Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:885

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
AWB 16/22445; AWB 16/13738
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser was in Syrië werkzaam als directeur van een waterleidingbedrijf. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser in verband kan worden gebracht met het uithongeren van burgers als methode van oorlogsvoering, waarbij het opzettelijk onthouden van drinkwater als onderdeel van uithongering moet worden beschouwd. Dit is een misdrijf tegen de menselijkheid en een oorlogsmisdrijf. Aangenomen wordt dat eiser weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf en dat eisers handelen er in wezenlijke mate toe heeft bijgedragen dat het Syrische regime het misdrijf heeft kunnen plegen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op dit standpunt kunnen stellen. Eisers eigen verklaringen geven hiertoe voldoende aanleiding en gezaghebbende openbare bronnen bevestigen dat het misdrijf heeft plaatsgevonden. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich niet eerder aan het begane misdrijf kon onttrekken. Hij wordt dan ook niet van de verantwoordelijkheid voor zijn daden gevrijwaard wegens het handelen onder dwang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/22445 en 16/13738

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 januari 2017 in de zaken tussen

[eiser] , geboren op [1972] , van Syrische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Schoot).

Procesverloop

Op 22 juni 2016 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 13 september 2015 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 16/13738.

Bij besluit van 20 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 13 september 2015 afgewezen als kennelijk ongegrond en aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 16/22445.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het beroep tegen niet tijdig beslissen op de aanvraag

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb bepaalt dat bij niet tijdig beslissen niet eerst bezwaar hoeft te worden gemaakt alvorens beroep kan worden ingesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

2. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.

3. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw (…) binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Op grond van artikel 42, vierde lid, van de Vw kan de termijn voor het geven van een beschikking onder omstandigheden met ten hoogste negen maanden worden verlengd. Uit de beschikbare stukken blijkt dat verweerder van dit artikellid gebruik heeft gemaakt en eiser daarvan bij brief van 15 februari 2016 in kennis heeft gesteld. Gelet op het voorgaande had verweerder uiterlijk op 13 december 2016 op de aanvraag moeten beslissen.

4. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit voortijdig is ingediend, nu ten tijde van het indienen van het beroepschrift de beslistermijn voor het nemen van een besluit nog niet was verstreken. Anders dan eiser meent, kan naar het oordeel van de rechtbank hieraan niet afdoen dat verweerder zonder enige motivering heeft gekozen voor de maximaal mogelijke verlenging van de beslistermijn. In artikel 42, zevende lid, van de Vw is weliswaar bepaald dat verweerder desgevraagd informatie dient te verschaffen over de reden van de verlenging en de verwachte beslisdatum, maar uit deze bepaling of de Procedurerichtlijn volgt niet dat een niet nader geconcretiseerde en toegelichte verlenging niet rechtsgeldig is. Gelet hierop is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk.

Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het inreisverbod

5. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in de uitspraken van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) en 18 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:638) overwogen dat een vreemdeling tegen wie een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw (een zwaar inreisverbod) is uitgevaardigd, zolang een zwaar inreisverbod voortduurt, geen belang heeft bij beoordeling van een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van een zodanige vergunning.

6. Verder heeft de ABRvS overwogen dat in het kader van de toetsing van een zwaar inreisverbod ten volle aan de orde kan worden gesteld of een vreemdeling voldoet aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning. Verweerder moet bij uitvaardiging van een zwaar inreisverbod met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden een afweging maken tussen het algemeen belang dat wordt gediend met het beschermen van de openbare orde of veiligheid, de nationale veiligheid en de internationale betrekkingen en het individuele belang van een vreemdeling bij verblijfsaanspraken in Nederland, dan wel bescherming tegen uitzetting. Indien uit de toetsing van die afweging volgt dat de vreemdeling aan de vereisten voor verlening of verlenging van een verblijfsvergunning voldoet, is daarmee in beginsel gegeven dat een tegen hem uitgevaardigd inreisverbod niet in stand kan blijven.

7. Hieruit volgt dat de bestuursrechter eerst moet beoordelen of tegen eiser een inreisverbod had mogen worden uitgevaardigd. Of verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft kunnen afwijzen, kan ten volle in het kader van de toetsing van dat inreisverbod aan de orde worden gesteld. De rechtbank ziet daarom aanleiding de gronden van eiser gericht tegen de weigering van de verblijfsvergunning in het kader van het beroep tegen het inreisverbod te bespreken.

8. Eiser heeft tegen het opleggen van het inreisverbod aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat zijn persoonlijke gedragingen een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. De enkele verwijzing naar de 1F-tegenwerping is een onvoldoende motivering. De rechtspraak van de ABRvS kan gelet op het Unierecht en de uitspraak van het HvJEU van 11 juni 2015 in de zaak C-554/13, geen stand houden. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zeeland-West-Brabant heeft daarom op 9 juni 2016 prejudiciële vragen gesteld

9. Verweerder heeft aan eiser een inreisverbod opgelegd op grond van artikel 66a van de Vw. Omdat aan eiser artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, is sprake van een ernstig gevaar voor de openbare orde, waardoor het opleggen van een inreisverbod voor de duur van tien jaar gerechtvaardigd is. Verweerder verwijst naar vaste rechtspraak van de ABRvS (bijvoorbeeld de uitspraken van 16 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2008 en 28 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:270), waarin is overwogen dat de dreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving die uitgaat van de aanwezigheid in de samenleving van een persoon, van wie in rechte vaststaat dat ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij misdrijven heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, naar zijn aard blijvend actueel is.

10. Artikel 66a, eerste lid, van de Vw bepaalt dat Onze Minister een inreisverbod uitvaardigt tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid (…). In het vierde lid is bepaald dat het inreisverbod wordt gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de desbetreffende vreemdeling naar het oordeel van de minister een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Ter uitvoering van artikel 66a, vierde lid, van de Vw is in artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) met betrekking tot de duur van het inreisverbod de hoofdregel neergelegd dat de maximale duur twee jaren bedraagt. In het tweede tot en met zesde lid is bepaald in welke gevallen naar beneden of naar boven wordt afgeweken van deze duur. In het vijfde lid, voor zover thans van belang, is bepaald dat in afwijking van het eerste tot en met het vierde lid, de duur van een inreisverbod ten hoogste tien jaren bedraagt, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid.

11. De rechtbank stelt vast dat uit de genoemde wettelijke bepalingen volgt dat verweerder slechts bevoegd is een inreisverbod voor de duur van tien jaar uit te vaardigen als de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt. Omdat artikel 66a van de Vw een implementatie is van de Terugkeerrichtlijn, dient het begrip ‘gevaar voor de openbare orde’, als neergelegd in artikel 66a van de Vw, naar het oordeel van de rechtbank, te worden uitgelegd volgens het arrest van 11 juni 2015 het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaak Zh. en O. (ECLI:EU:C:2015:377). Zie in dit verband ook de uitspraak van de ABRvS van 2 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1550, in het bijzonder rechtsoverweging 7.1.). Vastgesteld moet dus worden of eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, vormt. Daarvoor dient allereerst vastgesteld te worden of verweerder aan eiser terecht artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen.

12. Eiser heeft aan zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel het volgende ten grondslag gelegd. Eiser behoort tot de Druzen. In de ogen van moslims zijn zij ongelovigen en om die reden worden zij gediscrimineerd. Verder was eiser werkzaam als overheidsambtenaar in de functie van directeur bij het waterschap. In die hoedanigheid werd hij regelmatig door militairen thuis opgehaald en meegenomen om waterleidingen af te sluiten,omdat het regime bang was dat de gewapende oppositie de leidingen gebruikte om zich schuil te houden en zich door de buizen te verplaatsen. Dit was heel risicovol vanwege mogelijke beschietingen. Verder moest eiser zich om zijn salaris te kunnen verkrijgen regelmatig melden bij het rekruteringsbureau. Daarbij liep hij iedere keer het risico om opgepakt te worden.

13. Verweerder heeft overwogen dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Eiser wordt in verband gebracht met het uithongeren van burgers als methode van oorlogsvoering, waarbij het opzettelijk onthouden van drinkwater als onderdeel van uithongering moet worden beschouwd. In Syrië is een gewapend intern conflict gaande. Het Syrische regime maakt zich schuldig aan een wijdverspreide, stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking, waarvan het afsluiten van de watervoorzieningen deel uitmaakt. Dit is een misdrijf tegen de menselijkheid en een oorlogsmisdrijf. De gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht zijn tevens aan te merken als een absoluut niet-politiek misdrijf. Aangenomen wordt dat eiser weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf en dat eisers handelen er in wezenlijke mate toe heeft bijgedragen dat het Syrische regime het misdrijf heeft kunnen plegen.

14. Op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, voor zover hier van belang, zijn de bepalingen van het verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen.

15. Om te bepalen of een vreemdeling verantwoordelijk is voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, onderzoekt verweerder of die vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (“knowing participation”) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (“personal participation”).

16. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat hij ten onrechte niet (aanvullend) is gehoord over de 1F-aspecten van zijn relaas. Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU maakt het recht om in elke procedure te worden gehoord integraal onderdeel uit van de eerbiediging van de rechten van de verdediging, hetgeen een fundamenteel beginsel van het Unierecht vormt. Het nader gehoor dat heeft plaatsgevonden is erg beperkt geweest en is niet gedaan door een gespecialiseerde 1F-medewerker, waardoor niet is doorgevraagd op relevante onderdelen. Het niet (aanvullend) horen van eiser is ook in strijd met de artikelen 4:8 en 3:2 van de Awb.

Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat er geen verplichting bestaat om aanvullend te horen. Uit de verklaringen van eiser blijkt reeds voldoende dat eiser de misdrijven heeft gefaciliteerd. Verder is eiser, bijvoorbeeld middels de zienswijze, voldoende in de gelegenheid gesteld om zich te verweren tegen de beschuldiging van 1F-gedragingen.

17. De rechtbank stelt vast dat eiser is gehoord naar aanleiding van zijn asielaanvraag. Er heeft een nader gehoor plaatsgevonden, waarin eiser voldoende de gelegenheid heeft gehad zijn asielaanvraag uiteen te zetten en toe te lichten. Bovendien heeft eiser, nadat hem bekend was geworden dat verweerder het voornemen had om artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan hem tegen te werpen, de gelegenheid gehad zich hierover (schriftelijk) uit te laten in een zienswijze. Reeds gelet hierop volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden. Dat uit dit beginsel voor verweerder de verplichting volgt eiser aanvullend te horen door een gespecialiseerde medewerker van de 1F-unit nadat er een 1F-verdenking is ontstaan, volgt de rechtbank niet. Dit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de door eiser aangehaalde jurisprudentie van het HvJEU. Evenmin is sprake van schending van de artikelen 4:8 en 3:2 van de Awb.

18. Door eiser is niet bestreden dat in het algemeen het afsluiten van (drink)waterleidingen als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking, een misdaad is tegen de menselijkheid en aangemerkt kan worden als een oorlogsmisdrijf begaan tijdens een intern gewapend conflict, zoals door verweerder gemotiveerd is overwogen. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van verweerder. Eiser heeft aangevoerd dat in zijn geval geen sprake is van een misdrijf of een bijdrage hieraan. Ook voor de oorlog werd de watertoevoer om de twee dagen afgesloten. Dit heeft te maken met de ligging van de waterleiding in een berg en hoogteverschillen aan beide kanten van de berg. Bovendien was de waterleiding niet de enige bron; bewoners hadden ook toegang tot waterputten. Verweerder heeft met de stelling dat eiser heeft verklaard dat hij zich bewust was van het effect dat het op mensen had, onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een misdrijf, aldus eiser.
Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat hetgeen eiser stelt in tegenspraak is met dat wat uit openbare bronnen is gebleken over het afsluiten van de watertoevoer als wapen bij belegeringen door het Syrische leger. Ook is het niet in overeenstemming met eisers eigen verklaringen. Eiser heeft immers duidelijk aangegeven dat hij zich bewust was van het effect dat het afsluiten van water had op de inwoners van de afgesloten gebieden en hij heeft blijk gegeven van gewetensnood hierover.

19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf. Verweerder heeft eiser terecht niet gevolgd in zijn stelling dat de waterafsluitingen waaraan hij heeft meegewerkt, uitsluitend de gebruikelijke praktijk betroffen in verband met hoogteverschillen tussen de verschillende gebieden. Eiser heeft weliswaar verklaard en ook aangetoond dat het voor het uitbreken van de oorlog gebruikelijk was dat de watertoevoer steeds enkele dagen werd afgesloten om een ander gebied van water te kunnen voorzien. Uit eisers verklaringen tijdens het nader gehoor blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter duidelijk dat hij tijdens het gehoor niet over deze gebruikelijke afsluitingen sprak, maar over afsluiting van de watertoevoer als onderdeel van de oorlogsvoering door het Syrische regime. Zo heeft eiser verklaard dat de opdracht om het water af te sluiten te maken had met de angst van het regime dat de grote waterleidingen werden gebruikt door de gewapende groeperingen om zich schuil te houden en zich door de buizen te verplaatsen. Ook heeft hij verklaard dat het ging om het afsluiten van water voor gebieden die onder controle lagen van de oppositie of gewapende groeperingen. Uit eisers verklaringen blijkt bovendien dat hij zich bewust was van het effect hiervan op de burgerbevolking. Eiser spreekt zelf van “veel impact”, noemt het afsluiten van de waterleidingen niet humaan en verklaart daarbij dat hij het vreselijk vond om het te moeten doen (pagina 8 van het nader gehoor). Dat de burgerbevolking ook de beschikking had over waterputten, zoals eiser heeft verklaard, maakt het vorenstaande niet minder ernstig. Eiser heeft immers tevens verklaard dat de waterputten slechts in ongeveer tien procent van de waterbehoefte konden voorzien.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het plegen van het misdrijf. Eiser heeft verklaard dat hij beschikte over kaarten en de kennis over hoe de leidingen ondergronds lopen en welke leiding naar welk gebied gaat. Aannemelijk is dan ook dat het misdrijf niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden als niemand de rol van eiser had vervuld.

20. Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat in Moaddamiya sprake was van misdrijven tegen de menselijkheid door uitdroging door afsluiting van de waterleidingen en dat onvoldoende is aangetoond dat dit in de relevante periode (eind 2014) het geval was. Eiser is slechts een korte periode, te weten van september 2014 tot januari 2015 betrokken geweest bij het afsluiten van waterleidingen en niet al in 2012 zoals verweerder stelt. Eiser ontkent dat in Moaddamiya sprake is geweest van het laten uitdrogen van de burgerbevolking. Verweerder verwijst slechts naar één bron, te weten Amnesty International, waarin is gesteld dat in Moaddamiya water is afgesloten door het regime (in 2012). Een duidelijke bronvermelding ontbreekt in het rapport. Verweerder heeft deze bron ten onrechte zonder nader onderzoek als volledig juist en accuraat aangemerkt en aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Eiser verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de ABRvS van 10 maart 2016, waarin de ABRvS een rapport van Amnesty International onvoldoende acht in het kader van de vraag of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een gegronde vrees. Bovendien was in Moaddamiya het water in handen van de oppositie, zodat afsluiten ook niet mogelijk was. Inmiddels is de controle over de belangrijkste waterbron voor Damascus overgedragen aan burgerlijke autoriteiten. Het regime probeert hier de controle over te krijgen en in reactie daarop is het water afgesloten door de groep in controle, waardoor het regime tegemoet is gekomen aan hun wensen, aldus eiser. Eiser ontkent ook dat hij in 2012 in de bedoelde gebieden heeft gewerkt en de bedoelde handelingen heeft verricht. Eiser heeft dit nooit verklaard en op verweerder rust de bewijslast van deze stelling. Als verweerder eiser had gehoord had hij hierover kunnen verklaren. Vragen naar de precieze functie en organisatie zijn, gelet op de rechtspraak van de HvJEU, cruciaal voor een zorgvuldige beoordeling van een mogelijke tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft niet voldaan aan de bewijslast door aan te nemen dat eiser die handelingen in 2012 heeft verricht. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk wordt geacht dat eiser de hem verweten gedragingen slechts gedurende een korte periode zou hebben verricht. Eiser was immers sinds 2009 de directeur van de watervoorziening en uit eisers verklaringen blijkt dat het Syrische leger zijn expertise nodig had om de waterleidingen af te sluiten. Dat de waterleidingen in 2012 zonder zijn tussenkomst zouden zijn afgesloten is niet geloofwaardig.

21. De rechtbank begrijpt eisers betoog zo dat hij stelt – samengevat – dat uit de openbare bronnen niet volgt dat in het gebied waar hij verantwoordelijk voor was, in de betreffende periode waterafsluitingen (althans waterafsluitingen als misdrijf tegen de burgerbevolking) hebben plaatsgevonden. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit eisers eigen verklaringen afdoende blijkt dat hij meerdere malen betrokken is geweest bij de afsluiting van waterleidingen. Op pagina 6 van het nader gehoor antwoordt eiser op de vraag of hij wel eens bewust water heeft afgesloten voor bepaalde gebieden op enig moment: “Ja, ik werd daartoe verplicht.” En op pagina 7 verklaart eiser: “Ik heb bijvoorbeeld een keer een opdracht ontvangen om in Moaddamiya te komen. Ik moest daar komen om het water af te sluiten. Er werden daarbij tanks meegestuurd om ons te bewaken zodat wij de opdracht konden uitvoeren. Toen hebben wij het water afgesloten. Ik heb ook meegemaakt dat we dit in andere gebieden moesten doen.” Op de vraag hoe vaak een dergelijke situatie is voorgekomen, antwoordt eiser: “Ongeveer tien keer.” Uit deze verklaringen van eiser zelf heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan dit misdrijf. Daarbij gaat de rechtbank voorbij aan eisers latere verklaring dat hij slechts vijf maal mee moest met het leger in verband met de waterleiding en vijf maal in verband met het betalen van salaris van de ambtenaren die daar nog werkten. Ook indien eiser vijf maal zou hebben meegewerkt aan het afsluiten van (drink)watervoorzieningen, zou dit de conclusie kunnen dragen dat eiser zich meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan dit misdrijf. Overigens valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom eiser dit onderscheid – indien hij dat relevant vindt – niet tijdens het nader gehoor al heeft gemaakt.

22. Verweerder heeft zich verder naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen worden bevestigd door openbare bronnen, die melding maken van het afsluiten door het Syrische regime van de drinkwatervoorziening naar gebieden die door het regime worden belegerd. Verweerder heeft daarbij niet slechts verwezen naar een rapport van Amnesty International, zoals eiser stelt, maar ook naar andere gezaghebbende bronnen, zoals de Human Rights Council van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de UNHCR, het US Department of State en het algemene ambtsbericht over Syrië van de minister van Buitenlandse Zaken van augustus 2014. Uit al deze bronnen blijkt dat het Syrische regime zich schuldig maakt aan het uithongeren en uitdrogen van burgers als methode van oorlogsvoering. Een aantal van deze bronnen noemt bovendien expliciet de gebieden die ook door eiser zelf zijn genoemd, te weten Moaddamiya en Darayya. De periode waarin eiser betrokken is geweest bij het plegen van het misdrijf doet naar het oordeel van de rechtbank minder ter zake. Tijdens het nader gehoor is eiser hier niet naar gevraagd en hij heeft ook zelf geen data genoemd. Aan eisers latere verklaring dat hij uitsluitend in de periode van september 2014 tot januari 2015 betrokken is geweest bij het afsluiten van waterleidingen hecht de rechtbank niet de waarde die eiser daaraan gehecht wil zien. Bovendien blijft, ook als uitgegaan wordt van de juistheid van deze latere verklaring van eiser, overeind dat eiser heeft verklaard circa tien keer het water te hebben afgesloten. Eiser is dus blijkens zijn eigen verklaring betrokken geweest bij het misdrijf en gezaghebbende openbare bronnen bevestigen dat het misdrijf heeft plaatsgevonden.

23. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte “knowing participation” tegenwerpt. Verweerder baseert zich hiervoor slechts op eisers functie en zijn eigen verklaringen. Eiser had weliswaar een (ondergeschikte) leidinggevende functie, maar verweerder miskent dat deze niet in een organisatie was die verantwoordelijk is voor de gepleegde misdrijven. Dat is immers het regime en met name het leger. Eiser ziet niet in waarom hij als leidinggevende van de watervoorziening op de hoogte moet zijn geweest van een systematische aanval tegen de burgerbevolking door uithongering. Eiser is niet op de hoogte geweest van de door verweerder geciteerde rapporten van de VN en de UNHCR en Amnesty International. Aangezien de bewijslast op verweerder rust, is het oordeel dat eiser kennis had van de aanval onvoldoende gemotiveerd.

Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiser nooit zou hebben begrepen dat het afsluiten van de watertoevoer door het Syrische regime bedoeld zou zijn om de burgerbevolking uit te hongeren en dat hij nooit zou hebben begrepen dat zijn eigen handelen daaraan in wezenlijke mate zou hebben bijgedragen. Eiser was immers als geen ander op de hoogte van de watervoorziening in het gebied en daarmee van de gevolgen die het afsluiten van de watertoevoer op de burgerbevolking zou hebben.

24. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij wist wat hij deed. Dit blijkt expliciet uit eisers hiervoor onder rechtsoverweging 19 al vermelde verklaringen dat het veel impact had om de waterleidingen af te sluiten, dat het inhumaan was en dat hij gedwongen werd om het te doen (pagina 8 van het nader gehoor). Daarnaast wijst de strekking van het gehele nader gehoor erop dat eiser zich bewust was van de gevolgen van de handelingen die hij gedwongen werd te verrichten en dat hij het vreselijk vond om het te doen. Verweerder heeft dan ook niet aannemelijk kunnen achten dat eiser niet op de hoogte was van het feit dat het Syrische regime uithongering als oorlogstactiek toepaste. Dat eiser geen deel uitmaakte van de organisatie die opdracht gaf tot het afsluiten van de waterleidingen, doet hieraan niet af.

25. Tot slot voert eiser aan dat hij handelde onder dwang en/of op bevel en dat verweerder zich onterecht op het standpunt stelt dat eiser zich aan het misdrijf had kunnen onttrekken door eerder zijn land te ontvluchten. Het handelen op bevel valt onder artikel 33 van het Statuut van Rome en daarin speelt de vraag of eiser zich kan onttrekken aan het misdrijf geen rol. De mogelijkheid zich aan het misdrijf te onttrekken is weliswaar in het beleid van verweerder een voorwaarde voor een geslaagd beroep op dwang, maar deze voorwaarde wordt niet gesteld in artikel 31 van het statuut van Rome en mag niet zo worden uitgelegd dat van eiser verwacht wordt dat hij vlucht uit zijn land. Eiser heeft zich zo spoedig als mogelijk was onttrokken aan het misdrijf.

26. De rechtbank stelt vast dat artikel 33 van het Statuut van Rome betrekking heeft op het handelen onder bevel van een meerdere op grond van een wettelijk voorschrift. Dit artikel gaat niet over het handelen onder dwang. In het voornemen en het besluit is verweerder gemotiveerd ingegaan op hetgeen eiser heeft aangevoerd over het handelen onder dwang. Gelet op wat door eiser in zijn zienswijze en aanvullende zienswijze is aangevoerd (waarin eiser weliswaar de term ‘bevel’ enkele keren noemt maar in zijn toelichting aansluit bij de inhoud van het beleid van verweerder inzake dwang) en de eisen die artikel 33 van het Statuut van Rome stelt aan de ontheffing van een persoon van strafrechtelijke aansprakelijkheid voor een krachtens een bevel van een meerdere gepleegd misdrijf, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank kunnen beperken tot het toetsen aan zijn beleid over het vrijwaren van een vreemdeling van verantwoordelijkheid wegens dwang. Volgens dit beleid van verweerder is een vreemdeling niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid voor zijn daden indien voor de vreemdeling de mogelijkheid bestond zich te onttrekken aan het begane misdrijf. Anders dan eiser lijkt te betogen, wordt in het beleid van verweerder niet de eis gesteld dat de vreemdeling vlucht uit zijn land. Wel is in de onderhavige zaak, zo blijkt uit het bestreden besluit, de mogelijkheid uit Syrië te vluchten een omstandigheid geweest die verweerder heeft meegewogen in het kader van de vraag of voor eiser de mogelijkheid bestond zich aan de misdrijven te onttrekken. De rechtbank acht het stellen van de voorwaarde dat de vreemdeling zich indien mogelijk onttrekt aan het misdrijf, in het kader van persoonlijke vrijwaren van verantwoordelijkheid in geval van dwang, niet in strijd met artikel 31 lid 1, aanhef en onder d, van het Statuut van Rome, waarin onder bepaalde omstandigheden strafrechtelijke aansprakelijkheid is uitgesloten indien sprake is van dwang. Eisers betoog dat uit rechtspraak uit Canada en het Verenigd Koninkrijk volgt dat artikel 1F slechts aan iemand kan worden tegengeworpen als hij vrijwillig heeft bijgedragen aan het plegen van het misdrijf en dat deze eis ten onrechte niet blijkt uit het beleid van verweerder, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft in het beleid vrijwillige deelname aan het misdrijf niet als algemeen toepasselijke voorwaarde opgenomen, maar verwijst door naar de specifieke strafuitsluitingsgronden.

27. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich niet eerder aan het begane misdrijf kon onttrekken. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft eiser verklaard dat het ongeveer tien maal is voorgekomen dat hij werd gedwongen waterleidingen af te sluiten. Niet gebleken is dat eiser na één of enkele malen serieuze pogingen heeft ondernomen om zich verder aan het plegen van de misdrijven te onttrekken door weg te gaan uit de betreffende regio, dan wel Syrië geheel te verlaten. De stelling van eiser dat hij zich niet eerder kon onttrekken aan het misdrijf omdat hij, als overheidsfunctionaris, afhankelijk was van toestemming van zijn meerdere en hij deze toestemming pas kreeg toen zijn vader ziek werd, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat eiser, als hij zich daadwerkelijk eerder had willen onttrekken aan het misdrijf, op zijn minst had kunnen proberen om eerder toestemming te verkrijgen en ook hiervan is niet gebleken. Ten slotte acht de rechtbank in dit verband nog van belang dat eiser heeft verklaard uiteindelijk het land te hebben verlaten omdat zijn eigen veiligheid in gevaar was en niet omdat hij zich wilde onttrekken aan het plegen van misdrijven. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet gevrijwaard is van de verantwoordelijkheid voor zijn gepleegde daden.

28. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser verantwoordelijk gehouden kan worden voor misdrijven zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Dit rechtvaardigt de conclusie dat eiser een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, vormt.

29. De rechtbank ziet in de hiervoor genoemde prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Zeeland-West-Brabant, geen aanleiding om deze zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het HvJEU. De door eiser gepleegde misdrijven hebben plaatsgevonden in de periode 2012/2014-2015 en zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook actueel. De door de rechtbank Zeeland-West-Brabant voorgelegde vraag kan in deze zaak dan ook in het midden blijven. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers persoonlijke gedragingen een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen en aan hem een inreisverbod voor de duur van tien jaar op kunnen leggen.

30. Het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, is ongegrond. Omdat het inreisverbod stand houdt heeft eiser, gelet op artikel 66a, zevende lid, van de Vw geen belang bij de beoordeling van zijn beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

31. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het opleggen van een inreisverbod van tien jaar ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, voorzitter, en mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. M. den Heijer, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.