Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:898

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
AWB 17/1348
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

- piket

- toegangsweigering

- Schengengrenscode Verordening (EU) 2016/399

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/1348

V-nummer: [nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 18 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. J. Singh,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. L.J.T. van Es.

Procesverloop

Op 17 januari 2017 heeft de ambtenaar belast met grensbewaking aan verzoeker de toegang tot Nederland geweigerd en hem een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd in de Lounge van luchthaven Schiphol op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Verzoeker, die de Egyptische nationaliteit heeft, heeft een bezwaarschrift ingediend, dat door verweerder in behandeling is genomen als administratief beroepschrift. Hij heeft verder de voorzieningenrechter op 18 januari 2017 verzocht om in afwachting van de uitkomst van het administratief beroep een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot een verbod van de voorgenomen verwijdering van verzoeker naar Caïro, Egypte.

Verweerder heeft op 18 januari 2017 schriftelijk verweer gevoerd.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, nu verweerder het voornemen heeft verzoeker op woensdag 18 januari 2017 om 15.00 uur per vliegtuig te verwijderen naar Caïro, Egypte.

Nu voorts onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen.

2. Als reden om aan verzoeker de toegang tot het Schengengebied te weigeren is in de aan hem uitgereikte beschikking model M17 vermeld: “niet in het bezit van een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning” alsook “niet in het bezit van passende documentatie waaruit het doel en de omstandigheden van het verblijf blijken” (artikel 6, eerste lid, aanhef, onder b en c, gelezen in samenhang met artikel 14, van de Schengengrenscode (Verordening (EU) 2016/399).
3. Verzoeker is van mening dat hem op onjuiste gronden de toegang tot Nederland is geweigerd en dat artikel 6 van de Vw eveneens onjuist is toegepast. Zijn voorgenomen uitzetting is onrechtmatig nu hij in het bezit is van een geldig visum, hij zijn reisdoel duidelijk kenbaar heeft gemaakt door middel van een bevestiging van de hotelboeking en in het bezit is van toereikende bestaansmiddelen voor de duur en de vorm van het verblijf of voor doorreis. Dat verzoeker in het bezit is van een zakenvisum maakt dit niet anders omdat dit visum ambtshalve is afgegeven. Het staat verzoeker vrij om als tourist binnen Nederland te reizen.

4. Verweerder stelt zich op het volgende standpunt. Verzoeker is niet in het bezit van een geldig visum of verblijfsvergunning met als doeleinde toerisme. Verzoeker geeft aan dat hij komt voor toerisme, terwijl de visumaanvraag ziet op zakelijke doeleinden. Daarnaast heeft verzoeker zijn reisdoel en reisomstandigheden niet op een aannemelijke wijze kunnen staven.

5. Uit de Schengengrenscode volgt als voorwaarde voor toegang tot het Schengengebied dat een derdelander in het bezit dient te zijn van een geldig visum en het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden moet kunnen staven (artikel 6, eerste lid, aanhef onder b en c, van de Schengengrenscode). Indien iemand niet aan die voorwaarde voldoet, wordt de toegang geweigerd (artikel 14, eerste lid van de Schengengrenscode).

6. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij in het bezit is van een geldig zakenvisum, dat hem tevens toestaat als toerist rond te reizen. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de visumaanvraaggegevens blijkt dat verzoeker als reisdoel het biofarmaceutische bedrijf Bristol-Myers Squibb gevestigd te Utrecht heeft aangegeven. Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van een verbalisant van de Koninklijke Marechaussee van 17 januari 2017 blijkt voorts dat verweerder contact heeft opgenomen met het voornoemde bedrijf. Dat verklaarde verzoeker niet te kennen noch hem uitgenodigd te hebben en dat het bedrijf geen zaken deed met Egypte. Vervolgens heeft verweerder contact opgenomen met de Regionale Service Organisatie Midden-Oosten (RSO) te Amman, die het visum heeft afgegeven. Deze adviseerde het visum in te trekken nu het bedrijf verzoeker niet verwachtte. Verder verklaarden zij dat ze recent vaker geconfronteerd zijn met vervalste Egyptische uitnodigingsbrieven voor een visumaanvraag. Verzoeker verklaarde, toen hem deze bevindingen werden voorgehouden, dat hij voor toerisme naar Nederland kwam en in Amsterdam wilde verblijven. Hij was niet op de hoogte van het voornoemde bedrijf, de stad Utrecht was hem eveneens onbekend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers verklaring en het reisdoel dat hij bij de RSO Midden-Oosten aangaf tegenstrijdig zijn met het reisdoel dat verzoeker bij aankomst op Schiphol aangaf, namelijk toerisme.

7. Verzoeker kon verder desgevraagd geen concrete activiteiten noemen die hij in Amsterdam wilde verrichten. Hij verklaarde slechts dat hij geen plannen had gemaakt, hij inkopen wilde doen, mooie stadslocaties wilde bezichtigen en dat hij ervan uitging dat hij in het hotel in Amsterdam een programma zou krijgen dat hij kon volgen. Voorts legde hij tegenstrijdige verklaringen af over de hotelreservering. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker er niet in geslaagd het doel van zijn voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden te staven.

8. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het administratief beroep van verzoeker naar verwachting niet zal slagen. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier, op 18 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden aan partijen op: