Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8983

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
NL17.5999
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen een maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw.

Eiser had ten tijde van zijn overbrenging en ophouding geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder m, Vw. Voorts is er geen grond voor de conclusie dat hij op dat moment rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw.

Nu bij de strafrechtelijke aanhouding van eiser en na de beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie (nog) niet kon worden vastgesteld dat hij rechtmatig verblijf heeft, mocht daarin grond worden gevonden voor het vermoeden dat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef en mocht daarom met achterwege laten van de staandehouding tot ophouding worden overgegaan.

De maatregel van bewaring is onrechtmatig omdat de gronden de maatregel niet kunnen dragen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59a, geldigheid: 2014-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.5999


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Terpstra),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. E. Arslan, als waarnemer voor zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen
1.Eiser is van Libische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser voert aan dat hij op 27 juli 2017 onrechtmatig is staande gehouden op grond van artikel 50, eerste lid, Vw. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 1 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2992) stelt hij zich op het standpunt dat Dublinclaimanten niet kunnen worden staande gehouden. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat hij rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw, omdat hij meteen heeft kenbaar gemaakt dat hij asiel wilde aanvragen.
Uit de onrechtmatige staandehouding vloeit volgens eiser voort dat de daaropvolgende overbrenging en ophouding voor verhoor en vervolgens zijn inbewaringstelling eveneens onrechtmatig zijn. Eiser stelt zich voorts op het standpunt, onder verwijzing naar voormelde uitspraak van de Afdeling, dat voor zijn overbrenging en ophouding ook op zichzelf geen grondslag bestond.

2.1

Verweerder heeft terecht erop gewezen dat van een staandehouding van eiser op grond van artikel 50, eerste lid, Vw geen sprake is geweest. Uit het proces-verbaal van overbrenging en ophouding van de Vreemdelingenpolitie Amsterdam van 27 juli 2017 blijkt immers dat eiser die dag om 14.27 uur op last van de officier van justitie is heengezonden uit strafrechtelijke detentie, en aansluitend op grond van artikel 50, tweede of derde lid, Vw is overgebracht naar een plaats van verhoor, namelijk het Bureau Vreemdelingenpolitie te Amsterdam, waar hij om 15.50 uur is aangekomen en vervolgens is opgehouden. De klacht van eiser dat hij onrechtmatig is staande gehouden, slaagt reeds daarom niet.

2.2

Anders dan eiser heeft aangevoerd, biedt voormelde uitspraak van de Afdeling van 1 november 2016 geen grond voor het oordeel dat in de situatie van eiser geen grondslag bestond voor zijn overbrenging en ophouding op grond van artikel 50, tweede en derde lid, Vw. Verweerder heeft terecht erop gewezen dat eiser, anders dan de vreemdelingen in voormelde uitspraak van de Afdeling, geen rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder m, Vw. In de situatie van eiser heeft verweerder immers nog geen besluit genomen tot overdracht op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013, L 180; hierna: de Dublinverordening). Er bestaat evenmin grond voor de conclusie dat eiser op het moment van zijn overbrenging en ophouding rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw. Niet is gebleken dat hij reeds op dat moment zijn asielwens aan de Nederlandse autoriteiten had kenbaar gemaakt. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van gehoor van 27 juli 2017 en de omschrijving bij het ‘Dossier vreemdelingenbewaring’ van de Vreemdelingenpolitie van 28 juli 2017 heeft eiser eerst in zijn gehoor voorafgaande aan zijn inbewaringstelling, op 27 juli 2017 om 19.15 uur, kenbaar gemaakt dat hij een asielaanvraag wilde indienen.
Nu bij de strafrechtelijke aanhouding van eiser en na de beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie (nog) niet kon worden vastgesteld dat hij rechtmatig verblijf heeft, mocht daarin grond worden gevonden voor het vermoeden dat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef en mocht daarom met achterwege laten van de staandehouding tot ophouding worden overgegaan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO7160).
De beroepsgrond slaagt niet.

3. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn.
Hij heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft toegelicht wat het doel is van het tegenwerpen van de grond dat hij niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Niet is gebleken dat verweerder twijfelt aan de identiteit en nationaliteit van eiser. Verweerder is afgegaan op de informatie die Duitsland over eiser heeft gegeven. Eiser verwijst in dit verband voorts naar de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4359).
De grond dat eiser te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen, omdat op hem geen vertrekplicht rust.
De toelichting die verweerder in het bestreden besluit heeft gegeven op de lichte gronden dat hij niet over een vaste woon- en verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan beschikt is te algemeen en niet toegespitst op het gedrag van eiser. Voorts is het inherent aan het zijn van asielzoeker dat deze gronden zich voordoen. Eiser verwijst daartoe naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012 en de uitspraak van 20 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX8721).
Ten aanzien van de grond dat eiser verdachte is van een misdrijf, wijst eiser erop dat hij is heengezonden en geen verdachte meer is.

3.1

In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Verweerder heeft als zware gronden, als bedoeld in artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden, als bedoeld in artikel 5.1b, vierde lid, Vb, vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte(n) is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven de gronden dat eiser zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken en dat eiser zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten, niet langer te handhaven.

3.2

Gelet op wat eiser heeft aangevoerd moet worden geoordeeld dat de gronden die verweerder thans nog handhaaft de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.

Verweerder heeft in het bestreden besluit de grond dat eiser niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit als volgt toegelicht.

Betrokkene verklaart te zijn beroofd van zijn geld en identiteitsbewijs. Maar in plaats van

aangifte hiervan te doen, heeft betrokkene een winkeldiefstal gepleegd. Volgens eigen zeggen om in contact te kunnen komen met de politie om asiel aan te kunnen vragen.

Geconcludeerd kan worden dat deze manier om asiel aan te vragen niet erg geloofwaardig is. Betrokkene kan zijn identiteit en nationaliteit niet aantonen.

Uit die toelichting blijkt niet op grond waarvan verweerder concludeert dat de omstandigheid dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet kan aantonen in zijn situatie een risico meebrengt dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. In dat verband is van belang dat verweerder ten tijde van de oplegging van de maatregel aan de hand van de vingerafdrukken van eiser in Eurodac al had vastgesteld dat onder welke identiteit en nationaliteit hij bekend is bij de Duitse autoriteiten. Verweerder was dus in de gelegenheid om een terugnameverzoek te richten aan de Duitse autoriteiten om de overdracht van eiser op grond van de Dublinverordening veilig te stellen. Na oplegging van de maatregel heeft verweerder dat verzoek aan Duitsland ook gedaan, welk verzoek de Duitse autoriteiten hebben geaccepteerd. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat de omstandigheid dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet met documenten kan aantonen, en dat hij geen aangifte heeft gedaan van de diefstal van zijn documenten, leidt tot de conclusie dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Bij dit oordeel heeft de rechtbank voorts betrokken dat de omstandigheid dat een vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit niet kan aantonen in zijn algemeenheid voor veel asielzoekers zullen gelden, terwijl verweerder het beleid hanteert dat bewaring bij vreemdelingen die een asielaanvraag willen indienen of hebben ingediend zo beperkt mogelijk dient te geschieden (vergelijk voormelde uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012, punt 2.6).


Eiser heeft voorts terecht aangevoerd dat verweerder ten onrechte aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd dat eiser te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer. Hij heeft immers geen verplichting tot terugkeer, omdat hij een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, waarop verweerder nog geen beslissing heeft genomen. Voor zover verweerder met toepassing van artikel 30, eerste lid, Vw zal besluiten de aanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor zijn asielverzoek, rust op eiser evenmin een vertrekplicht (zie de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2537).

Nu geen andere zware gronden aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd werd ten tijde van het opleggen van de maatregel niet aan het in artikel 5.1b, tweede lid, Vb gestelde vereiste voldaan, zodat reeds daarom geen grond bestond om aan te nemen dat sprake was van een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.
Hetgeen eiser heeft aangevoerd tegen de door verweerder toegepaste lichte gronden, behoeft daarom geen bespreking.
De beroepsgrond slaagt.

4. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring dient te worden opgeheven.

5. De maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Op grond van artikel 106 Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 13 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 1 x € 105,- (verblijf in politiecel) en 12 x € 80,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.065,-.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.065,-, te betalen door de griffier;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van mr. H.C. Otten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.