind] 2015 vier dagen per week in de woning van haar partner verbleef en drie dagen in haar eigen woning, dat ze geen sociaal leven had in haar eigen woning en hoofdzakelijk verbleef op het adres van haar partner. Hier komt nog bij dat uit een buurtonderzoek van 27 juli 2016 en 1 augustus 2016 bij de woning van eiseres is gebleken dat eiseres en haar kinderen al meer dan één jaar niet meer bij haar woning door de buren werden gezien . Al deze feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, leiden naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat vanaf [geboortedatum kind] 2015 het zwaartepunt van het persoonlijk leven van eiseres zich bevindt in de woning van haar partner.

9.3

Het voorgaande brengt met zich dat een gezamenlijke huishouding aanwezig wordt geacht. De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres zo dat zij stelt geen gezamenlijke huishouding te hebben, omdat zij en haar partner de relatie eerst wilden opbouwen en daarna gedurende een proefperiode hebben samengewoond. De Pw biedt echter geen grondslag voor een dergelijke proef- of gewenningsperiode. In het geval van eiseres en haar partner is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw. Dit betekent dat een gezamenlijke huishouding wordt geacht aanwezig te zijn. Dit vermoeden staat los van de wil en de intenties van eiseres. Het betoog van eiseres slaagt niet.

9.4

Het voorgaande brengt met zich mee dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.

10.1

Vervolgens is aan de orde de vraag of eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden. Het onderwerp van het beroep is een intrekkingsbesluit. Dit is een voor eiseres belastend besluit, zodat verweerder moet aantonen dat voldaan is aan de voorwaarden voor intrekking. Het is derhalve aan verweerder om aan te tonen dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden.

10.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit bewijs niet is geslaagd. In het procesdossier zijn slechts twee telefoonnotities aanwezig. Eiseres heeft daartegenover gesteld dat zij bij iedere wijziging telefonisch contact heeft opgenomen met haar consulent en deze stelling onderbouwd met een overzicht van alle door haar gebelde telefoonnummers in de periode van november 2015 tot en met juli 2016. Uit dit overzicht volgt dat eiseres in deze periode regelmatig het algemeen nummer van de gemeente Leidschendam-Voorburg heeft gebeld. Weliswaar volgt daaruit niet direct dat eiseres contact heeft opgenomen met haar consulent, maar de rechtbank acht hiermee – en gelet op de uitvoerige en gedetailleerde verklaringen van eiseres ter zitting – aannemelijk dat eiseres regelmatig contact opnam met verweerder in verband met wijzigingen in haar situatie. Verweerder heeft niet van ieder contactmoment een telefoonnotitie gemaakt, dan wel de (inhoud van de) binnenkomende gesprekken op een andere wijze vastgelegd. Hierdoor is onduidelijk wat eiseres tijdens de telefoongesprekken heeft doorgegeven; dit kan ook achteraf niet meer worden vastgesteld. De gevolgen hiervan komen – gelet op de bewijslast – voor rekening van verweerder. Hierbij acht de rechtbank nog van belang dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard dat de consulent niet betwist dat er contact is geweest tussen eiseres en hem, maar dat eiseres bij die contacten de gewijzigde woonsituatie niet heeft gemeld. Deze enkele verklaring van verweerders gemachtigde is echter naar het oordeel van de rechtbank – gelet op het voorgaande – onvoldoende om aannemelijk te maken dat de inlichtingenplicht is geschonden, te meer nu een verklaring van de consulent zelf in het dossier ontbreekt en de consulent zich er – blijkens een van de twee telefoonnotities – ook geen rekenschap van lijkt te hebben gegeven dat eiseres en haar partner samen een kind hadden, hetgeen bij die consulent bekend was, zodat sinds de geboorte van belang was of eiseres haar hoofdverblijf had bij haar partner en niet zozeer of zij een gezamenlijke huishouding hadden. Ook die onduidelijkheid moet voor rekening van verweerder blijven.

10.3

Uit het voorgaande volgt dat eiseres de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Eiseres treft dus ook geen verwijt.

10.4

Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Dit leidt echter niet tot de uitkomst dat de terugvordering ongedaan wordt gemaakt. De rechtbank ziet namelijk aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat het wegvallen van de schending van de inlichtingenplicht geen andere rechtsgevolgen met zich meebrengt. De grondslag van de intrekking heeft verweerder gelet op het voorgaande ten onrechte gebaseerd op artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Pw. Aangezien geen sprake was van schending van de inlichtingenplicht had verweerder de intrekking moeten baseren op grond van artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de Pw. Deze wijziging van grondslag kan gevolgen hebben voor de terugvordering, maar eiseres heeft tegen de terugvordering als zodanig geen beroepsgronden gericht, zodat de wijziging van de grondslag in dit geval niet leidt tot andere rechtsgevolgen.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 6,28. De overige door eiseres genoemde kosten, te weten € 144,95, kosten van het beroep, en € 100,-, niet gewerkte uren, komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat dit geen kosten betreffen zoals genoemd in het Besluit proceskosten bestuursrecht en de gemachtigde van eiseres niet beroepsmatig rechtsbijstand verleent.

Beslissing

De rechtbank :

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 6,28.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.M.E. Schulmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
16 augustus 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de CRvB. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.