Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9054

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
NL17.4130
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Staatloos Palestijn, rekrutering Hamas, relaas ongeloofwaardig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.4130


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiser, ook bekend als [naam 2]

(gemachtigde: mr. H.W.F. Klarenaar),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. S.F.E. Verdonck).

Procesverloop
Bij besluit van 22 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H.M. Barzendji. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en is staatloos Palestijn, afkomstig uit Gaza. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat drie hem onbekende mannen geprobeerd hebben hem te rekruteren en hem bedreigd hebben. Eiser is tegen oorlog voeren en wapens dragen.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de herkomst en de identiteit van eiser geloofwaardig. Eisers relaas acht verweerder niet geloofwaardig omdat eiser vage, summiere en algemene verklaringen heeft afgelegd over de poging tot rekrutering en de tegen hem gerichte bedreigingen.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd wordt hieronder ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank overweegt het volgende over de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

5. Allereerst heeft eiser wisselende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd over zijn datum van uitreis en over zijn paspoort. Eiser stelt tijdens het aanmeldgehoor van 22 februari 2017 (p. 4) dat hij in oktober 2016 is uitgereisd. Tijdens het eerste gehoor van 14 juni 2017 (p. 4, 11) verklaart eiser dat hij in juni/juli 2016 is vertrokken. Eiser geeft in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor als verklaring hiervoor dat hij het begrip voor tijd minder kent en dat begrip is kwijtgeraakt. Verweerder mocht van eiser echter, gezien zijn leeftijd en het feit dat hij een opleiding heeft genoten, verwachten dat hij kon vertellen of hij midden of eind 2016 is uitgereisd.

6. Met betrekking tot zijn paspoort heeft eiser eerst bij de vreemdelingenpolitie (gehoor p. 4) verklaard dat hij zijn paspoort vanuit Turkije had teruggestuurd naar Gaza omdat hij bang was dat er iets met zijn paspoort zou gebeuren. Tijdens het nader gehoor (p. 11) geeft eiser aan dat hij misschien het paspoort van zijn vader bedoelde. Het paspoort van zijn vader had eiser op verzoek van de Griekse autoriteiten over laten komen toen hij in Griekenland gedetineerd zat. Desgevraagd verklaart eiser echter dat hij het paspoort van zijn vader niet bij zich had in Turkije (nader gehoor p.11). Tijdens het eerste gehoor (p. 10, 11) heeft eiser verklaard dat hij zijn paspoort op zak had en dacht het in Turkije te zijn kwijtgeraakt. Tijdens het nader gehoor (p. 4) herhaalt eiser dit en dat hij het paspoort van zijn vader heeft teruggestuurd. Tijdens datzelfde gehoor (p.18) verklaart eiser vervolgens dat niet hijzelf, maar de twee jonge mannen waar hij mee reisde zijn paspoort onder zich hadden en zij dat zijn kwijt geraakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze inconsistente verklaringen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van zijn relaas.

7. De verklaringen van eiser met betrekking tot de pogingen tot rekrutering en bedreiging door drie mannen heeft verweerder evenmin hoeven te volgen nu deze verklaringen algemeen, summier en op veel onderdelen tegenstrijdig zijn. Zo weet eiser zich niet te herinneren wanneer de mannen voor het eerst bij hem thuis zijn gekomen, juni 2015 (nader gehoor p. 9) dan wel eind 2015 (nader gehoor p. 11). Omdat het hier gaat om de kern van het asielrelaas en gelet op eisers verklaring dat zij drie keer binnen een maand tijd ’s nachts langskwamen (nader gehoor p. 10), mag van eiser verwacht worden dat hij gedetailleerder kan vertellen wanneer de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden.

Daarnaast weet eiser niet tot welke groepering of partij de mannen die aan de deur kwamen behoorden. Zij bedekten hun gezicht. Die groepering kwam ook vaker naar de wijk waar eiser woonde, zo heeft hij verklaard (nader gehoor p. 6, 8). Eiser heeft verder verklaard dat hij niet geprobeerd heeft erachter te komen wie deze mannen waren (nader gehoor p. 16), wat wel in de rede had gelegen. Verder heeft eiser verklaard dat de mannen zijn vader, toen eiser (opnieuw) weigerde soldaat bij hen te worden, met een wapen bedreigden. Eiser kan desgevraagd echter het wapen niet beschrijven omdat hij dit niet gezien zou hebben.

8. Daarbij komt dat de in beroep overgelegde verklaring van eisers vader op een groot aantal punten afwijkt van eisers verklaringen. Zo stelt de vader dat de drie mannen in totaal zeven keer zijn langs geweest in de periode van januari tot en met april 2016. Dat eiser stelt dat zijn vader evenmin als eiser zelf weet wie de mannen zijn (nader gehoor p. 17), is eveneens in tegenspraak met de verklaring van eisers vader, die verklaart dat het leden van Hamas betrof. De vader heeft verder verklaard dat hij eiser twee maanden heeft verstopt bij zijn tante, wat eiser niet vermeld heeft tijdens de gehoren. Ook zegt de vader dat hij door de mannen gedwongen werd een verklaring te ondertekenen, waarvan hij de inhoud niet kende, terwijl eiser verteld heeft dat hij zelf die verklaring moest ondertekenen. De stelling van eiser ter zitting dat de verklaring van eisers vader moet worden gevolgd en niet die van eiser zelf, kan geen doel treffen, omdat het in de eerste plaats aan eiser is om met zijn verklaringen zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Verweerder heeft zich naar aanleiding van de in beroep overgelegde verklaring van eisers vader terecht op het standpunt gesteld dat daarmee verder afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser.

9. De slotsom is dat verweerder niet ten onrechte de gestelde pogingen tot rekrutering en de gestelde bedreigingen als ongeloofwaardig heeft aangemerkt.

10. De rechtbank is verder, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4071) van oordeel dat verweerder terecht heeft bepaald dat de uitsluitingsgrond 1D van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag), op eiser van toepassing is, nu hij zijn vrees voor Hamas niet aannemelijk heeft gemaakt en zijn relaas niet ten onrechte als ongeloofwaardig is aangemerkt.

11. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat zich geen uitzonderlijke toestand voordoet in Gaza, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2011/95/EU, welke bepaling is geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw. Uit de door eiser aangehaalde rapporten en documentatie kan niet worden afgeleid dat de mate van willekeurig geweld dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar de Gazastrook louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige schade.

12. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Gaza geen gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat hij geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

13. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.