Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8971

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
17/2422
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA terecht beëindigd, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/2422

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. F. Reith),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: F.J. Latenstein).

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij per 28 november 2016 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Bij besluit van 7 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres was werkzaam als beveiligingsmedewerker gedurende 40 uur per week. Op 31 juli 2012 heeft eiseres zich vanuit de Werkloosheidswet ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten en is aan haar een uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend. Met een aanvraag van 14 mei 2014 heeft eiseres verzocht om een WIA-uitkering. Door de toenmalige primaire verzekeringsarts werd eiseres per 29 juli 2014 volledig arbeidsongeschikt bevonden en is aan haar een uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) toegekend. Op 19 januari 2016 is aan eiseres een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend.

1.2.

Op 29 augustus 2016 is eiseres door de primaire verzekeringsarts gezien voor een herbeoordeling in het kader van de Wet WIA. De primaire verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiseres per 29 augustus 2016 (verminderde) benutbare mogelijkheden heeft. De belastbaarheid is neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 augustus 2016.

1.3.

Op 6 september 2016 heeft de primaire arbeidsdeskundige een rapport opgesteld. De primaire arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat eiseres weliswaar beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, waardoor zij niet langer geschikt is voor het verrichten van de eigen arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt is voor werkzaamheden verbonden aan de voor haar geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het maatmanloon levert volgens verweerder een verlies aan verdiencapaciteit op van 28,76%. Verweerder heeft bij primair besluit van 27 september 2016 de WGA-uitkering per 28 november 2016, datum in geding, beëindigd, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4.

In het kader van het bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) een geneeskundige heroverweging gemaakt. Hij komt daarbij tot de conclusie dat de medisch onderbouwing van het primaire besluit geheel kan worden gehandhaafd. De arbeidsdeskundige b&b heeft een heroverweging gemaakt en sluit zich aan bij de conclusies van de primaire arbeidsdeskundige.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

3. Eiseres voert in beroep – kort samengevat – aan dat de grondslag voor het heronderzoek door de primaire verzekeringsarts in de Wet WIA ontbreekt. Voorts stelt eiseres dat in de op 30 augustus 2016 opgestelde FML onvoldoende beperkingen vast zijn gesteld en dat een deskundige moet worden ingeschakeld. Eiseres voert daarnaast aan dat dat conclusies van de arbeidsdeskundige ten aanzien van de door hem geselecteerde functies deels onjuist zijn.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 29 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4449).

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht. De rechtbank stelt vast dat beide verzekeringsartsen eiseres hebben gezien en eiseres lichamelijk en psychisch onderzocht. De verzekeringsarts b&b heeft voorts de medische informatie vanuit het dossier, de door eiseres overlegde informatie en de informatie van de behandelend sector in zijn beoordeling betrokken. De bezwaren van eiseres zijn ook in zijn heroverweging betrokken

1.

6.2.

De rechtbank ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de conclusie van de verzekeringsartsen onjuist is. De rechtbank overweegt dat de verzekeringsartsen beperkingen bij eiseres ten aanzien van lichamelijk, persoonlijk en sociaal functioneren hebben aangenomen. Hun oordeel is voldoende en inzichtelijk gemotiveerd aan de hand van hun bevindingen en alle beschikbare medische informatie. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar aangeleverde informatie strijd met of twijfel oplevert ten aanzien van de beoordelingen van de verzekeringsartsen.

6.3.

De rechtbank betrekt verder bij haar oordeel dat het aannemelijk is dat eiseres psychische klachten heeft, maar de klachten naar het oordeel van de verzekeringsartsen niet allemaal medisch objectiveerbaar zijn. De verzekeringsarts b&b heeft aan de medische informatie van het zorgplan of de verpleegkundig specialist geen argumenten kunnen ontlenen voor een onderschatting van de psychische beperkingen ten tijde van de datum in geding. Het zorgplan geeft gelet hierop naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende objectieve grond om aan te nemen dat de klachten van eiseres geïntensiveerd waren. Voor dit oordeel is ook van belang de aanvullende rapportage met de motivering van de verzekeringsarts b&b van 12 juli 2017. Voor zover eiseres een beroep doet op de informatie van de psycholoog, stelt de rechtbank vast dat eiseres zelf aangeeft dat die informatie niet wordt vertaald naar de belastbaarheid van eiseres. Die informatie vormt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen voldoende objectieve medische grond die leidt tot twijfel aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts b&b.

6.4.

Ten aanzien van de suïcidepoging van eiseres stelt de rechtbank vast dat die poging na de datum in geding heeft plaatsgevonden en niet in de beoordeling van de primaire verzekeringsarts kon worden betrokken. Voor zover het tot doel heeft te betogen dat de verzekeringsartsen de ernst van de klachten onderschatten, is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat de verzekeringsarts b&b rekening heeft gehouden met die suïcidepoging van eiseres, gezien het aan hem overhandigde SEH-rapport van 4 oktober 2016. In een aanvullende rapportage van 12 juli 2017 heeft de verzekeringsarts b&b toegelicht dat hij daarin geen objectieve medische gronden heeft gevonden om te concluderen dat hij de psychische belastbaarheid van eiseres heeft onderschat. De rechtbank overweegt in dit kader nog dat, voor zover eiseres betoogt dat de klachten na het medische oordeel van de primaire verzekeringsarts zijn verergerd, het op de weg ligt van eiseres om een nieuwe uitkering aan te vragen in de zin van artikel 57, eerste lid, van de Wet WIA.

2.

6.5.

Ook voor wat betreft de bij eiseres aanwezige lichamelijke klachten ziet de rechtbank niet in dat de beperkingen die daaruit voortvloeien zijn onderschat. Eiseres stelt dat zij toegenomen klachten aan haar handen heeft en dat zij hiervoor regelmatig de huisarts heeft geraadpleegd. Eiseres onderbouwt dit met een schriftelijke verklaring van haar huisarts van 19 juni 2017. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Uit de informatie van de huisarts is niet af te leiden dat de FML een onjuist beeld geeft van de beperkingen van eiseres ten aanzien van haar handen. In dat kader overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat het tot de specifieke deskundigheid behoort van een verzekeringsarts en niet van de huisarts om de medische situatie in kaart te brengen en aan de hand daarvan beperkingen vast te stellen. Voorts geeft de huisarts, zoals de verzekeringsarts b&b in zijn aanvullende rapportage in beroep van 12 juli 2017 weergeeft, geen bevestiging van andere klachten van het bewegingsapparaat dan reeds bekend. Datzelfde geldt voor de door eiseres gestelde beperkingen als gevolg van COPD. De verzekeringsarts b&b heeft in voornoemde rapportage overwogen dat de COPD niet wordt bevestigd in het schrijven van de huisarts. De rechtbank heeft in de beschikbare medische informatie geen aanknopingspunten gevonden om aan dat oordeel te twijfelen.

3.

7.1.

Eiseres stelt dat er zonder het inschakelen van een deskundige geen sprake is van een gelijke procespositie en zij verwijst hierbij naar het zogenaamde Korošec-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) en de uitspraak van de CRvB van

30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226). Eiseres meent dat de door haar ingediende stukken van de psycholoog niets zeggen over de concrete vertaling van de klachten naar de belastbaarheid in arbeid en dat die stukken daarom niet naar hun aard geschikt zijn om twijfel te zaaien aan het rapport van de verzekeringsartsen. Bovendien stelt eiseres dat haar niet kan worden verweten geen deskundige te hebben ingeschakeld, omdat zij leeft van een bijstandsuitkering en dat zij daarom geen deskundigenonderzoek kan betalen.

7.2.

De CRvB heeft in voornoemde uitspraak overwogen dat omdat een verzekeringsarts in dienstbetrekking tot het Uwv staat, dan wel anderszins een overeenkomst heeft met het Uwv als procespartij, of als deskundigen die in opdracht van het Uwv onderzoek verrichten, twijfel kan rijzen over de onpartijdigheid van deze verzekeringsartsen. Dat betekent niet dat de twijfel aan de onpartijdigheid van de medisch deskundige leidt tot een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden als deze twijfel niet objectief kan worden gestaafd. Met betrekking tot de vraag of de rechtbank in deze zaak om redenen van processuele gelijkwaardigheid een medisch deskundige zou moeten benoemen ter verkrijging van een onafhankelijk medisch oordeel, overweegt de rechtbank dat eiseres voldoende ruimte heeft gekregen tot betwisting van het medisch oordeel van de beide verzekeringsartsen. Van belang hierbij is dat eiseres in dit geval de gelegenheid heeft gehad om objectieve medische stukken aan te leveren, bijvoorbeeld van haar psychiater. De rechtbank ziet daarbij geen reden om aan te nemen dat dergelijke stukken naar hun aard niet geschikt kunnen zijn om twijfel te zaaien aan de conclusies van de verzekeringsartsen.

7.3.

De stelling van eiseres dat zij geen deskundige kon inschakelen, omdat zij van een bijstand leeft, treft geen doel. Eiseres heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet redelijkerwijs in staat is geweest om nadere stukken in te leveren of zelf een deskundige in te schakelen omdat zij dit niet kon betalen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van bewijsnood bij eiseres waarvoor de rechtbank compensatie dient te bieden. De rechtbank acht zich (ook inhoudelijk) voldoende voorgelicht en ziet ook daarom geen reden zelf een deskundige te benoemen.

8.1.

Uitgaande van de juistheid van de FML ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van eiseres voor de geduide functies. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De arbeidsdeskundige heeft aan de hand van de FML voor eiseres de functies productiemedewerker (SBC-code 111180), wikkelaar (SBC-code 267050) en administratief medewerker (SBC-code 315133) geduid. Voor zover eiseres stelt dat de functie van soldering operator niet passend is vanwege de beperking in het persoonlijk risico, overweegt de rechtbank dat de arbeidsdeskundige heeft aangegeven dat het persoonlijk risico specifiek voor eiseres erin bestaat te werken op grote hoogte, met sneldraaiende machines of met machines waarvan handmatige handbewerkingen worden uitgevoerd. In deze functie is daarvan geen sprake. Daarnaast kan het werken met een soldeerbout aanvaardbaar zijn in het geval een betrokkene een verhoogd persoonlijk risico heeft. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de CRvB van 28 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4137). De beroepsgrond dat deze functie voor eiseres niet passend is vanwege haar COPD, slaagt evenmin. Zoals hiervoor reeds is overwogen blijkt uit de medische stukken niet dat bij eiseres COPD is vastgesteld. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de arbeidsdeskundige in zijn aanvullende rapportage van 19 juli 2017 b&b voldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres wel geschikt wordt geacht om het werk van haar collega’s te controleren en dat haar daarbij geen eindverantwoordelijk toekomt. Ook de beroepsgrond dat de beperkingen van rubriek 1.9 in de FML onvoldoende zijn toegelicht door de verzekeringsartsen, slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige b&b voldoende goed en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de functie een eenvoudig niveau vereist en dat eiseres daarom geschikt wordt geacht.

8.2.

Eiseres stelt voorts dat de arbeidsdeskundige b&b onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de functie voor wikkelaar passend is voor eiseres, ondanks dat zij van houding moet kunnen wisselen. Zij stelt dat van haar verwacht wordt dat zij continu een pedaal moet kunnen bedienen. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige b&b in zijn aanvullende rapportage van 19 juli 2017 met verwijzing naar de functiespecificaties voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat eiseres in de functie van wikkelaar voldoende mogelijkheden heeft om van houding te wisselen. Eiseres is daarom door de arbeidsdeskundige geschikt wordt geacht deze functie te kunnen vervullen.

8.3.

De primaire arbeidsdeskundige heeft de geselecteerde functies en signaleringen met de primaire verzekeringsarts overlegd en van een toelichting voorzien. De arbeidsdeskundige b&b heeft de conclusies van de primaire arbeidsdeskundige ten aanzien van onder meer de geselecteerde functies overgenomen. Hij heeft onderbouwd aangegeven dat nader overleg in bezwaar niet aan de orde is. De motivering voor zijn herbeoordeling heeft de arbeidsdeskundige b&b in voldoende mate in een aanvullend rapport van 19 juli 2017 toegelicht, voor zover dat nodig was. Daarmee is in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat eiseres de werkzaamheden verbonden aan de functies kan verrichten, ondanks de overschrijdingen van de belastbaarheid. De arbeidsdeskundige b&b heeft daarom terecht geconcludeerd dat de geduide functies voor eiseres geschikt zijn, zodat zij in staat moet worden geacht meer dan 65% van de voor haar geldende maatloon te verdienen.

9. Verweerder heeft daarom terecht besloten om de WIA-uitkering van eiseres per 28 november 2016 te beëindigen.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaard het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 10 augustus 2017 door mr. N.S.M. Lubbe, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. T.F. Prins, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.