Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8848

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
17 / 8744
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nareis. Meerderjarig kind. De rechtbank is van oordeel dat verweerder van onjuiste dan wel onvolledige feiten is uitgegaan. Gebleken is immers dat de feiten en omstandigheden van de vlucht van het gezin waartoe eiser behoort/behoorde niet volledig in kaart werden gebracht. Alhoewel de rechtbank voorts van oordeel is dat de door eiser overgelegde stukken onvoldoende aantonen dat eisers ouders in de periode voorafgaand aan het primaire besluit geld aan hem overmaakten, baseert verweerder zich voor wat betreft zijn standpunt over eisers financiële zelfstandigheid ten onrechte uitsluitend op de verklaring van referent in het Verificatie gehoor in diens asielprocedure. Derhalve heeft verweerder onvoldoende onderzocht of de feitelijke gezinsband is doorbroken, waarmee het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/8744

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J.F.M. Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging in het kader van nareis afgewezen.

Bij besluit van 12 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en zijn vader [naam vader] (referent). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. El Mansouri. Verder zijn als toehoorders verschenen [naam moeder] , zijnde de moeder van eiser en [naam zus] , [naam zus] en [naam zus] , zijnde de zussen van eiser.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op [geboortedag] 1996 en van Syrische nationaliteit, is de meerderjarige zoon van referent, geboren op [geboortedag] 1971 en eveneens van Syrische nationaliteit. Referent is bij besluit van 9 december 2015 op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 11 januari 2016 hebben eiser, zijn moeder en drie zussen een aanvraag tot het verlenen van een mvv in het kader van nareis asiel ingediend. Zij beogen verblijf bij referent. De moeder en zussen van eiser zijn inmiddels in het bezit gesteld van de gevraagde mvv en in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning.

2. Verweerder heeft echter de aanvraag van eiser afgewezen en het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard omdat, aldus verweerder, de feitelijke gezinsband is verbroken. Verweerder heeft hiertoe redengevend geacht dat eiser gedurende tenminste één jaar zelfstandig in Libanon heeft gewoond, terwijl het gezin op dat moment naar Turkije is gevlucht. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser in zijn eigen levensonderhoud voorziet.

3. Eiser heeft weersproken dat de feitelijke gezinsband is verbroken. Hiertoe heeft hij gewezen op de omstandigheden waaronder de scheiding tot stand is gekomen en gesteld dat sprake was van een noodgedwongen scheiding van het gezin. Bovendien hadden zij dagelijks contact met elkaar en is eiser in financiële en in feitelijke zin afhankelijk van zijn ouders. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000, voor zover van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met de vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling;

b. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin;

(…)

6. In het Besluit van verweerder van 21 juli 2015, nummer WBV 2015/10, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald.

“Feitelijke gezinsband

De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 tweede lid, Vw, als de kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner feitelijk behoren tot het gezin van de referent. De referent in Nederland moet aantonen dat zijn kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner vóór binnenkomst van de referent in Nederland feitelijk tot zijn gezin hebben behoord en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. De referent onderbouwt dit met documenten. De referent moet aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen verstrekken over het feitelijk behoren tot zijn gezin van zijn kinderen of ouders, als de referent de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen. Vorenstaande is ook van toepassing op niet-biologische (adoptie- of pleeg)kinderen. Voor het beoordelen van de feitelijke gezinsband tussen ouders en hun biologische kinderen wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het beleid als beschreven in B7/3.2.1. Vc. Dit wordt als volgt uitgelegd:

(…)

Meerderjarige kinderen

Voor meerderjarige kinderen geldt eveneens dat het kind feitelijk moet behoren tot het gezin van de referent. In dit geval moet er sprake zijn van een normale afhankelijkheidsrelatie tussen de referent en het meerderjarige kind en dient de referent aan te tonen dat het meerderjarig kind in het buitenland altijd feitelijk tot zijn gezin heeft behoord en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. Voor de beoordeling of het meerderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin wordt niet alleen betrokken de gezinssituatie ten tijde van de beoordeling van de aanvraag, maar ook de gezinssituatie ten tijde van het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst (dan wel land van bestendig verblijf). Indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden (contra-indicaties), kan in ieder geval worden aangenomen dat het meerderjarige kind niet langer feitelijk tot het gezin van de ouder(s) behoort:

− het kind woont zelfstandig;

− het kind voorziet in eigen onderhoud;

− het kind is een huwelijk of een relatie aangegaan;

− het kind is belast met de zorg voor een buitenechtelijk kind.

Wanneer sprake is van één of meerdere contra-indicaties zal per individueel geval beoordeeld worden of de feitelijke gezinsband verbroken is.”

7. De rechtbank stelt vast dat, anders dan door de gemachtigde van eiser in bezwaar gesteld, uit het Verificatie gehoor van referent van 26 november 2015 blijkt dat referent na zijn vertrek uit Syrië op 14 mei 2015 niet meer terugkeerde naar Syrië. Uit de in-en uitreisstempels in het paspoort van referent, verwezen zij naar pagina 4 en pagina 8 van voornoemd gehoor, is immers af te leiden dat referent op 14 mei 2015 Syrië is uitgereisd en op dezelfde dag Libanon is ingereisd. Vervolgens blijkt uit de in-en uitreisstempels van het paspoort van referent dat hij op 3 juni 2015 Libanon is uitgereisd en op dezelfde dag Turkije is ingereisd. Daarnaast blijkt uit hetzelfde Verificatie gehoor, (pagina 4 onderaan) dat de moeder en de zussen van eiser eveneens in Libanon verbleven en zij samen met referent naar Turkije zijn gevlucht. Verder heeft referent tijdens het eerste gehoor van 26 november 2015 verklaard dat eiser in Libanon werk heeft gevonden. Tijdens datzelfde gehoor heeft referent verklaard dat eiser vanuit Libanon geld stuurt naar zijn moeder en zussen. Vervolgens heeft eiser op 2 juni 2016 nog verklaard dat eiser in Libanon verblijft op een boerderij met zijn grootouders, waar hij werkt om in zijn onderhoud te voorzien.

Voorts heeft de moeder van eiser ter zitting verklaard dat zij met het gehele gezin in Libanon verbleven. Toen het gezin in Libanon onderweg was naar het vliegveld om naar Turkije te vluchten, moesten zij langs een controlepost van Hezbollah. Dat durfden eiser en zijn ouders niet aan, zodat eiser achterbleef in Libanon. Eiser heeft vervolgens meermaals geprobeerd om alsnog naar Turkije te vluchten. Eiser kon de vluchtroute via Turkije niet afleggen omdat die door Hezbollah gecontroleerd gebied leidde, hetgeen risico voor eiser betekende dat hij door Hezbollah zou worden ingelijfd. Ook een visum aanvragen voor Turkije werd onmogelijk door de hoge kosten en de steeds moeilijkere voorwaarden voor een Turks visum.

8. In het bestreden besluit en ook ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat niet wordt betwist dat eiser niet naar het gezin in Turkije kon reizen omdat dit te gevaarlijk en later te duur was. Echter wordt niet ingezien waarom de moeder van eiser, die Libanese is, niet naar hem toe kon gaan in Libanon, aldus verweerder. Dit argument van verweerder snijdt naar het oordeel van de rechtbank geen hout, nu verweerder hiermee eraan voorbijgaat dat referent heeft verklaard dat ook de moeder (en de drie zussen) van eiser in Libanon verbleven.

9. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat eiser in zijn eigen levensonderhoud voorziet. Hij baseert zich daarbij op het Verificatie gehoor van referent waarin deze heeft verklaard dat eiser werkt en geld stuurt naar zijn moeder en drie zussen in Turkije, omdat deze verklaring niet is gewijzigd in de correcties en aanvullingen van de asielprocedure. Eiser heeft gesteld dat niet hij aan zijn moeder en zussen geld stuurde, maar zijn moeder vanuit Turkije aan hem. Ook referent stuurde eiser geld en doet dat nog steeds. Hij heeft ter onderbouwing van zijn stelling stukken overgelegd.

10. De rechtbank is van oordeel dat uit voorgaande blijkt dat verweerder van onjuiste dan wel onvolledige feiten is uitgegaan. Gebleken is immers dat de feiten en omstandigheden van de vlucht van het gezin waartoe eiser behoort/behoorde niet volledig in kaart werden gebracht. Alhoewel de rechtbank voorts van oordeel is dat de door eiser overgelegde stukken onvoldoende aantonen dat eisers ouders in de periode voorafgaand aan het primaire besluit geld aan hem overmaakten, baseert verweerder zich voor wat betreft zijn standpunt over eisers financiële zelfstandigheid ten onrechte uitsluitend op de verklaring van referent in het Verificatie gehoor in diens asielprocedure. Dat in die procedure geen correcties en aanvullingen op dit punt naar voren waren gebracht, acht de rechtbank onvoldoende redengevend om voorbij te kunnen gaan aan eisers betwisting daarvan.

Derhalve heeft verweerder onvoldoende onderzocht of de feitelijke gezinsband is doorbroken, waarmee het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Daarmee behoeven de overige gronden geen bespreking.

9. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikelen 3:2, 7:12 en 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet in deze situatie geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 168,= vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de kosten die eiser in verband met het stellen van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) bepaald op € 990,= (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 495,=; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 168,= aan hem te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 990,= te voldoen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.T. Coenegracht, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Haddoumi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 26 juli 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.