Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9072

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6641, SGR 15/6643, SGR 16/5635 en SGR 16/5638
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vastgestelde beoordeling houdt geen stand. Geen ROG's gedurende twee jaar. Nieuw ROG is een startgesprek. Periode van laatste leidinggevende is te kort om te kunnen beoordelen. Informatie oude leidinggevende blijft buiten beschouwing vanwege animositeit en omdat hij niet meer werkzaam is bij de universiteit. ROG heeft te kort na een stevig gesprek met een waarschuwing plaatsgevonden, waardoor onvoldoende gelegenheid is gegeven om houding en gedrag te verbeteren.

De op non-actief stelling 1 houdt stand. Na e-mailberichten van eiseres was deze maatregel een passend middel om de situatie niet verder te laten escaleren.

Het ontslag houdt stand vanwege onherstelbaar verstoorde verhoudingen met de laatste leidinggevende door een ernstige mismatch in de samenwerking tussen hem en eiseres. Herplaatsingsonderzoek was afdoende, eiseres heeft de mogelijkheden niet, althans onvoldoende, benut. Geen plusje, partijen hebben een even groot aandeel in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot ontslag heeft geleid.

De op non-actief stelling 2 houdt stand. Dit was een passend middel, gelet op de onherstelbaar verstoorde arbeidsverhoudingen, het inmiddels kenbaar gemaakte ontslagvoornemen en de mislukte pogingen om tot mediation te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 15/6641, SGR 15/6643, SGR 16/5635 en SGR 16/5638 AW

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 augustus 2017 in de zaken tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.R. Kamerling),

en

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Huijsmans).

Procesverloop

SGR 15/6641 AW

Bij besluit van 11 november 2013 (het primaire besluit 1) is de beoordeling van eiseres over de periode van 4 januari 2011 tot en met 30 mei 2013 vastgesteld.

Bij besluit van 4 augustus 2015 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

SGR 15/6643 AW

Bij besluit van 12 mei 2014 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiseres voor de duur van twee weken op non-actief gesteld.

Bij besluit van 4 augustus 2015 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

SGR 16/5635 AW

Bij besluit van 31 maart 2015 (het primaire besluit 3) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 juli 2015 ontslag verleend primair wegens onherstelbaar verstoorde verhoudingen en subsidiair wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de uitoefening van haar functie anders dan wegens ziekte of gebreken.

Bij besluit van 24 mei 2016 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

SGR 16/5638 AW

Bij besluit van 1 april 2015 (het primaire besluit 4) heeft verweerder eiseres met ingang van 11 maart 2015 tot 1 juli 2015 vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van salaris (hierna: de op non-actief stelling).

Bij besluit van 24 mei 2016 (het bestreden besluit 4) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De vier beroepen zijn ter zitting gevoegd behandeld op 20 mei 2017.

Eiseres is in persoon verschenen, vergezeld van haar echtgenoot [echtgenoot eiseres] en bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn van de zijde van verweerder verschenen [persoon A] , ten tijde hier van belang leidinggevende van eiseres, en [persoon B] , decaan.

Het onderzoek ter zitting is geschorst, teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen zich te beraden over de vraag of bij haar bereidheid bestaat te pogen in overleg met verweerder een oplossing te bereiken, met het uitgangspunt dat zij niet terugkeert naar de sectie [sectie] ( [sectie] ) bij het Instituut voor privaatrecht van de Universiteit Leiden (UL) en met als doel het vinden van een betrekking elders met hulp van de UL. .

Eiseres heeft bij brief van 9 mei 2017 te kennen gegeven dat partijen niet tot een schikking kunnen komen. Partijen hebben toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en partijen medegedeeld dat uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Eiseres was sedert 18 januari 1999 in dienst bij Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de UL, laatstelijk als universitair hoofddocent 1 (UHD 1) bij [sectie] .

1.3

De beoordelingen van eiseres tot 2011 zijn van voldoende niveau. Eiseres heeft de beoordeling van december 2009 alleen voor “gezien” getekend. De beoordeling van januari 2011 heeft zij geweigerd te ondertekenen.

1.4

Op 12 april 2013 heeft zij verzocht om overplaatsing naar de afdeling Europees Recht. In een gesprek op 26 april 2013 werd eiseres meegedeeld dat overplaatsing werd geweigerd. In dat gesprek op 26 april 2013, bevestigd bij brief van 16 mei 2013, is eiseres gewaarschuwd door [persoon C] (hierna: [persoon C] ), [functie] van het Instituut voor privaatrecht, haar houding en gedrag te verbeteren. Tevens is haar opgedragen een coachingstraject te volgen. Eiseres heeft deze coaching aanvaard.

1.5

Op 31 mei 2013 heeft een resultaats- en ontwikkelingsgesprek (ROG) tussen eiseres en [persoon A] (hierna: [persoon A] ), sedert 1 november 2012 leidinggevende van eiseres, plaatsgevonden. De beoordeling van eiseres over de periode 4 januari 2011 tot en met 31 mei 2013 is neergelegd in het Formulier ROG. Daarbij is gebruik gemaakt van informatie, ingewonnen bij de vorige leidinggevende van eiseres, [persoon D] (hierna: [persoon D] ). Het totaaloordeel van de beoordeling was 2 (verbetering is noodzakelijk). Eiseres heeft herziening daarvan verzocht. Nadat [persoon A] eiseres hierover op 8 juli 2013 had gehoord, heeft hij het herzieningsverzoek (met uitzondering van onderdeel B.5 over BKO) afgewezen. Hij heeft vervolgens de beoordeling conform artikel 8, negende lid, van de Regeling ROG UL ter vaststelling doorgezonden aan [persoon C] . Nadat laatstgenoemde eiseres op 15 oktober 2013 heeft gehoord, heeft hij namens verweerder op11 november 2013 bij het primaire besluit 1 de beoordeling ongewijzigd vastgesteld.

Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. De behandeling van dit bezwaar is in de eerste helft van 2014 meerdere keren aangehouden, omdat eiseres nog met de leiding van de faculteit in gesprek was over een mogelijke oplossing van het geschil.

1.6

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder eiseres in het belang van het goed functioneren van de sectie Privaatrecht met ingang van 13 mei 2014 tot 27 mei 2014 met toepassing van 6.15, eerste lid, sub c, CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU) op non-actief gesteld. Aanleiding daartoe vormden twee e-mails van 12 april 2014 van eiseres aan externe collegae ( [persoon E] , hierna: [persoon E] , en [persoon F] , hierna [persoon F] ), waarin volgens verweerder een onacceptabele stroom van beschuldigingen aan het adres van de leidinggevende en voormalig leidinggevende van eiseres werd geuit. Bij besluit van 26 mei 2014 heeft verweerder de op non-actiefstelling met vier weken verlengd. Eiseres heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Het besluit van 26 mei 2014 is bij besluit van 1 april 2015 ingetrokken.

1.7

Bij brief van 26 mei 2014 heeft verweerder tevens aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt haar ontslag te verlenen primair op grond van onherstelbaar verstoorde arbeidsverhoudingen (artikel 8.4, eerste lid, van de CAO NU) subsidiair onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de uitoefening van haar functie (artikel 8.4, zesde lid, van de CAO NU).

1.8

Vanaf 11 juli 2014 tot 11 maart 2015 was eiseres arbeidsongeschikt. In verband daarmee is de behandeling van de bezwaren aangehouden.

1.9

Op 24 juli 2014 heeft eiseres haar schriftelijke zienswijze op het voornemen tot ontslag gegeven. Daarin is onder meer vermeld dat een in toenemende mate onwerkbare situatie is ontstaan, die naar de mening van eiseres oplosbaar is, en is voorgesteld mediation in te zetten. Op 11 maart 2015 heeft eiseres mondeling haar zienswijze gegeven. In dit gesprek heeft eiseres zich hersteld gemeld.

1.10

In november 2014 is een mediationtraject gestart. Bij e-mail van 28 februari 2015 heeft eiseres aan de bezwarenadviescommissie gemeld dat de mediation niet van de grond is gekomen en dat de bezwaarprocedures worden voortgezet.

1.11

Bij het primaire besluit 3 is eiseres met ingang van 1 juli 2015 ontslag verleend primair wegens onherstelbaar verstoorde verhoudingen en subsidiair wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de uitoefening van haar functie anders dan wegens ziekte of gebreken. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.12

Bij besluit van 1 april 2015, hiervoor reeds vermeld onder 1.6, heeft verweerder het besluit tot verlenging van de op non-actiefstelling van eiseres ingetrokken.

1.13

Bij het primaire besluit 4 van eveneens 1 april 2015 heeft verweerder eiseres met ingang van 11 maart 2015 tot 1 juli 2015 met toepassing van 6.15, eerste lid, sub c, CAO NU vrijgesteld van werkzaamheden/op non-actief gesteld. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.

1.14

Eind 2015 is er nog een tweede poging geweest om een mediationtraject op te starten. Bij e-mail van 18 december 2015 heeft de toenmalig gemachtigde van eiseres laten weten dat partijen hierin niet zijn geslaagd.

1.15

Bij de bestreden besluiten 1, 2, 3 en 4 heeft verweerder de primaire besluiten 1, 2, 3 en 4 gehandhaafd.

De beoordeling

2.1

Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder, in afwijking van het advies van de bezwarenadviescommissie, de beoordeling gehandhaafd. Daaraan heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wijze waarop de datumbepaling van het ROG, 31 mei 2013, tot stand is gekomen niet afdoet aan de rechtmatigheid van het ROG en de daaruit voortvloeiende beoordeling. Verweerder acht het feit dat de beoordeling een periode van meer dan twee jaar en vier maanden beslaat, hetgeen in beginsel in strijd is met de regel dat ieder jaar een beoordeling plaatsvindt, verschoonbaar. Eiseres heeft bovendien, zo stelt verweerder, niet herhaaldelijk gevraagd om een ROG en zij heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het uitblijven daarvan. Voorts stelt verweerder dat de in 2011 gemaakte afspraken op juiste wijze zijn vermeld in het beoordelingsformulier, naar welke afspraken eiseres haar functie ook daadwerkelijk heeft vervuld. De beoordeling van het functioneren van eiseres op 2 (matig, verbetering is noodzakelijk) berust op juiste gronden. Deze beoordeling heeft geen betrekking op haar inhoudelijk functioneren, maar berust in hoofdzaak op haar houding en gedrag.

Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres geen extra taken heeft vervuld in de periode na het vertrek van [persoon D] en voor de komst van [persoon A] . Eiseres heeft geen andere taken verricht dan tot haar reguliere taken van UHD 1 behoren. Evenmin heeft zij opdracht gekregen taken over te nemen van de vertrekkende hoogleraar. Er was derhalve geen aanleiding rekening te houden met extra werkzaamheden.

2.2

Eiseres is het met dit besluit niet eens. De door eiseres aangevoerde gronden worden hierna besproken.

2.3.1

Met betrekking tot de stelling van eiseres dat zij wegens een conferentie in Parijs, die van belang was voor haar werk, was verhinderd voor het ROG op 31 mei 2013 en dat [persoon A] ten onrechte heeft geweigerd de datum te verzetten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit niet afdoet aan de geldigheid van de beoordeling, nu het ROG op 31 mei 2013 wel doorgang heeft gevonden. Bovendien blijkt uit de stukken dat deze datum reeds op 14 maart 2013 per e-mail aan eiseres was meegedeeld . Eiseres heeft hierop gereageerd met procedurele vragen, zonder te melden dat zij verhinderd was, hetgeen op haar weg had gelegen, nu zij stelt dat het bijwonen van de conferentie reeds lang van tevoren was gepland. In ieder geval kan niet worden gezegd dat eiseres onvoldoende in de gelegenheid is geweest zich voor te bereiden op het ROG.

2.3.2

Het betoog van eiseres dat verweerder geen verschoonbare reden heeft aangevoerd voor het feit dat tussen 4 januari 2011 en 31 mei 2013 geen ROG is gehouden en dat het ROG van 31 mei 2013 derhalve het karakter van een startgesprek (in de zin van het weer opstarten van regelmatig te houden ROG`s) had moeten hebben, slaagt.

De enkele omstandigheid dat de voormalig leidinggevende [persoon D] , zo volgt uit zijn op het verzoek om informatie opgestelde brief van 28 mei 2013, problemen verwachtte bij het houden van een ROG met eiseres is onvoldoende reden om van het houden van een ROG af te zien, nu de regelgeving voorschrijft dat jaarlijks een ROG dient plaats te vinden. De verwachting van [persoon D] dat een te houden ROG contraproductief zou werken is evenmin voldoende reden om van een ROG af te zien, omdat het houden van een ROG nu eenmaal het gekozen - en in regelgeving vastgelegde - middel is om het functioneren te beoordelen en eventuele problemen, waaronder problemen in houding en gedrag als die zo worden ervaren, te benoemen en daarover afspraken te maken. Het achterwege laten van ROG’s heeft voor eiseres het nadelige gevolg gehad dat zij in de betreffende periode niet formeel is gewezen op tekortkomingen in houding en gedrag, dat daarover geen afspraken zijn gemaakt en dat zij eventuele tekortkomingen niet heeft kunnen verbeteren. Hieruit volgt dat het ROG van 31 mei 2013 het karakter van een startgesprek had moeten hebben.

De rechtbank neemt, naast het feit dat ROG’s zijn uitgebleven, het volgende in aanmerking. Een beoordeling over het academisch jaar 2011/2012 ontbrak, [persoon A] was werkzaam gedurende twee dagen per week en de communicatie tussen hem en eiseres liet zeer te wensen over (zie ook de hierna volgende overwegingen in de ontslagzaak). De periode (november 2012 tot en met mei 2013) waarin [persoon A] zelf het functioneren van eiseres heeft kunnen waarnemen is dan ook te kort geweest om tot een gedegen oordeel over het functioneren van eiseres te kunnen komen.

Daarbij komt dat bij de beoordeling ten onrechte de brief van [persoon D] van 28 mei 2013 is betrokken. [persoon D] was ten tijde van het opstellen van de brief al geruime tijd niet meer bij de UL werkzaam. In voornoemde brief heeft hij onder meer te kennen gegeven dat hij zijn vertrek als een welkome ontsnapping ervoer, omdat hij voorzag dat tussen hem en eiseres een onwerkbare verhouding zou blijven bestaan. Het was bekend dat tussen eiseres en [persoon D] een zekere mate van animositeit was ontstaan, waardoor van een geheel objectieve zienswijze geen sprake meer was. Het inwinnen van informatie bij [persoon D] is bovendien strijdig met het door verweerder gehanteerde uitgangspunt dat bij het aantreden van de nieuwe leidinggevende [persoon A] een frisse start uitgangspunt zou zijn. Anders dan verweerder aanvoert dwingt, in de omstandigheden van het geval, het bepaalde in artikel

5, tweede lid, van de Regeling ROG UL niet tot het inwinnen van informatie van [persoon D] . Weliswaar is, ingevolge die bepaling het inwinnen van informatie bij derden verplicht in het geval waarin de leidinggevende geen zicht heeft op (een deel van) het functioneren, maar dit betekent niet dat de derde, bij wie de informatie moest worden ingewonnen, [persoon D] diende te zijn. Eiseres heeft in dit verband terecht aangevoerd dat niet helder is waarom, om een volledig beeld te krijgen, geen informatie is ingewonnen van anderen, bijvoorbeeld over de periode na het terugtreden van [persoon D] en voor het daadwerkelijk aantreden van [persoon A] . Bovendien had er voor gekozen kunnen worden eiseres over een kortere periode te beoordelen.

Tot slot is de rechtbank in dit verband van oordeel dat het ROG te kort na het stevige gesprek, dat op 26 april 2013 plaatsvond, is gehouden. Eiseres heeft onvoldoende gelegenheid gehad haar houding en gedrag, waarop de waarschuwing zag, te verbeteren alvorens tot vaststelling van de beoordeling is overgegaan.

De rechtbank is dus van oordeel dat de beoordeling naar wijze van totstandkoming geen stand kan houden.

2.3.3

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad, CRvB 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3259) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen. Niet doorslaggevend is dan of elk feit juist is vastgesteld of geduid; het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.

Mede in aanmerking genomen het oordeel van de rechtbank dat de van [persoon D] afkomstige informatie buiten beschouwing had moeten worden gelaten en dat eiseres na het gesprek van 26 april 2013 onvoldoende in de gelegenheid is geweest haar houding en gedrag te verbeteren, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende met concrete feiten heeft onderbouwd dat eiseres in houding en gedrag is tekortgeschoten, althans daarin is blijven volharden.

Voor het verwijt dat de communicatie door eiseres, veelal via lange niet-zakelijke e-mails, in een ruzieachtige sfeer verloopt en niet oplossingsgericht is, zijn weliswaar aanknopingspunten te vinden, maar deze zijn door verweerder in het bestreden besluit noch in het primaire beoordelingsbesluit concreet benoemd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gegeven totaalscores in de beoordeling niet helder zijn, omdat niet alle resultaatsgebieden uit de beoordeling met een cijfer zijn gewaardeerd. Daardoor is eiseres niet, althans dat blijkt niet uit de beoordeling, in de gelegenheid geweest negatieve aspecten van haar beoordeling te compenseren met positieve aspecten, waartoe de opzet van het beoordelingsformulier noopt (door per resultaatsgebied aan de verschillende onderdelen daarvan een score toe te kennen, op basis waarvan per resultaatsgebied een totaalscore wordt bepaald) Het betoog van verweerder dat een dergelijke wijze van beoordelen niet gebruikelijk is overtuigt niet, nu elke beoordeling een gemiddelde dient te zijn van positieve en negatieve aspecten van het functioneren. Het is onbestreden dat eiseres op andere punten goed functioneerde.

2.3.4

De conclusie van het voorgaande is dat het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond is. Het bestreden besluit 1 dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit 1 te herroepen, nu aan het primaire besluit dezelfde gebreken kleven als aan het bestreden besluit 1.

De op non-actiefstelling (1)

3.1

Ingevolge artikel 6:15, eerste lid, aanhef en onder c, van de CAO NU - voor zover thans van belang - kan de werkgever de werknemer op non-actief stellen wanneer, naar het oordeel van de werkgever, het belang van de instelling dit vereist.

3.2

Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder de op non-actief stelling van eiseres voor de duur van twee weken ingaande op 13 mei 2014 gehandhaafd overeenkomstig het advies van de bezwarenadviescommissie.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd.

Op 8 mei 2014 heeft de decaan, [persoon B] (hierna: [persoon B] ), van eiseres twee e-mails ontvangen die zij op 12 april 2014 had verzonden aan [persoon E] en aan [persoon F] , twee wetenschappers van andere universiteiten. In deze e-mails uit eiseres onacceptabele beschuldigingen aan haar leidinggevende en haar voormalig leidinggevende. Zo schrijft zij dat zij door deze leidinggevenden wordt aangevallen en ondermijnd en dat dit mogelijk is ingegeven door racisme. Daarmee wordt het imago van deze leidinggevenden, de faculteit en de UL geschaad. Dit terwijl eiseres bij brief van 16 mei 2013 is gewaarschuwd haar houding en gedrag te veranderen. Verweerder heeft besloten eiseres op non-actief te stellen om de situatie niet verder te laten escaleren en om zich op de situatie te beraden. Daarbij heeft verweerder betrokken dat het op non actief stellen minder diffamerend is dan een disciplinaire schorsing.

3.3

Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat eiseres de e-mails aan externen heeft verzonden in een periode dat een onveilige werksituatie is ontstaan en niet heeft betrokken de wijze waarop onder meer haar leidinggevende zich in het traject heeft opgesteld. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de feiten en omstandigheden en had een minder vergaande maatregel kunnen treffen. Er is ten onrechte voorbij gegaan aan het diffamerende karakter van de maatregel.

3.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de ernstige beschuldigingen die door eiseres in de genoemde e-mails worden geuit, in redelijkheid aanleiding heeft kunnen zien eiseres op non-actief te stellen om de situatie niet verder te laten escaleren en om zich op de situatie te beraden. Dat eiseres de e-mails heeft geschreven in een periode waarin - naar zij stelt - sprake was van een voor haar onveilige werksituatie, doet niet af aan de redenen die verweerder aan zijn besluit tot non-actief stelling ten grondslag heeft gelegd. Om de rust te bewaren en zich te beraden op de ontstane situatie, acht de rechtbank een op non-actief stelling een passend middel.

Verweerder was niet verplicht over te gaan tot het opleggen van een minder vergaande maatregel, zoals overplaatsing. In de eerste plaats kan niet gezegd worden dat overplaatsing een minder vergaande maatregel is. In de tweede plaats is aannemelijk dat overplaatsing niet op korte termijn gerealiseerd kon worden. In de derde plaats heeft verweerder met de op non-actief stelling van eiseres reeds gekozen voor een minder vergaande maatregel dan een door hem ook overwogen maatregel van schorsing. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor het op non-actief stellen van eiseres voor de duur van twee weken. Dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft voorbereid is door eiseres niet nader onderbouwd en blijkt niet uit de stukken.

3.5

De conclusie van het voorgaande is dat het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond is.

Het ontslag

4.1

Ingevolge artikel 8.4, eerste lid, van de CAO NU kan de werkgever, tenzij sprake is van een opzegverbod zoals genoemd in artikel 8.7, het dienstverband uitsluitend beëindigen indien er sprake is van een redelijke grond.

In artikel 8.4, zesde lid, van de CAO NU is bepaald dat, indien de werkgever voornemens is het dienstverband met de werknemer te beëindigen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid van de werknemer voor zijn functie, de werkgever onderzoekt of er andere passende werkzaamheden beschikbaar zijn, tenzij het tekortschieten te wijten is aan schuld of toedoen van de werknemer.

4.2

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 17 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4837) kan de door het bestuursorgaan gehanteerde ontslaggrond (“ontslag op een redelijke grond”) worden toegepast als voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd, omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (uitspraak van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137) en/of als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking (uitspraak van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198).

Voorts is ingevolge jurisprudentie van de Raad (CRvB 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2044) voor de vaststelling of verweerder bevoegd was om tot ontslagverlening op de gebruikte grond over te gaan de situatie ten tijde van de ontslagverlening doorslag-gevend. Dat betekent dat acht moet worden geslagen op alle feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor 1 juli 2015 en dat de situatie op die datum bepalend is.

5.1

Bij het primaire besluit 3 heeft verweerder eiseres met ingang van 1 juli 2015 ontslag verleend, primair wegens onherstelbaar verstoorde verhoudingen en subsidiair wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de uitoefening van haar functie, anders dan wegens ziekte of gebreken.

De Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften (Kamer voor ontslagzaken, hierna de commissie) heeft in verband met het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 3 op 12 mei 2016 een advies uitgebracht. De commissie heeft geoordeeld dat het besluit reeds gedragen wordt door de onherstelbaar verstoorde verhoudingen en heeft om die reden de subsidiaire grond buiten beschouwing gelaten. Verweerder heeft het advies van de commissie om het primaire besluit 3 te handhaven gevolgd.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit 3 ten grondslag gelegd dat de samenwerking tussen eiseres en [persoon A] , die sinds november 2012 haar leidinggevende was, moeizaam verliep door de wijze en de toon waarop eiseres heeft gecommuniceerd.

De door eiseres aan decaan [persoon B] toegezonden e-mailwisselingen met [persoon E] en [persoon F] , hebben verweerder doen concluderen dat sprake is van onherstelbaar verstoorde verhoudingen tussen eiseres en [persoon A] . Verweerder heeft in aanmerking genomen dat ook sprake was van een verstoorde werkrelatie tussen eiseres en haar vorige leidinggevende, [persoon D] . De decaan heeft reeds vanaf de zomer van 2013 onderzocht of er mogelijkheden waren om eiseres (elders) te plaatsten. Binnen de Faculteit der Rechtsgeleerdheid behoorde een plaatsing niet tot de mogelijkheden. Eiseres is niet ingegaan op het aanbod van de decaan om zijn contacten bij o.a. de Vrije Universiteit van Amsterdam (VU) te benutten. Voorts heeft eiseres een passende positie bij Leiden University College The Hague (LUCTH) afgewezen. Eiseres is arbeidsongeschikt geweest in de periode 11 juli 2014 tot 15 maart 2015. Een beëindigingsovereenkomst en een mediationtraject zijn niet van de grond gekomen.

5.2

Eiseres heeft voor zover van belang het volgende aangevoerd.

Zij stelt dat geen sprake is van (onherstelbaar) verstoorde arbeidsverhoudingen.

Eiseres stelt dat de reden van beëindiging van het coachingstraject was dat [persoon A] een driegesprek uit de weg ging. Zij stelt zich op het standpunt dat de verklaring van [persoon D] van 28 mei 2013 buiten beschouwing dient te worden gelaten.

De bezwarencommissie is niet ingegaan op haar bezwaren, waarin de omstandigheden waaronder zij de e-mails heeft verzonden zijn belicht. Zij kampte al geruime tijd met psychische klachten en een wanhoopgevoel. Dit is niet meegewogen. Indien de rechtbank van oordeel is dat de arbeidsverhouding duurzaam verstoord is, dan ligt de oorzaak daarvan in overwegende mate bij verweerder. In dat geval verzoekt eiseres de rechtbank verweerder te veroordelen tot betaling van een aanvullende vergoeding aan eiseres.

Eiseres heeft ter zake van de subsidiaire ontslaggrond aangevoerd dat de commissie deze ontslaggrond niet heeft beoordeeld. Eiser handhaaft hier de gronden van het bezwaar.

6.1

Niet in geschil is dat het (vak)inhoudelijk functioneren van eiseres niet ter discussie staat. Uit de gedingstukken komt evenwel naar voren dat zich in de samenwerking met eiseres toenemende spanningen voordeden.

De rechtbank is van oordeel dat aan de brief van 28 mei 2013 van [persoon D] noch aan de hiervoor besproken beoordeling de door verweerder voorgestane waarde kan worden gehecht. In de relatie tussen [persoon D] en eiseres was sprake van animositeit. [persoon D] heeft het houden van ROG’s - nadat het functioneren van eiseres eerder en meerdere malen als voldoende is beoordeeld - vanaf enig moment achterwege gelaten en de brief van 28 mei 2013 is geruime tijd na zijn vertrek bij de UL opgesteld. Gelet op het ontbreken van objectieve gegevens, dient de vraag in hoeverre eiseres in die situatie een (verwijtbare) rol heeft gespeeld buiten beschouwing te worden gelaten.

6.2

Ter zitting heeft [persoon B] uiteengezet dat hij heeft geprobeerd om met de komst van [persoon A] een frisse start te maken. Er was reden tot zorg. Eiseres was afgewezen voor de positie van hoogleraar en had daarop teleurgesteld gereageerd en [sectie] is een kleine sectie, waarbinnen samenwerking moest plaatsvinden tussen [persoon A] , eiseres en een promovendus. [persoon B] heeft in dit kader persoonlijke gesprekken gevoerd met eiseres en er hebben enkele informele bijeenkomsten plaatsgevonden met [persoon A] erbij (een kroeggesprek en enkele gesprekken in de espressobar van de universiteit). De rechtbank is, gelet hierop, van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de overgang van de periode [persoon D] naar de periode [persoon A] zonder begeleiding heeft plaatsgevonden.

6.3

[persoon A] is sinds zijn aantreden bij de UL werkzaam geweest gedurende twee dagen per week. Uit de gedingstukken blijkt dat reeds binnen enkele maanden een verstoorde communicatie is ontstaan tussen eiseres en [persoon A] . Het contact werd beperkt tot uitwisseling van een veelheid aan e-mailberichten en één op één gesprekken zijn uitgebleven. Tijdens een gesprek op 26 april 2013 is eiseres te kennen gegeven dat haar verzoek tot overplaatsing naar Europees Recht is afgewezen. Die gelegenheid is voorts aangegrepen om met eiseres een stevig gesprek te voeren over haar houding en gedrag, ondanks een op 31 mei 2013 gepland ROG waarbij dit aan de orde zou komen. Eiseres heeft bij het gesprek op 26 april 2013 te kennen gegeven dat zij zich aangevallen voelt, dat [persoon A] haar al maandenlang onterecht heeft bejegend en dat hij weigert met haar in gesprek te gaan. Tijdens dit gesprek heeft [persoon C] geconstateerd dat de samenwerking op deze manier niet gaat. Hij heeft eiseres een waarschuwing gegeven en gesteld dat van eiseres onder meer wordt verwacht dat zij werkgerelateerde opdrachten van [persoon A] aanvaardt, geen lichtvaardige beschuldigingen zal uiten aan zijn adres en dat zij op een respectvolle manier zal communiceren. Eiseres heeft te kennen gegeven dat zij door dit alles in een onveilige situatie wordt gebracht. [persoon C] heeft daarbij aangegeven dat als eiseres het niet meer ziet zitten, het haar vrij staat een andere betrekking te zoeken. Eiseres heeft het bij dit gesprek opgelegde coachingstraject, dat is gericht op gedragsverbetering, geaccepteerd.

Eiseres heeft diverse coachingssessies gevolgd. Uit een e-mailwisseling van de coach met [persoon A] van 19 februari 2014 blijkt dat het voeren van een driegesprek niet meer zinvol wordt geacht, omdat het conflict is geëscaleerd. Daarbij is vermeld dat de houding van eiseres heeft meegespeeld, maar niet is vermeld dat haar houding een overwegende rol heeft gespeeld bij de escalatie van het conflict.

Eiseres heeft op 12 april 2014 een e-mail gezonden aan [persoon E] , waarbij zij heeft gezegd dat haar huidige leidinggevende, die een vriend is van haar vorige leidinggevende, probeert te realiseren wat haar vorige leidinggevende niet is gelukt. Zij wordt geblokkeerd op elke mogelijke manier en er wordt geprobeerd haar te bewegen tot vertrek. Zij vraagt zich daarbij af of het is ingegeven door haar ideologie dan wel door racisme. De huidige leidinggevende valt haar op alle manieren aan en probeert haar volledig te ondermijnen. Eiseres deelt [persoon E] mede dat zij dit kwijt wilde aan hem, dat zij bang is dat zij het volledig zal moeten opgeven en dat hij niet hoeft te reageren. Daarna heeft eiseres op 12 april 2014 een e-mail gezonden aan [persoon F] , waarin zij, ditmaal met vermelding van namen, de problemen met haar vorige en huidige leidinggevende heeft geschetst. Zij vraagt of [persoon F] weet wie haar zou kunnen adviseren. Eiseres heeft deze e-mailberichten op 7 mei 2014 aan [persoon B] gezonden. Voornoemde e-mails zijn voor verweerder de bekende druppel geweest om over te gaan tot ontslag. Vanaf 11 juli 2014 tot 11 maart 2015 was eiseres arbeidsongeschikt in verband met psychische klachten.

De rechtbank overweegt dat in deze e-mails door eiseres weliswaar ernstige beschuldigingen zijn geuit, maar zij weegt hierbij mee de door eiseres ter zitting gegeven verklaring dat de e-mailberichten moeten worden gezien als een noodkreet. Er kwam geen reactie op haar verzoek om een gesprek, maar wel een oproep voor een ROG. Zij wist niet meer hoe ze met de situatie moest omgaan en zij stond psychisch onder hoge druk. De e-mails dienen, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook te worden bezien in het licht van deze omstandigheden. Eiseres heeft de e-mails zelf aan [persoon B] gestuurd en daarbij openheid betracht. Ook heeft zij in dit kader op 12 mei 2014 haar excuses aangeboden bij [persoon B] . Verweerder heeft weliswaar in deze e-mails in redelijkheid aanleiding kunnen zien eiseres op non-actief te stellen (overweging 3.4), maar in het kader van het ontslag dient hieraan een minder zwaar gewicht te worden toegekend.

Dit neemt niet weg dat, anders dan eiseres stelt, gaandeweg onherstelbare ernstig verstoorde verhoudingen zijn ontstaan. Het komt de rechtbank voor dat sprake is geweest van een ernstige mismatch in de samenwerking tussen [persoon A] en eiseres. Dat eiseres dit ook vond blijkt onder meer uit het feit dat zij, vanwege de samenwerking met [persoon A] , heeft verzocht om overplaatsing naar de afdeling Europees Recht. Zij zijn er niet in geslaagd om met elkaar in gesprek te gaan en pogingen tot mediation hebben niet tot een oplossing geleid. Ook een vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van de aanstelling is niet tot stand gekomen.

6.4

Van de kant van verweerder is geprobeerd eiseres te bemiddelen naar een andere werkplek. Intern waren er, mede gelet op de specifieke expertise van eiseres, geen mogelijkheden. Haar verzoek om plaatsing bij Europees Recht kon niet worden gehonoreerd, omdat daar geen vacature was en er zou dan bovendien een ongewenste versnippering van expertise op het gebied van [sectie] plaatsvinden. De rechtbank acht het om die redenen niet onredelijk dat verweerder verdere mogelijkheden binnen de eigen universiteit niet heeft onderzocht en dat de bemiddeling gericht was op externe posities. Zo was er de mogelijkheid om verkennende gesprekken aan te gaan voor een positie bij de afdeling migratierecht bij de VU. Eiseres heeft hier vanaf gezien, omdat zij zich, vanwege het feit dat haar echtgenoot van [herkomst] herkomst is, niet met islamitisch respectievelijk vreemdelingenrecht wil bezig houden en voorts meent dat haar expertise niet aansluit.

Tot een positie bij LUCTH, hoewel men daar interesse voor eiseres had, is het niet gekomen. Eiseres is hier niet mee verder gegaan, omdat het volgens haar geen onderzoeksaanstelling was, er op een andere manier onderwijs werd gegeven en de door haar gewenste garantie voor als het mis zou gaan niet was geregeld. De rechtbank overweegt dat, nu terugkeer binnen de zeer kleine sectie [sectie] vanwege de ernstig verstoorde verhoudingen met haar leidinggevende niet reëel was te achten, van eiseres mocht worden verwacht dat zij zou meewerken aan externe bemiddeling. Hierbij mocht ook van eiseres worden verwacht dat zij daadwerkelijk in gesprek zou gaan over de mogelijkheden, ook als een functie niet exact het karakter zou hebben van haar oude functie en dat zij zich niet meer zou richten op terugkeer naar haar oude werk. Eiseres heeft de mogelijkheden echter niet, althans onvoldoende, benut en zich primair gericht op terugkeer naar haar (oude) functie. Niet gesteld kan worden dat het herplaatsingsonderzoek van verweerder onvoldoende is geweest.

De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder bevoegd was eiseres het aan de orde zijnde ontslag te verlenen en in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

6.5

De rechtbank is voorts van oordeel dat geen aanleiding bestond om, bovenop de uitkering waarop eiseres in verband met haar ontslag recht heeft, een compensatie (“plus”) toe te kennen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2044) is voor een dergelijke compensatie in het algemeen slechts aanleiding als voldaan is aan de voorwaarde dan het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid.

Partijen hebben naar het oordeel van de rechtbank een even groot aandeel in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot ontslag heeft geleid. Het aandeel van verweerder blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen (in het bijzonder onder 2.3.2 en 6.3). Ten aanzien van het aandeel van eiseres acht de rechtbank met name van belang dat in de dossierstukken aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat eiseres er een weinig constructieve wijze van communiceren op nahield en daarin, ondanks commentaar, volhardde, evenals dat eiseres kan worden verweten dat zij de mogelijkheden in het kader van het (extern) herplaatsingsonderzoek onvoldoende heeft benut (zie onder 6.4). Eiseres komt derhalve niet in aanmerking voor een aanvullende vergoeding (plus).

6.6

Nu de primaire ontslaggrond in stand blijft, kan de subsidiaire ontslaggrond buiten beschouwing blijven.

7 Het beroep tegen het bestreden besluit 3 dient ongegrond te worden verklaard.

De op non-actiefstelling (2)/vrijstelling van werkzaamheden

8 Op grond van artikel 6.15, eerste lid, aanhef en onder c, van de CAO NU kan de werkgever de werknemer op non-actief stellen wanneer, naar het oordeel van de werkgever, het belang van de instelling dit vereist.

9 Verweerder heeft eiseres met ingang van 11 maart 2015 (datum hersteldmelding) tot 1 juli 2015 (datum ontslag) vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden met behoud van salaris. Hieraan ligt ten grondslag de onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding tussen [persoon A] en eiseres en de door eiseres verzonden e-mails aan externen.

10 Eiseres heeft de gronden die zij in het kader van de eerste op non-actiefstelling heeft aangevoerd herhaald.

11 De rechtbank overweegt dat - reeds gelet op de onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding tussen [persoon A] , het feit dat al een ontslagvoornemen kenbaar was gemaakt en pogingen om tot mediation te komen zijn mislukt - een op non-actiefstelling ook in deze situatie als een passend middel moet worden beschouwd. Nu het samenwerkings-verband binnen [sectie] zich in feite beperkte tot [persoon A] en eiseres en een terugkeer van eiseres zou leiden tot een voortzetting van een onhoudbare situatie, heeft verweerder in redelijkheid kunnen kiezen voor een ordemaatregel tot de datum van het ontslag van eiseres.

12 De conclusie van het voorgaande is dat het beroep tegen het bestreden besluit 4 ongegrond dient te worden verklaard.

13 Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaart, dient verweerder aan eiseres het door haar in de zaak SGR 15/6641 AW betaalde griffierecht van € 167,- te vergoeden.

14 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres in de zaak SGR 15/6641 AW gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank :

SGR 15/6641 AW (de beoordeling)

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 1;

  • -

    herroept het primaire besluit 1 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het vernietigde bestreden besluit 1;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,-. aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

SGR 15/6643 AW (de op non-actief stelling 1)

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond.

SGR 16/5635 AW (het ontslag)

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond.

SGR 16/5638 AW (de op non-actief stelling 2)

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 4 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, voorzitter, mr. J.L.E. Bakels en mr. A.G.J. van Ouwerkerk, leden, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.