Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8901

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
C-09-511504-KG ZA 16-623
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Rechter verbiedt uitlevering aan Turkije niet

Eiser wordt in Turkije verdacht van betrokkenheid bij drugshandel en deelname aan een criminele organisatie. Turkije heeft in 2012 om zijn uitlevering gevraagd om hem daarvoor te kunnen vervolgen. De uitleveringsrechter heeft de uitlevering van eiser toelaatbaar geacht en de Minister heeft daarna besloten om tot uitlevering van eiser over te gaan. Eiser heeft getracht in kort geding de uitlevering nog tegen te houden, maar dat is niet gelukt.

Uitstel van de procedure

Eiser is het kort geding al gestart in 2016. Vlak voordat de rechter op 18 juli 2016 uitspraak zou doen, vond de mislukte staatsgreep in Turkije plaats. De rechter heeft toen beslist dat er een nieuwe zitting moest komen. Deze is een aantal keer uitgesteld, omdat de Staat inmiddels de uitlevering van eiser had opgeschort vanwege de ontwikkelingen in Turkije en in afwachting was van nadere informatie over en garanties van Turkije. In juli 2017 is de zitting voortgezet, omdat de Minister op basis van de verkregen informatie en de garanties van Turkije de uitlevering verantwoord achtte.

Risico op schending EVRM?

Eiser stelt bij uitlevering het risico te lopen op schending van de artikelen 3, 6 en 13 EVRM. Dat risico was volgens hem vóór juli 2016 al aanzienlijk, maar is na de mislukte staatsgreep onaanvaardbaar groot geworden. De kort gedingrechter volgt eiser daarin niet. Eiser heeft verwezen naar zorgwekkende ontwikkelingen, die getuigen van politieke druk op en verslechtering van het rechtssysteem in Turkije, maar niets wijst er op dat die ontwikkelingen zich voor zullen doen in de strafvervolging van eiser. Het betreft een zogenoemd commuun delict (drugshandel) en geen politiek gevoelige zaak. Ook is niet gebleken dat eiser tot een risicogroep behoort. Eiser heeft wel gesteld dat er om diverse redenen een link is tussen zijn zaak en de problematiek van de Koerden in Turkije, maar voor het aannemen van dergelijke connectie zijn onvoldoende aanknopingspunten.

De vele ontslagen en arrestaties van rechters in de periode na de mislukte staatsgreep vormen onvoldoende reden om aan te nemen dat eiser geen eerlijke proces zal krijgen. De kort gedingrechter slaat hierbij acht op de concrete aspecten van deze zaak, die niet vergelijkbaar is met die van individuen die verdacht worden te hebben deelgenomen aan de mislukte staatsgreep of aanhanger te zijn van de Gülenbeweging. Wel is gebleken dat er sprake is van aanzienlijke capaciteitsproblemen bij de rechterlijke macht in Turkije, maar dat dit zal leiden tot een procedure waarin wordt gehandeld in strijd met art. 6 EVRM, door bijvoorbeeld een te lang voorarrest of een overschrijding van redelijke termijnen, is niet aannemelijk geworden. Bovendien kan eiser dan om sancties vragen en kan hij een beroep doen op art. 13 EVRM.

Gelet op de door de Staat verstrekte informatie en hetgeen blijkt uit rapportages, heeft eiser voorts niet aannemelijk gemaakt dat de Turkse detentieomstandigheden ertoe leiden dat hij – of iedereen – in Turkije een reëel risico loopt op schending van art. 3 EVRM. Eiser heeft ook onvoldoende gemotiveerd dat hij in Turkse detentie niet behandeld zal kunnen worden voor zijn psychische klachten.

Door Turkije verstrekte garanties

Er moet vertrouwd worden op de door Turkije verstrekte garantie dat eiser, als hij wordt veroordeeld, zijn straf in Nederland kan uitzitten als hij daarom verzoekt. De door Turkije verder verstrekte garanties zijn weliswaar algemeen maar deze worden in dit geval toereikend bevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer:

Vonnis in kort geding van 11 augustus 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaten mrs. B. Stapert en D.M. Kamp te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de dagvaarding met de daarbij en nadien door [eiser] overgelegde producties, alsmede van de door de Staat overgelegde producties.

1.2.

Op 4 juli 2016 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. Ter zitting is vonnis bepaald op 18 juli 2016.

1.3.

Kort vóór voormelde vonnisdatum heeft de voorzieningenrechter, naar aanleiding van de nasleep van de mislukte staatsgreep die op 15 juli 2016 in Turkije heeft plaatsgevonden, aan partijen meegedeeld op 18 juli 2016 geen vonnis te zullen wijzen, maar de mondelinge behandeling te zullen voortzetten op 12 september 2016. Op verzoek van beide partijen heeft die voortgezette behandeling niet plaatsgevonden en is de zaak enkele malen pro forma aangehouden.

1.4.

In juni 2017 heeft [eiser] na overleg met de Staat verzocht om voortzetting van de mondelinge behandeling. De datum daarvoor is bepaald op 28 juli 2017. Door zowel de Staat als [eiser] zijn vervolgens nadere producties in het geding gebracht.

1.5.

Op 28 juli 2017 heeft de voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] woont sinds 1989 in Nederland. Hij bezit zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit.

2.2.

De Turkse autoriteiten hebben op 29 november 2012 om de uitlevering van [eiser] verzocht met het oog op de vervolging van [eiser] vanwege betrokkenheid bij handel in en (poging tot) uitvoer van heroïne en deelname aan een criminele organisatie.

2.3.

Bij uitspraak van 5 december 2014 heeft de rechtbank Rotterdam de uitlevering van [eiser] toelaatbaar verklaard. Bij rechterlijk advies van 8 december 2014 is overwogen dat er geen feiten of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan de uitlevering ontraden zou moeten worden. Bij arrest van 14 april 2015 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van [eiser] verworpen.

2.4.

In reactie op een daartoe strekkend verzoek van de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) van 25 oktober 2012 hebben de Turkse autoriteiten bij diplomatieke nota’s van 10 april en 3 september 2013 terugkeergaranties verstrekt, onder meer inhoudende dat [eiser] , in geval hij na uitlevering wordt veroordeeld en verzoekt om terugkeer, zijn straf in Nederland kan ondergaan.

2.5.

Bij beschikking van 10 juli 2015 heeft de Minister de uitlevering van [eiser] aan Turkije toegestaan, ter fine van strafvervolging voor de feiten als omschreven in het uitleveringsverzoek.

2.6.

Op 31 mei 2016 heeft de advocaat van [eiser] bij de rechtbank te Istanbul een verzoek ingediend om [eiser] door middel van een rogatoir verhoor in Nederland te laten horen. Bij uitspraak van 1 juli 2016 is dit verzoek afgewezen en is besloten tot voortzetting van het aanhoudingsbevel tegen [eiser] en tot afwachting van de uitlevering van [eiser] .

2.7.

Op 22 juli 2016 heeft de Staat besloten om, in verband met de recente ontwikkelingen in Turkije, uitleveringen aan Turkije voor onbepaalde tijd op te schorten.

2.8.

In een schrijven van 7 november 2016 heeft de Minister aan de Turkse Autoriteiten aanvullende informatie en garanties gevraagd in het kader van de uitleveringsverzoeken van diverse personen, waaronder [eiser] . De Turkse autoriteiten hebben hierop gereageerd op 3 februari 2017. Op 15 maart 2017 heeft de Minister aan de Turkse autoriteiten verzocht om nadere aanvullende informatie en garanties in het kader van de uitleveringsverzoeken van diverse personen, waaronder [eiser] . De Turkse autoriteiten hebben hierop gereageerd op 24 maart 2017.

2.9.

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft desgevraagd op 10 maart 2017 informatie verstrekt over de detentieomstandigheden in Turkije, gebaseerd op navraag bij de Ambassade in Ankara en het Consulaat-Generaal in Istanbul bij consulaire medewerkers, die Nederlandse of bipatride gedetineerden bezoeken in de gevangenissen aldaar. Bij de verstrekte informatie wordt tevens aandacht besteed aan het “Turkey 2016 Human Rights Report” en de “Preliminary observations and recommendations of the United Nations Special Rapporteur on torture and other cruel, inhuman and degrading treatment or punishment, Mr. [A] on the Official visit to Turkey – 27 November to 2 December 2016”.

2.10.

De Minister heeft hierna een mededeling gedaan met als strekking dat hij de uitlevering van [eiser] (en enkele andere personen) aan Turkije verantwoord acht.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, zakelijk weergegeven:

primair: de Staat te bevelen [eiser] niet uit te leveren aan Turkije;

subsidiair: de Staat te bevelen informatie te vragen over de effecten van de vervolging van de voorzitter van de rechtbank voor de (rechts)geldigheid van het uitleveringsverzoek;

meer subsidiair: te bepalen dat uitlevering niet zal plaatsvinden alvorens [eiser] de beschikbare alternatieven in werking heeft kunnen stellen;

nog meer subsidiair: de Staat te bevelen nadere garanties te vragen aan de Turkse autoriteiten omtrent de behandeling van de psychische gesteldheid van [eiser] en zonodig een nadere rapportage door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) te gelasten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [eiser] loopt gelet op meerdere omstandigheden een concreet en geïndividualiseerd risico van schending van de artikelen 6, 3 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), op grond waarvan uitlevering verboden moet worden. Dit risico was voor juli 2016 al aanzienlijk, maar na de mislukte staatsgreep is het risico onaanvaardbaar groot geworden. Bij dit alles is relevant dat [eiser] verdachte is in een zaak die drugshandel betreft in Koerdisch gebied, waar sprake is van strijd tussen Turkije en de PKK. Deze terroristische organisatie wordt volgens diverse bronnen in belangrijke mate gefinancierd door de opbrengst van drugshandel. Daarbij zijn meerdere verdachten van Koerdische afkomst. Deze Koerdische achtergrond van de zaak versterkt voormelde dreigingen. De psychische toestand van [eiser] maakt voorts dat uitlevering tot bijzondere hardheid leidt in de zin van artikel 10, tweede lid, van de Uitleveringswet. Van belang is verder dat de waarde van de Turkse terugkeergaranties bijzonder onzeker is. Ook op die grond dient uitlevering verboden te worden. De toezeggingen en garanties die Nederland van Turkije heeft gekregen, kunnen de concrete risico’s niet ondervangen en voldoen niet aan de daaraan te stellen vereisten.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Het beoordelingskader

4.1.

Op grond van de Uitleveringswet vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de Minister bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister zoals neergelegd in de Uitleveringswet, toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon.

4.2.

Uit de artikelen 8 en 10 van de Uitleveringswet volgt dat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van fundamentele rechten in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister is voorbehouden aan de Minister (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547). Indien tegen een besluit van de Minister om de uitlevering toe te staan wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, dient toetsing van die beslissing een volledige te zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387).

4.3.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat er sprake is van een dreigende schending van een aantal artikelen van het EVRM. Bij de beoordeling daarvan geldt als uitgangspunt dat in gevallen waarin – zoals hier het geval is – zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM in beginsel uitgegaan moet worden van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen. Dit vertrouwen brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere) strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM. Dit betekent dat een verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering alleen dan moet wijken voor de op grond van artikel 1 EVRM op de aangezochte Staat rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht en (b) verder naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Artikel 3 EVRM staat aan uitlevering in de weg als er gegronde redenen (“substantial grounds”) zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon in geval van uitlevering een reëel gevaar (“a real risk”) loopt te worden onderworpen aan foltering, of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Doet zo’n situatie zich voor dan kan de Minister niet volstaan met een verwijzing naar het vertrouwensbeginsel.

Artikel 6 EVRM

4.4.

[eiser] verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt dat er schending dreigt van artikel 6 EVRM naar een verslechtering van het Turkse rechtssysteem in de afgelopen jaren en naar recente zorgwekkende ontwikkelingen. De voorzieningenrechter overweegt in dat kader dat het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) in een zaak van een andere door Turkije opgeëiste persoon in zijn arrest van 9 juni 2016 heeft geoordeeld dat de door de eiser in die zaak geschetste zorgwekkende ontwikkelingen, die getuigen van politieke druk op en verslechtering van het rechtssysteem in Turkije, relevantie miste. Daartoe overwoog het Hof dat de te verwachten omstandigheden voor de opgeëiste persoon zelf dienen te worden beoordeeld en dat niets er op wees dat de gestelde zorgwekkende ontwikkelingen zich voor (zouden) doen in de strafvervolging van de eiser in die zaak, betreffende commune geweldsdelicten zonder enige politieke invalshoek en zonder enige betrokkenheid van regeringsleiders of risicogroepen (ECLI:NL:GHDHA:2016:1600). Ditzelfde doet zich voor in de zaak van [eiser] . [eiser] wordt verdacht van betrokkenheid bij heroïnehandel in georganiseerd verband. Dat de heroïne mogelijk afkomstig is uit Koerdisch gebied, dat een aantal medeverdachten uit dat gebied afkomstig is en de stelling van [eiser] dat de feiten in zijn zaak mogelijk in verband gebracht kunnen worden met (het financieren van) de PKK, vormen onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van een connectie van de zaak van [eiser] met de problematiek van de Koerden in Turkije. Die laatste stelling heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd of geconcretiseerd. Uit de overige omstandigheden kan niet worden afgeleid dat [eiser] zelf tot een risicogroep behoort noch dat hij terecht staat in een politiek gevoelige zaak. De zaken waarin de uitlevering van personen aan Turkije is geweigerd, waarnaar [eiser] verwijst, leggen in deze zaak geen gewicht in de schaal, omdat in die zaken daar juist wél sprake van was.

4.5.

[eiser] is voorts ingegaan op de omstandigheid dat de voorzitter van de combinatie van de strafzaak tegen medeverdachten van [eiser] gedetineerd is en de officier in die zaak is gevlucht. Ook deze omstandigheden zijn echter niet relevant bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een schending van artikel 6 EVRM. Voor zover voornoemde personen zijn betrokken bij het strafrechtelijk onderzoek tegen [eiser] en zijn medeverdachten, betekent dit immers nog niet dat [eiser] geen eerlijk proces zal krijgen. De betreffende rechter is kennelijk gearresteerd en vervolgd vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging, die in Turkije als een terroristische organisatie wordt beschouwd, en de officier is bestraft voor een beslissing die hij in het corruptieonderzoek tegen onder andere de Turkse president heeft genomen. Niet valt in te zien dat de vervanging van deze personen door andere magistraten met zich brengt dat [eiser] geen eerlijk proces zal krijgen.

4.6.

[eiser] heeft verder gewezen op de vele ontslagen en arrestaties van rechters in de dagen na de mislukte staatsgreep en de aanstelling van nieuwe jonge rechters. Hij stelt zich op het standpunt dat inmiddels is gebleken dat bij Turkije niet meer van een rechtsstaat kan worden gesproken, zodat een eerlijk proces waarin recht wordt gesproken door onafhankelijke rechters reeds om die reden niet mogelijk is. [eiser] heeft dit met name onderbouwd met uitlatingen van een aantal vooraanstaande personen, die hun verontwaardiging en/of bezorgdheid hebben geuit over de handelwijze van de Turkse regering en over de onervarenheid van de nieuw aangestelde rechters en de werkdruk. Tegenover de stellingen van de Staat, die heeft gewezen op de toelichtingen die Turkije heeft gegeven ten aanzien van de door haar genomen maatregelen en op hetgeen blijkt uit de diverse overgelegde rapportages, vormt dat echter een onvoldoende onderbouwing van voormeld vergaand standpunt van [eiser] . Het is hierbij ook van belang om niet iedere nuance uit het oog te verliezen. Thans ligt deze concrete zaak ter beoordeling voor. [eiser] , die verdacht wordt van een commuun delict en wiens positie niet vergelijkbaar is met die van individuen die verdacht worden te hebben deelgenomen aan de mislukte staatsgreep of aanhanger te zijn van de Gülenbeweging, zal worden berecht door een rechter die niet is ontslagen in de periode rondom de coup dan wel door een nieuw aangestelde rechter. Van concrete aanwijzingen dat daarbij een flagrante schending van zijn door artikel 6 van het EVRM gewaarborgde rechten dreigt, is niet gebleken (vgl. Advocaat-Generaal mr. D.J.C. Aben in zijn conclusie bij HR 23 mei 2017, ECLI:NL:2017:370).

4.7.

Dat de hiervoor gemelde omstandigheden hebben geleid tot aanzienlijke capaciteitsproblemen bij de rechterlijke macht in Turkije is genoegzaam gebleken. [eiser] heeft echter niet aannemelijk gemaakt of geconcretiseerd dat zijn proces zodanig traag zal verlopen dat hij een te lange tijd in voorarrest zal moeten doorbrengen en/of zijn zaak niet binnen een redelijke termijn zal worden behandeld. Evenmin is aannemelijk geworden dat [eiser] dan niet om sancties kan vragen en dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die gestelde inbreuk (zo volgt uit het hierna overwogene). Bij deze stand van zaken kan een beroep op artikel 6 EVRM niet slagen.

Artikel 3 EVRM

4.8.

[eiser] heeft in het kader van zijn beroep op een dreigende schending van artikel 3 EVRM allereerst verwezen naar de Turkse detentieomstandigheden. Volgens [eiser] wordt deze dreiging – naar de voorzieningenrechter begrijpt in het bijzonder de dreiging op marteling – versterkt door de Koerdische achtergrond van zijn zaak. Zoals reeds overwogen heeft [eiser] echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij tot een risicogroep behoort noch dat hij terecht staat in een politiek gevoelige zaak. [eiser] heeft verder een beroep gedaan op een rapport van mei 2016 van de VN commissie tegen Marteling, waarin staat vermeld dat het aantal gevangenen in korte tijd is gestegen, de gevangenissen daardoor overvol zijn en de medische zorg te wensen over laat. In de conclusie van [A] , waarnaar wordt verwezen in het bericht van Buitenlandse Zaken, en waar ook [eiser] naar heeft verwezen, wordt de situatie op voormelde gebieden (de omstandigheden in Turkse gevangenissen in zijn algemeenheid, de sanitaire condities en de hygiëne) getypeerd als bevredigend dan wel in ieder geval als aanvaardbaar. Ten aanzien van de hygiëne wordt ook gezegd dat die soms te wensen over laat, maar dat dit lang niet in alle gevallen geldt. Verder wordt vermeld dat de toegang tot medische voorzieningen onder druk staat, maar dit geen groot knelpunt lijkt te zijn, een en ander met de kanttekening dat dit alles wordt beïnvloed door de overbevolking. Gelet op dit alles, in samenhang bezien met de door Turkije eerder dit jaar gegeven garanties (waarover hierna meer) is er onvoldoende concrete basis voor de conclusie dat [eiser] in het bijzonder, dan wel iedere gedetineerde, een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM.

4.9.

Wat betreft de verwijzing door [eiser] naar de in Turkije uitgeroepen noodtoestand en het beroep dat Turkije in dat kader heeft gedaan op artikel 15 EVRM, heeft te gelden dat de in dat kader getroffen maatregelen zijn gericht tegen, kort gezegd, de Gülenbeweging. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] banden heeft met die beweging en uit dien hoofde risico loopt. Het beroep op artikel 15 EVRM kan voorts niet derogeren aan artikel 3 EVRM.

4.10.

[eiser] heeft verder betoogd dat hij in Turkse detentie hoogstwaarschijnlijk geen adequate behandeling zal krijgen voor zijn psychische klachten. Die klachten duiden volgens [eiser] op een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS). [eiser] heeft ter onderbouwing van die laatste stelling twee briefrapportages overgelegd. De eerste is van 19 mei 2015 van Stichting Sarya te Rotterdam. Daarin wordt aan de huisarts van [eiser] verzocht [eiser] door te verwijzen naar de forensische psychiatrie vanwege angstklachten die mogelijk te maken hebben met PTSS. In een briefrapportage van 30 juni 2016, afkomstig van een psychiater van i-psy Forensisch regio Zuid te Rotterdam , is opgenomen dat [eiser] op 9 juni 2016 is onderzocht en dat hij voorlopig is gediagnosticeerd met PTSS. Voorts is volgens dit bericht sprake van een forse lijdensdruk welke wordt gekenmerkt door angstklachten, slaapproblemen, prikkelbaarheid en agitatie. Gemeld wordt met welke behandeling getracht zal worden de klachten te verminderen.

4.11.

In hoeverre de klachten van [eiser] gerelateerd zijn aan de verzochte uitlevering kan aan de hand van de overgelegde stukken niet voldoende worden beoordeeld, maar dat deze klachten minst genomen deels situatief zijn en in het licht moeten worden bezien van de verzochte uitlevering kan wel worden aangenomen. In de bevindingen van voormelde stichting wordt melding gemaakt van een angst van [eiser] om opgepakt en uitgeleverd te worden en de gevolgen daarvan. De Staat heeft voorts gemotiveerd betoogd dat de klachten van [eiser] niet ongewoon zijn bij een naderend uitzicht op uitlevering. Het had op de weg van [eiser] gelegen om, naast het geven van meer inzicht in zijn psychische klachten, de diagnose en de noodzakelijke behandeling – en dat ook in een eerder stadium; de rechtbank Rotterdam heeft immers op 5 december 2014 de uitlevering van [eiser] al toelaatbaar verklaard – tevens aannemelijk te maken dat die behandeling in Turkse detentie niet mogelijk is en zijn uitlevering op medische gronden onverantwoord moet worden geacht. [eiser] heeft echter volstaan met de stelling dat het niet duidelijk is of en hoe zijn klachten in Turkije zullen worden behandeld. Dat is daartoe onvoldoende. De Staat kan worden gevolgd in zijn verweer dat onder deze omstandigheden geen goede grond is voor het bedingen van garanties ten aanzien van de behandeling in detentie van de psychische klachten van [eiser] of het gelasten van een nadere rapportage.

Artikel 13 EVRM

4.12.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een dreigende schending van artikel 13 EVRM. Aangezien Turkije als verzoekende staat is toegetreden tot het EVRM, mag er, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in 4.3, vanuit worden gegaan dat de uit te leveren persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter verdere strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, in geval hij wordt geconfronteerd met een schending van het EVRM, niet zou beschikken over een rechtsmiddel als bedoeld in voormeld artikel. De enkele verwijzing naar de weigering van Turkije om Öcalan opnieuw te berechten nadat het EHRM had bepaald dat Turkije meerdere artikelen van het EVRM had geschonden, is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat er bij [eiser] sprake is van een dreigende schending van artikel 13 EVRM. Dat betreft een andere zaak, die niet vergelijkbaar is met de onderhavige, met name omdat niet aannemelijk is geworden dat hier sprake is van een link met de Koerdische problematiek.

Bijzondere hardheid

4.13.

Ten aanzien van de stelling van [eiser] dat zijn psychische toestand maakt dat uitlevering tevens tot bijzondere hardheid leidt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van bijzondere hardheid neemt de voorzieningenrechter, gelet op het hiervoor genoemde vertrouwensbeginsel, tot uitgangspunt dat Turkije, als partij bij het EVRM, aan [eiser] de noodzakelijke medische behandeling kan en zal bieden. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.11, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitlevering zal leiden tot een zodanige onomkeerbare schade aan zijn gezondheid, dat op basis daarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat niet tot uitlevering dient te worden overgegaan. Van de door [eiser] gestelde bijzondere hardheid ten gevolge van zijn psychische situatie is dan ook geen sprake.

Terugkeergarantie

4.14.

De vraagtekens die [eiser] heeft gezet bij de waarde van de Turkse terugkeergarantie kunnen niet leiden tot toewijzing van het gevorderde. Vaststaat dat de Turkse autoriteiten de dubbele garantie hebben verstrekt, inhoudende dat – in geval [eiser] daarom na zijn veroordeling verzoekt – de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland is toegestaan, alsmede dat de Turkse autoriteiten akkoord gaan met toepassing van de omzettingsprocedure in Nederland. Ten aanzien van de terugkeergarantie geldt evenzeer dat de Staat hierop dient te vertrouwen, tenzij er sprake is van feiten of omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. Van dergelijke feiten en omstandigheden is niet gebleken. De stelling van [eiser] dat niet eerder een aan Turkije uitgeleverde persoon met een terugkeergarantie naar Nederland is teruggekeerd, staat niet in de weg aan de uitlevering van [eiser] , nu gesteld noch gebleken is dat er personen zijn die een dergelijk verzoek hebben gedaan en dat verzoek is geweigerd.

Alternatieven

4.15.

Uit de door de Staat in het geding gebrachte uitspraak van de rechtbank te Istanbul, als onder 2.6 bedoeld, volgt dat het betreffende verzoek van [eiser] door de Turkse autoriteiten is afgewezen. Aan het verzoek van [eiser] om de beslissing in die zaak af te wachten wordt dan ook voorbij gegaan. De meer subsidiaire vordering, waarbij als enig concreet alternatief het horen van [eiser] vanuit Nederland is genoemd, is gelet daarop niet voor toewijzing vatbaar.

De door Turkije gegeven garanties

4.16.

[eiser] heeft diverse op- en aanmerkingen geuit omtrent de door Turkije gegeven garanties, waarin geen concrete toezeggingen worden gedaan betreffende de duur van de procedure van [eiser] en de specifieke maatregelen die in zijn zaak worden genomen om te voorkomen dat de artikelen 3 en 6 EVRM worden geschonden, meer in het bijzonder ten aanzien van de redelijke termijn en de detentieomstandigheden. Het standpunt van [eiser] dat de garanties hierdoor onvoldoende informatie geven voor wat betreft de naleving van voormelde artikelen wordt verworpen. De Staat kan worden gevolgd in zijn verweer dat het geven van meer informatie op dit moment op sommige punten niet mogelijk is (zoals wanneer berechting plaatsvindt) dan wel niet nodig is, gelet op de verstrekte algemene informatie over de detentieomstandigheden als ook gezien het ontbreken in de zaak van een Koerdische link. Alhoewel niet is geconcretiseerd in welke inrichting [eiser] zal worden geplaatst, is wel gegarandeerd dat opgeëiste personen na uitlevering worden ondergebracht in een penitentiaire inrichting die geschikt is conform hun status, gelet op de categorie van strafbare feiten en de veiligheid. Verder heeft de Staat verklaard dat monitoring zal plaatsvinden doordat er consulaire bijstand wordt verleend. [eiser] kan gelet op het vorenstaande niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de gedane toezeggingen ontoereikend zijn.

Conclusie

4.17.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen.

4.18.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.843,-, waarvan € 1.224,- aan salaris advocaat en € 619,- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat [eiser] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2017.

ts