Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8934

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
09-08-2017
Zaaknummer
09/711704-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Steekpartij

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en mishandeling van het slachtoffer door meermalen op hem in te steken. Een beroep op schending van art. 6 EVRM, omdat aangever niet in het bijzijn van de verdediging is gehoord, slaagt niet. Er zijn voldoende compenserende maatregelen getroffen, waardoor het proces als geheel fair is geweest.

De rechtbank acht alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur passend, gelet op de ernst van de feiten. De rechtbank legt daarom een hogere straf op dan door de officier van justitie geëist. Wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt een vermindering toegepast. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 54 maanden op, met aftrek van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/711704-12

Datum uitspraak: 8 augustus 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , Marokko,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 30 september 2014, 16 december 2014, 12 maart 2015, 18 mei 2015, 13 augustus 2015, 9 november 2015, 23 maart 2017 (allen pro forma) en 25 juli 2017 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. de Jonge en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. M.G. Cantarella, advocaat te Den Haag, naar voren is gebracht. Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 oktober 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] (ook wel [naam] genoemd) van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] meerdere malen met een mes met kracht heeft gestoken in het hoofd en/of het lichaam en/of de armen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 oktober 2012 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [slachtoffer] (ook wel [naam] genoemd), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (meerdere messteken in het hoofd en/of het lichaam en/of de armen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meerdere malen met kracht te steken met een mes;

2.

hij op of omstreeks 31 oktober 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer] (ook wel [naam] genoemd)), meerdere malen heeft gestompt tegen zijn lichaam en/of meerdere malen met kracht met een mes heeft gestoken in het lichaam en/of armen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 31 oktober 2012 heeft op de Laan in Den Haag een steekincident plaatsgevonden. De vragen die voorliggen zijn of verdachte hierbij betrokken is geweest en als dat het geval is, hoe zijn betrokkenheid gekwalificeerd dient te worden.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevraagd voor de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot moord. Hij acht de eveneens onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. Verdachte is volgens de officier van justitie dezelfde persoon als de stekende man op de camerabeelden, gelet op de verklaringen van aangever en [getuige] , gelet op de mobiele telefoon van verdachte die ten tijde van het feit aanstraalde op de plaats delict en gelet op het opvallende gedrag van verdachte korte tijd na het incident. Zo blijkt uit de historische verkeersgegevens van het nummer dat destijds bij verdachte in gebruik was dat hij vrijwel direct na de steekpartij met [getuige] belde en dat hij een paar uur na het incident het sim-kaartje uit de telefoon heeft gehaald. Verdachte vluchtte vervolgens het land uit en was van de aardbodem verdwenen. Tot slot heeft een broer van verdachte het slachtoffer nog gebeld toen die in het ziekenhuis lag.

De officier van justitie heeft geen expliciet standpunt ingenomen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten, omdat daarvoor – kort gezegd – onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangever en [getuige] vol tegenstrijdigheden zitten en daarom niet als bewijs kunnen dienen. Bovendien kunnen de verklaringen van aangever niet voor het bewijs gebruikt worden, omdat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest aangever zelf te horen en daarvoor onvoldoende compenserende maatregelen zijn geboden. Het ontbreken van een effectieve ondervragingsmogelijkheid maakt de procedure als geheel ‘unfair’.

De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de herkenning van verdachte door [getuige] niet tot bewijs kan dienen, omdat de camerabeelden te weinig details bevatten om verdachte daarop te herkennen. Daarnaast is de herkenning niet gebaseerd op beelden van het incident, maar van een eerder tijdstip die avond.

Ook de telefoongegevens kunnen niet tot bewijs dienen, omdat niet vaststaat dat verdachte de gebruiker van dit nummer is geweest, aldus de raadsman.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

Bewijsmiddelen

[naam] heeft op 31 oktober 2012 aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij die dag door Den Haag liep, dat er iemand van achter kwam en dat die persoon hem ineens stak. De man hield hem vast aan de bovenkant van zijn jas en bleef hem steken. Aangever heeft de man als volgt beschreven: Noord-Afrikaans uiterlijk en een stoppelbaard.2

Uit de geneeskundige verklaring betreffende aangever blijkt dat hij drie steken in de rug, een in het achterhoofd en een in de bovenarm heeft opgelopen.3

Uit informatie van de Vreemdelingenpolitie is gebleken dat [naam] een pseudoniem betreft van [slachtoffer] .4

Op 1 november 2012 heeft aangever een nadere verklaring afgelegd over het incident. Hij heeft verklaard dat hij in de richting van de Laan in Den Haag liep en dat hij een stekende pijn in zijn rug voelde. Aangever draaide zich om en zag een man met een mes. De man had een licht getinte huidskleur, was van Noord-Afrikaanse afkomst en had een stoppelbaardje en sikje. De man bleef aangever steken. Aangever voelde daarbij een stekende pijn.5 Aangever heeft verklaard dat het incident met zijn ex-vriendin [naam] te maken kan hebben. [naam] had een vervelende ex-vriend die [verdachte] heette. [verdachte] leek op de man die aangever gestoken had en aangever denkt dat hij de dader is.6

Op 2 november 2012 heeft verdachte telefonisch verklaard dat hij er voor 100% zeker van was dat [verdachte] hem gestoken had, maar dat hij dit niet eerder had gezegd omdat hij bang was en niet met de politie wilde praten. De reden voor het steken was de relatie tussen aangever en [naam] geweest.7

Op 5 november 2012 heeft verdachte telefonisch verklaard dat [verdachte] oorspronkelijk uit [geboorteplaats] in Marokko komt.8

Op 28 november 2012 heeft aangever nogmaals een verklaring afgelegd.9 Hij heeft toen verklaard dat hij [verdachte] kent van de kapper naast het bureau aan De Heemstraat. Aangever heeft een relatie gehad met [naam] , maar tijdens hun relatie had ze veel contact met [verdachte] en ze wilde terug naar [verdachte] . Aangever heeft verklaard dat hij [verdachte] een week voor het steekincident nog tegen was gekomen.10 Aan aangever is een foto getoond met daarop drie personen. Aangever heeft de man in het zwarte shirt aangewezen als [verdachte] , de man die hem had gestoken.11

Aangever heeft op 10 februari 2016 ten overstaan van de rechter-commissaris in Marokko verklaard dat hij op 31 oktober 2012 in Den Haag op straat liep en plotseling van achteren werd gestoken. Hij werd links in zijn zij gestoken. Hij draaide zich om en toen stak [verdachte] hem ook op andere plaatsen. Aangever herkende de man die hem stak meteen als [verdachte] . Hij kende [verdachte] van gezicht. Aangever heeft verklaard dat hij meteen wist om wie het ging, maar dat hij niet op de naam kon komen.12

[naam vriendin] , geboren in Hongarije, (de rechtbank begrijpt: [naam] ) heeft verklaard dat zij een relatie heeft gehad met [slachtoffer] en daarvoor met [verdachte] . Zij heeft gedurende zeven maanden met deze [verdachte] samengewoond op de [adres] in Den Haag.13 [verdachte] werkte bij een Surinaamse kapper bij de Haagse Markt en is 24 jaar oud. In augustus 2012 heeft [naam] het met [verdachte] uitgemaakt. Ze heeft hem daarna nog wel telefonisch gesproken en heeft toen verteld dat ze een relatie had met [slachtoffer] . [naam] heeft voorts verklaard dat zij inmiddels weer een relatie had met [verdachte] , maar dat zij hem al drie dagen niet had gezien. Zij zag toen zij op 1 november 2012 om 00:30 uur thuis kwam van haar werk dat [verdachte] toen weg was en dat ook al zijn spullen weg waren. Het telefoonnummer van [verdachte] is [telefoonnummer] . Aan [naam] is een foto getoond van aangever. Zij herkent hem als [slachtoffer] .14

Getuige [naam] heeft in een volgend verhoor nogmaals verklaard dat zij een relatie heeft gehad met [verdachte] .15 [verdachte] was illegaal in Nederland.16 Aan [naam] is een foto getoond van verdachte, die is verstrekt door de Marokkaanse autoriteiten.17 Zij herkende hem als haar ex-vriend [verdachte] . [naam] heeft verklaard dat [verdachte] is geboren in [geboorteplaats] , Marokko en dat zijn verjaardag op 5 of 8 september is. Zij herkende [verdachte] ook als de man in het zwarte shirt op de foto van de drie personen die eveneens aan aangever is getoond. Aan [naam] werden camerabeelden getoond van een man die kort voor het steekincident bij [naam] naar binnen ging en even later weer naar buiten kwam (de rechtbank begrijpt: de camerabeelden met tijdsaanduiding 21:05 uur en 21:06 uur).18 Zij herkende hierop, zonder enige twijfel, haar ex-vriend [verdachte] aan de manier van lopen, aan zijn postuur en aan zijn kleding.19

[naam] heeft op 29 januari 2015 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij op 31 oktober 2012 kort na 21:00 uur telefonisch contact heeft gehad met [verdachte] . [verdachte] belde haar, maar ze had geen tijd om hem te spreken. Toen [naam] vervolgens na middernacht thuiskwam, was [verdachte] weg. Aan [naam] zijn nogmaals voornoemde camerabeelden getoond van kort voor het steekincident. [naam] heeft nogmaals [verdachte] herkend aan zijn kleding en de manier van lopen. Zij verklaarde dat ze zeven maanden met [verdachte] had samengewoond en nog steeds heel verliefd op hem was. Ze zou hem uit duizenden herkennen.20

[naam] heeft op 12 december 2012 verklaard dat hij op het adres [adres] te Den Haag woont. Toen hij een periode weg was, heeft hij zijn sleutel aan [verdachte] gegeven. [verdachte] heeft met een Hongaars meisje in het huis gewoond. [naam] heeft verklaard dat [verdachte] in een kapperszaak tegenover het politiebureau bij de Haagse Markt had gewerkt.21

De politie heeft camerabeelden van het incident veiliggesteld en bekeken. Op deze beelden is te zien dat aangever om 21:12:27 uur aan komt lopen. Om 21:12:35 uur komt de dader in beeld. Het signalement van de dader is als volgt: zwart haar, zwarte jas met een grijze capuchon, lichtblauwe spijkerbroek en wit-zwarte schoenen. Om 21:12:41 uur blijven aangever en dader staan en gaan met elkaar in gesprek. Om 21:12:57 uur geeft de dader aangever een kopstoot, waarna een worsteling ontstaat.22 Twee seconden later stompt de dader met de vuist in de linkerzij van aangever. Om 21:13:03 uur pakt de dader iets uit zijn broeksband. Een seconde later heeft de dader een glimmend voorwerp in zijn rechterhand. Om 21:13:11 uur is te zien dat de dader een puntig voorwerp in zijn rechterhand heeft. Met het voorwerp steekt hij richting het gezicht van aangever. Een seconde later steekt hij met het voorwerp in de romp van aangever, waarna hij dit herhaalt en opnieuw in het bovenlijf van aangever steekt. Om 21:13:15 uur steekt de dader aangever in zijn linkerzij en vervolgens steekt hij in de richting van de achterkant van het hoofd van aangever. Een seconde later maakt de dader een stekende beweging in de richting van de buik van aangever.23 Om 21:13:17 uur is te zien dat de dader onder de oksel van aangever steekt. Een seconde later probeert de dader achter op het hoofd van aangever te steken.24 Uit nadere gegevens blijkt dat de tijd vermeld op de camerabeelden 2 minuten en 10 seconden achterloopt op de werkelijke tijd.25

Ter terechtzitting zijn de camerabeelden van de plaats delict vanaf 21:05 en 21:06 uur en van het steekincident getoond. De rechtbank heeft waargenomen dat rond 21:05 uur een man komt aanlopen die bij [naam] naar binnen gaat. De man heeft donker haar en draagt een zwarte, glimmende jas, waarover een lichtgekleurde capuchon zichtbaar is die niet bij de jas hoort, een lichtblauwe spijkerbroek en opvallende zwart-witte schoenen. Dezelfde man loopt rond 21:06 uur weer naar buiten en verdwijnt uit beeld.

De rechtbank heeft verder waargenomen dat om 21:12 uur de dader van het steekincident in beeld komt. Hij heeft donker haar en draagt een donkere jas met een capuchon in een lichte kleur, een lichte broek en opvallende, zwart-witte schoenen. De rechtbank heeft een sterke gelijkenis waargenomen tussen enerzijds de man die op de beelden met de tijdsaanduiding 21:05 uur en 21:06 uur [naam] in- en uitloopt en anderzijds de dader van het steekincident. De rechtbank heeft tijdens het incident twaalf stekende bewegingen waargenomen.

De historische verkeersgegevens van het nummer [telefoonnummer] zijn opgevraagd. Uit die gegevens blijkt dat de gebruiker van het nummer zich op 31 oktober 2012 om 21:05 uur in de directe omgeving van Laan 5 in Den Haag bevond. Op dat tijdstip probeerde de gebruiker van het nummer te bellen met het telefoonnummer van [naam] .26 Ook om 21:12 uur probeerde de gebruiker van het nummer contact op te nemen met het nummer van [naam] . Op 1 november 2012 tussen 00:34 uur en 1:23 uur heeft de gebruiker van de telefoon meerdere keren contact gehad met het nummer [telefoonnummer] . Dit nummer staat op naam van een dakdekkersbedrijf dat eigendom is van [naam] , wonende te Alphen aan den Rijn. Om 2:09 uur is het kaartje uit de telefoon gehaald in de directe omgeving van Vlaardingen.27 Het adres van de vader van verdachte is gelegen op 125 meter van de zendmast die als laatste is aangestraald.28

Aangever heeft verklaard dat [verdachte] twee broers heeft, [naam] en [naam] , en dat [naam] bij een dakdekkersbedrijf werkt en dat zijn broer in Alphen aan den Rijn woont.29 Uit informatie verkregen via de Nederlandse Ambassade te Marokko en ontvangen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van het Koninkrijk Marokko blijkt dat [naam] , geboren [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , en [naam] , geboren [geboortedatum] 1977, een broer hebben genaamd [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1988 (zijnde verdachte).30

Uit afgeluisterde gesprekken is gebleken dat het [telefoonnummer] in gebruik is bij [naam] .31

3.4.2

Gebruik verklaringen aangever

3.4.2.1 Eerlijk proces

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangever niet voor het bewijs gebruikt mogen worden, omdat de raadsman niet in de gelegenheid is geweest aangever zelf te horen en er onvoldoende compenserende maatregelen zijn geboden. Het ontbreken van een effectieve ondervragingsmogelijkheid maakt de procedure als geheel ‘unfair’. De verdediging heeft daarbij verwezen naar arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak Schatschaschwili vs. Duitsland en van de Hoge Raad van 4 juli 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1219).

De rechtbank overweegt dat een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal houdende de ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van een getuige door de rechter ten laste van het bewijs kan worden gebruikt, maar dat dit uitgangspunt slechts geldt voor zover het in art. 6 EVRM bedoelde recht van de verdachte op een eerlijk proces is gewaarborgd. Met betrekking tot dit recht op een eerlijk proces ligt de nadruk op de toetsing van de ‘overall fairness of the trial’. Beslissend is of het strafproces als geheel beschouwd eerlijk is verlopen.

De verdediging heeft, gelet op artikel 6, derde lid, EVRM, aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. Indien voor de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft bestaan om een getuige te (doen) ondervragen, kan het gebruik van een door die getuige afgelegde verklaring in strijd komen met art. 6 EVRM (ECLI:NL:HR:2017:1015).

In het arrest van het EHRM in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland (EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10) worden drie ‘steps’ genoemd afkomstig uit het arrest inzake [naam] en [naam] die in ogenschouw moeten worden genomen bij de beoordeling of in overeenstemming met art. 6 EVRM is gehandeld. Deze ‘steps’ zijn – kort weergegeven – als volgt:

  1. Is er een goede reden geweest voor de afwezigheid van de getuige en voor het toelaten van de verklaring van die getuige tot het bewijs?

  2. Is de bewezenverklaring volledig of in beslissende mate gebaseerd op de verklaring van de afwezige getuige?

  3. Zijn er voldoende compenserende maatregelen getroffen?

a). Aangever is in 2012 meerdere keren in persoon en telefonisch door de politie gehoord. De verdediging heeft daarna verzocht om hem te horen. Dat verzoek is toegewezen. Aangever was – omdat hij illegaal in Nederland verbleef – al uitgezet naar Marokko. Dat er niet voor gekozen is te proberen hem voor het verhoor naar Nederland te halen, is gezien de problemen en kosten die dat met zich mee zou brengen begrijpelijk. Aangever is vervolgens op 10 februari 2016 in Marokko gehoord door de rechter-commissaris. De verdediging en de officier van justitie zijn daarbij niet aanwezig geweest, omdat Marokko alleen het horen door een rechter toestaat. Een verhoor in aanwezigheid van de raadsman was niet mogelijk. Dit betekent dat de rechtbank vaststelt dat er een goede reden was voor de onmogelijkheid om aangever door de verdediging te laten ondervragen. Daarmee zijn de verklaringen van aangever in beginsel bruikbaar voor het bewijs.

b). De verklaringen van aangever zijn op zichzelf niet voldoende voor een bewezenverklaring. Niet alleen laat de wet dat niet toe, aangever is ook aanvankelijk niet duidelijk geweest over wie hem gestoken zou hebben. Hij heeft eerst gedaan alsof hij dat niet wist. Er is dan ook geen sprake van dat de bewezenverklaring alleen of in beslissende mate berust op zijn verklaringen. De herkenning door getuige [naam] en de telefoongegevens zijn eveneens van groot belang.

c). De rechtbank is verder – anders dan de raadsman – van oordeel dat voldoende maatregelen zijn getroffen om de beperking van het ondervragingsrecht te compenseren. De raadsman heeft voorafgaand aan het verhoor vragen mogen indienen. Het verhoor is vervolgens halverwege onderbroken, waarna de raadsman – na kennis te hebben genomen van wat al door de getuige was verklaard – aanvullende vragen heeft mogen indienen. De rechtbank is van oordeel dat alles wat mogelijk was, is gedaan om tegemoet te komen aan het recht van de verdediging om de getuige (effectief) te doen horen.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat door het gebruik van de verklaringen van aangever voor het bewijs geen sprake is van een schending van art. 6 EVRM. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

3.4.2.2 Fotoconfrontatie

De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat aangever pas na een maand een foto van verdachte is getoond en dat sprake was van een enkelvoudige fotoconfrontatie, waar behoedzaam mee omgegaan moet worden.

De rechtbank stelt vast dat aan aangever op 28 november 2012 een foto is getoond van drie mannen, onder wie verdachte. Deze foto is op 7 november 2012 door de politie op de Facebookpagina van [naam] aangetroffen. Daarvoor beschikte de politie kennelijk niet over een foto van verdachte.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat geen sprake is geweest van een officiële meervoudige fotoconfrontatie en dat daarom behoedzaam met de herkenning van verdachte door aangever moet worden omgegaan. De herkenning kan meewegen voor het bewijs, maar is op zichzelf niet doorslaggevend. De rechtbank acht het van belang dat aangever niet alleen verdachte maar alle drie de op de foto afgebeelde personen, onder wie [naam] , herkende en dat ook getuige [naam] verdachte en zijn broer op deze foto herkende. De rechtbank beschouwt de herkenning daarom als betrouwbaar.

3.4.3

Gebruik verklaringen van en herkenning door getuige [naam]

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van getuige [naam] niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden, omdat ze niet consistent zijn en vol tegenstrijdigheden zitten. Daarnaast kan haar herkenning van verdachte op de camerabeelden niet gebruikt worden, omdat de beelden onvoldoende details bevatten om verdachte te kunnen herkennen. Verder is de herkenning niet gebaseerd op beelden van het incident, maar op beelden van een eerder tijdstip die avond.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [naam] voldoende consistent zijn en geen onverklaarbare tegenstrijdigheden bevatten.

De verdediging heeft – met een beroep op het NFI-rapport van 24 september 2015 – gesteld dat een herkenning op basis van de beelden niet mogelijk is, omdat de beelden te weinig details bevatten voor een gezichtsvergelijkend onderzoek. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de beelden nauwelijks details van het gezicht van de dader bevatten. [naam] heeft echter een relatie met verdachte gehad en woonde zeven maanden met hem samen. Zij kent hem dus heel goed. Zij baseert haar herkenning niet (slechts) op zijn gezicht, maar ook op zijn postuur, zijn kleding en zijn manier van lopen. “Gewoon de hele man”, aldus [naam] . Ze was en is nog steeds heel verliefd op [verdachte] , kent al zijn kleding en weet hoe hij loopt. Ze zou hem uit duizenden herkennen, heeft zij tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de beelden op voornoemde herkenningspunten voldoende duidelijk zijn en dat op basis daarvan een herkenning door [naam] kon plaatsvinden.

De rechtbank stelt vast dat de herkenning van verdachte door [naam] geldt voor beelden van voor het steekincident (namelijk van 21:05 en 21:06 uur). Op deze beelden is, zoals al beschreven, te zien dat een man [naam] binnenloopt en even later weer naar buiten loopt. Om 21:12 uur is de dader in beeld en vindt het steekincident plaats. De rechtbank is, zoals vermeld, van oordeel dat er sterke uiterlijke overeenkomsten zijn tussen de persoon die [naam] herkent als verdachte (om 21:05 uur en 21:06 uur) en de dader van de steekpartij (om 21:12 uur). Op beide momenten is sprake van een man met donker haar, een donkere jas met een lichte capuchon, een lichte broek en opvallende zwart-witte sportschoenen. De rechtbank stelt vast dat de overeenkomsten dermate groot zijn dat het niet anders kan dan dat de dader van de steekpartij dezelfde man is als de persoon die [naam] herkent als verdachte. Aangezien de verklaring van getuige [naam] naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar en bruikbaar is, acht de rechtbank op basis hiervan, in combinatie met de verklaring van aangever, bewezen dat verdachte de dader is van de steekpartij.

3.4.4

Gebruik telefoongegevens

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de historische gegevens van het nummer [telefoonnummer] niet tot bewijs kunnen dienen, omdat niet vaststaat dat verdachte de gebruiker van het nummer is geweest.

Getuige [naam] heeft dit nummer eindigend op - [telefoonnummer] opgegeven als het nummer van haar vriend [verdachte] , met wie zij weer samenwoonde. Op 31 oktober 2012 heeft het betreffende nummer contact gehad met het telefoonnummer van [naam] , wat overeenkomt met de verklaring van [naam] dat zij die avond gebeld werd door [verdachte] . Op 1 november 2012 – kort na middernacht – heeft het telefoonnummer meerdere keren contact gehad met een nummer dat op naam staat van het dakdekkersbedrijf van [naam] , de broer van verdachte. Het nummer ging vervolgens in de directe omgeving van Vlaardingen uit de lucht, op korte afstand van het adres van de vader van verdachte. Gelet op deze gegevens wordt de verklaring van [naam] dat het nummer eindigend op [telefoonnummer] het telefoonnummer van verdachte was, voldoende ondersteund. De telefoon met dit nummer straalde om 21.05 en 21.12 uur, dus ten tijde van het delict, een zendmast op de Plaats in Den Haag aan, met andere woorden: de telefoon was ter plaatse ten tijde van het delict.

3.4.5

Conclusie

De rechtbank stelt op basis van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte de persoon is geweest die op 31 oktober 2012 als dader betrokken is geweest bij het steekincident. Hoewel aangever zich in het begin niet duidelijk uitliet over de dader, heeft hij dat later wel gedaan en hij heeft ook uitgelegd dat hij zich terughoudend opstelde uit angst voor de politie. Hij heeft verdachte als de dader genoemd en heeft hem herkend op een foto. De historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte plaatsen hem op de plaats van het steekincident. Bovendien is verdachte als dader te zien op de beelden van het steekincident, zoals hiervoor overwogen. Verdachte is de persoon die aangever een kopstoot heeft gegeven, hem heeft gestompt en hem vervolgens met kracht meermalen met een mes in het hoofd, het lichaam en de arm heeft gestoken.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad te komen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord.

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte als een poging tot doodslag kan worden aangemerkt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg (in dit geval het overlijden van aangever) is aanwezig, indien een verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Enkele wetenschap van die kans volstaat niet. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomst aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat een verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Omtrent de aard van de gedragingen overweegt de rechtbank dat met name uit de camerabeelden blijkt dat verdachte twaalf keer ongecontroleerd en met aanzienlijke kracht met een mes naar en in het hoofd en het lichaam van aangever heeft gestoken. Hij stak hem waar hij hem maar raken kon. In het hoofd en de romp bevinden zich vitale organen. Het in het wilde weg op deze lichaamsdelen insteken brengt de als aanmerkelijk te beschouwen kans met zich mee dat aangever aan de gevolgen daarvan zal overlijden. Daarmee is het gedrag van verdachte zozeer gericht op de dood van aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zou komen te overlijden. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte op zijn minst het voorwaardelijk opzet heeft gehad om aangever van het leven te beroven.


Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag.

Daarnaast heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde mishandeling van aangever, door hem te stompen en meermalen met een mes te steken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 31 oktober 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (ook wel [naam] genoemd) van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] meerdere malen met een mes met kracht heeft gestoken in het hoofd en het lichaam en de arm, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 31 oktober 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] (ook wel [naam] genoemd) meerdere malen heeft gestompt tegen zijn lichaam en meerdere malen met kracht met een mes heeft gestoken in het lichaam en de arm, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

de eendaadse samenloop van:

1. poging tot doodslag;

alsmede

2. mishandeling.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 700 dagen geëist, met aftrek van het voorarrest, waarvan 197 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht in de strafmaat rekening te houden met het blanco strafblad van verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn en het leven dat verdachte inmiddels in Marokko heeft opgebouwd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en aan mishandeling. Hij heeft het slachtoffer terwijl zij in gesprek waren ineens een kopstoot gegeven, waarna zij in een worsteling zijn geraakt. In deze worsteling heeft verdachte een mes gepakt en tot twaalf keer toe in een wilde aanval ingehakt op het slachtoffer. Dat die de aanval heeft overleefd zonder al te ernstig letsel, is bepaald niet aan verdachte te danken.

Verdachte heeft door zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen als hiervoor omschreven grote impact hebben op een slachtoffer. Ook zorgt een dergelijk feit – een steekpartij in het centrum van Den Haag – voor maatschappelijke onrust. Dat – zo blijkt uit het dossier – meerdere mensen ongewild geconfronteerd zijn met de gewelddadige uitbarsting van verdachte en de gevolgen daarvan, maakt het feit naar het oordeel van de rechtbank des te ernstiger.

De rechtbank heeft gelet op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 27 juni 2017, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De rechtbank heeft ook kennis genomen van een rapport van Reclassering Nederland van 27 augustus 2014.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten niet kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest met daarbij nog een voorwaardelijk strafdeel, zoals door de officier van justitie is geëist. De eerdere opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte (destijds in verband met artikel 67a, derde lid, Wetboek van Strafvordering) doet daar niet aan af. Bij de huidige stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur passend is. De rechtbank ziet daarom reden om – ten nadele van verdachte – af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende acht de rechtbank in beginsel oplegging van een gevangenisstraf van vijf jaar (60 maanden) passend geboden.

Overschrijding redelijke termijn

In het arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) heeft de Hoge Raad (nogmaals) algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht van een verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden. Op de voet van dit arrest beoordeelt de rechtbank of sprake is van overschrijding, in welke mate die heeft plaatsgevonden en wat daarvan het gevolg moet zijn.

Uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Bijzondere omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur afhankelijk is, zijn onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.

De termijn heeft een aanvang genomen met de inverzekeringstelling van verdachte op 24 juni 2014. In februari 2016 hebben de laatste onderzoekshandelingen plaatsgevonden – te weten het horen van aangever in Marokko – waarna de zaak pas op 23 maart 2017 op zitting werd gepland. Verdachte is op die zitting niet verschenen en zijn raadsman heeft nadrukkelijk om schorsing van het onderzoek ter terechtzitting gevraagd, omdat verdachte beslist aanwezig wilde zijn bij de behandeling van zijn strafzaak. De rechtbank heeft de behandeling vervolgens aangehouden, zodat verdachte gebruik kon maken van zijn aanwezigheidsrecht, maar op 25 juli 2017 was hij wederom niet ter terechtzitting aanwezig. De raadsman had daarvoor – behoudens het feit dat verdachte rond de periode van de zitting in het huwelijk zou zijn getreden – geen verklaring en beriep zich op zijn beroepsgeheim.

De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn een aanvang heeft genomen op 24 juni 2016. Tot 23 maart 2017 heeft de zaak onnodig stilgelegen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de periode na 23 maart 2017 mee te nemen als overschrijding van de redelijke termijn, omdat de zaak op die datum afgedaan had kunnen worden. De vertraging vanaf dat moment is aan verdachte te wijten.

Nu de zaak tussen 24 juni 2016 en 23 maart 2017 onnodig stil heeft gelegen, moet de overschrijding van de redelijke termijn op 9 maanden worden gesteld. Gelet op de uitgangspunten van de Hoge Raad in bovengenoemd arrest dient bij een overschrijding van de redelijke termijn tussen zes en twaalf maanden de straf met 10% verminderd te worden.

De rechtbank zal, hiermee rekening houdende, een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden aan verdachte opleggen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 55, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hierboven onder 3.5 beschreven, en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

eendaadse samenloop van

feit 1:

poging tot doodslag;

en

feit 2:

mishandeling;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Eisses, voorzitter,

mr. W.G. de Boer, rechter,

mr. A.P. Sno, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. van de Kamp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 augustus 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2012233868, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag / Centrum (doorgenummerd blz. 1 t/m 351).

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 26.

3 Geneeskundige verklaring, p. 40.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 203.

5 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 31.

6 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 32.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 130.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 134.

9 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 33.

10 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 34.

11 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 36.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2016 (verhoor aangever door RC).

13 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 78.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 79.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 260.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 261.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 172, met bijlagen, p. 173 en 175.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 262.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 263.

20 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 januari 2015 (verhoor getuige door RC).

21 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 99.

22 Proces-verbaal van bevindingen, p. 131.

23 Proces-verbaal van bevindingen, p. 132.

24 Proces-verbaal van bevindingen, p. 135.

25 Proces-verbaal van bevindingen, p. 211.

26 Proces-verbaal van bevindingen, p. 164.

27 Proces-verbaal van bevindingen, p. 165.

28 Proces-verbaal van bevindingen, p. 171.

29 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 35.

30 Proces-verbaal van bevindingen, p. 347 en 348.

31 Proces-verbaal van bevindingen, p. 320.