Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8784

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
09.827610.16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt 19-jarige man uit Honselersdijk (gemeente Westland) tot 30 maanden gevangenis voor het moedwillig veroorzaken van een auto-ongeluk na een achtervolging op de openbare weg. De rechtbank verklaart poging tot doodslag, roekeloos verkeersgedrag en verlaten van de plaats van het ongeval bewezen. Tussen verdachte en zijn familieleden enerzijds en zijn slachtoffers en hun familieleden anderzijds woedt kennelijk een vete waarvan de aanleiding en de precieze omvang vanwege het stilzwijgen van alle betrokkenen niet duidelijk zijn geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827610-16

Datum uitspraak: 2 augustus 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [P.I.] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 15 december 2016 (pro forma),

13 maart 2017 (inhoudelijk), 17 mei 2017 (pro forma) en 19 juli 2017 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L.E. van der Leeuw en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte

mr. I.A. Groenendijk, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzittingen van 15 december 2016 en 13 maart 2017 – ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 september 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk

- met een door hem, verdachte, bestuurde auto over een langere afstand met (te) hoge snelheid op zeer korte afstand heeft gereden van de auto waarin die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] reden en/of (vervolgens)

- met die (te) hoge snelheid de auto van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft aangetikt tengevolge waarvan die auto over de kop is geslagen en/of is gaan tollen en/of tegen een geluidswal is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 september 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (minimale) klaplong, heeft toegebracht door

- met een door hem, verdachte, bestuurde auto over een langere afstand met (te) hoge snelheid op zeer korte afstand heeft gereden van de auto waarin die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] reden en/of (vervolgens)

- met die (te) hoge snelheid de auto van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft aangetikt tengevolge waarvan die auto over de kop is geslagen en/of is gaan tollen en/of tegen een geluidswal is gebotst;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 september 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- met een door hem, verdachte, bestuurde auto over een langere afstand met (te) hoge snelheid op zeer korte afstand heeft gereden van de auto waarin die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] reden en/of (vervolgens)

- met die (te) hoge snelheid de auto van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft aangetikt tengevolge waarvan die auto over de kop is geslagen en/of is gaan tollen en/of tegen een geluidswal is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 14 september 2016 te Honselersdijk, gemeente Westland en/of Naaldwijk, gemeente Westland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Middelbroekweg en/of de Burgemeester Elsenweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- één of meerdere ma(a)l(en) door rood licht te rijden en/of

- te rijden met een gezien de verkeersituatie ter plaatse (te) hoge snelheid en/of

- te rijden op zeer korte afstand van een voor hem, verdachte, rijdende motorrijtuig en/of

- met zijn motorrijtuig is op of aan te rijden tegen een voor hem, verdachte, rijdende motorrijtuig,

waardoor (een) ander(en) genaamd

a. a) [slachtoffer 1] ) en/of

b) [slachtoffer 2]

zwaar lichamelijk letsel, te weten

a. a) een klaplong en/of kneuzing linkerknie en/of wondjes rechterhand en/of gezwollen hals (linkerzijde) en/of diverse schaafwonden en/of

b) een klaplong (rechts) en/of forse hematomen in de onderbuik en/of een zwelling linkerwang en/of meerdere schaafwonden,

of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

3.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Naaldwijk, gemeente Westland op/aan de Burgemeester Elsenweg, op of omstreeks 14 september 2016, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan (een) ander(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) letsel en/of schade was toegebracht.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Op 14 september 2016 heeft op de Burgemeester Elzenweg te Naaldwijk, gemeente Westland, een aanrijding plaatsgevonden tussen een personenauto (een Ford Focus) en een andere personenauto (een Ford Fiësta).2 De inzittenden van de Ford Fiësta waren [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2] ).

Getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) heeft verklaard dat hij op 14 september 2016 omstreeks 14:30 uur met zijn auto voor de verkeerslichten op de Veilingroute stond. Hij was voornemens linksaf te slaan op de Middel Broekweg. Op het moment dat het verkeerslicht groen werd, zag hij vanaf de rechterkant twee auto’s aan komen rijden. Zij reden erg hard en kennelijk door een rood verkeerlicht heen. [getuige 1] zag dat zij doorreden en moest hard remmen om een aanrijding te voorkomen. De achterste auto betrof een Ford Focus en de voorste auto een Ford Fiësta. Hij vond het een kat- en muisspel. [getuige 1] heeft verklaard dat hij vervolgens linksaf is geslagen en vervolgens nogmaals linksaf de Burgemeester Elsenweg op. Op die weg zag hij dat beide auto’s zo hard over een verkeersdrempel reden, dat zij loskwamen van de grond.3

Getuige [getuige 4] (hierna: [getuige 4]) heeft verklaard dat zij op 14 september 2016 omstreeks 14:30 uur met haar auto op de Middel Broekweg te Honselersdijk voor een rood stoplicht stond. Op dat moment passeerden twee auto’s haar rechts met hoge snelheid en sloegen linksaf de Burgemeester Elsenweg in, terwijl het verkeerslicht voor linksaf rood was. [getuige 4] had het gevoel dat beide auto’s bij elkaar hoorden. Zij vond het wel spannend en gevaarlijk. De auto’s reden ook heel gevaarlijk, aldus [getuige 4].4

Getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) heeft verklaard dat hij op 14 september 2016 omstreeks 14:30 uur op de Burgemeester Elsenweg te Naaldwijk reed. Hij zag dat twee voertuigen met hoge snelheid in zijn richting kwamen rijden. De voorste auto sneed de achterste auto een aantal maal de pas af. Dit gebeurde zeker twee à drie keer. Het leek alsof de voorste auto de achterste auto niet voorbij wilde laten gaan. [getuige 2] dacht nog bij zichzelf dat dit nooit goed kon gaan. Op het moment dat beide voertuigen ter hoogte van [getuige 2] reden zag hij dat het achterste voertuig het voorste voertuig raakte. Het voorste voertuig ging vervolgens de geluidswal in.5

Verbalisant [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ) heeft op 14 september 2016 op de plaats van het ongeval de Ford Fiësta aangetroffen. Deze had rondom schade en de airbags waren uitgeklapt. Rechts van de auto was de geluidswal kapot. [getuige 3] zag dat een van de slachtoffers onder het bloed zat, en dat hij steeds weg viel en moeilijk bij kennis te houden was. Het andere slachtoffer was hevig aan het trillen en had verwondingen bij zijn nek.6

Uit onderzoek van de afdeling verkeersongevallenanalyse van het team Forensische Opsporing van de politie is gebleken dat de Ford Focus, kort voor de confrontatie met de Ford Fiësta, de rechter rijstrook van de burgemeester Elzenweg, komende uit de richting van de Middel Broekweg, heeft bereden. De Ford Focus reed hierbij rechts achter de Ford Fiësta. Gebleken is dat de Ford Focus met de linker voorzijde in confrontatie is geweest met de rechter achterzijde van de Ford Fiësta. Als gevolg van deze confrontatie is de Ford Fiësta in een rechtsom roterende beweging geraakt en met de voorzijde tegen de onderste panelen van een geluidswal gebotst. Tijdens de confrontatie met de geluidswal is het gehele motorblok uit de Ford Fiësta gebroken en achter de geluidswal beland. Na de confrontatie met de geluidswal is de Ford Fiësta doorgedraaid en uiteindelijk in de berm rechts naast de rijbaan geëindigd. Aan de hand van de aangetroffen schade kan geconcludeerd worden dat de snelheid van de Ford Focus hoger heeft gelegen dan de snelheid van de Ford Fiësta.7

[slachtoffer 1] heeft door het ongeval een minimale klaplong, een gezwollen hals, (schaaf)wonden en een kneuzing aan zijn linkerknie opgelopen.8 [slachtoffer 2] heeft door het ongeval een minimale klaplong, forse hematomen op de onderbuik, een zwelling van de linkerwang en meerdere schaafwonden opgelopen.9

Over deze feiten bestaat geen discussie. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging in zoverre wettig en overtuigend kan worden bewezen en grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het de verdachte is geweest die de Ford Focus heeft bestuurd en, zo ja, of hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir – gevorderd dat de aan de verdachte onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De officier van justitie heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat uit het dossier valt af te leiden dat de verdachte de bestuurder van de Ford Focus is geweest.

Zij heeft vrijspraak gevorderd van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag omdat volgens haar onvoldoende is komen vast te staan dat de kans op de dood – als gevolg van de gedragingen van de verdachte – aanmerkelijk is geweest. Volgens de officier van justitie kan wel worden bewezen dat verdachte zich aan de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling schuldig heeft gemaakt.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor aan de slachtoffers zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft – overeenkomstig haar op schrift gestelde pleitnota – integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij primair aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de bestuurder van de Ford Focus is geweest. Subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat de ten laste gelegde gedragingen geen poging doodslag of poging zware mishandeling kunnen opleveren. De meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling zou wel bewezen kunnen worden, aldus de raadsvrouw.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

3.4.1

Feit 1

Verklaringen [slachtoffer 1]

heeft verklaard dat hij op 14 september 2016 als bestuurder van een Ford Fiësta vanaf Honselersdijk op de Middel Broekweg reed. [slachtoffer 2] zat bij hem in de auto. Bij het tankstation Total zag hij een Ford Focus midden op de weg keren en vervolgens achter hem aan rijden. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij bij de verkeerslichten, waar hij voor een rood verkeerlicht stond, de bijrijder van de Ford Focus een horizontale beweging met de hand langs zijn keel zag maken. [slachtoffer 1] is vervolgens – toen hij zag dat deze bijrijder uit de auto wilde stappen – door rood licht gereden. De bestuurder van de Ford Focus trok ook op en reed achter hem aan. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij vervolgens flink gas heeft gegeven om de Ford Focus kwijt te raken, maar dat de Ford Focus net zo hard meereed. De Ford Focus reed vlak op zijn auto en [slachtoffer 1] schatte de afstand tussen de auto’s op een meter. Hij reed ongeveer 80 kilometer per uur en is met een snelheid van ongeveer 50 á 60 kilometer per uur over een verkeersdrempel gereden. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij na de verkeersdrempel weer optrok om snelheid te maken maar na een aantal seconden aan de rechter achterzijde werd aangetikt door de Ford Focus. De auto is hierop tegen een geluidswand aangekomen en gaan tollen.10 heeft verklaard dat de verdachte en [betrokkene 2] de inzittenden waren van de auto die hem op 14 september 2016 heeft aangereden.11 De verdachte was de bestuurder van de auto.12

Vidgen

De raadsvrouw heeft – onder verwijzing naar de uitspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens van 10 juli 2012 (ECLI:NL:XX:2012:BX3071, Vidgen) – bepleit dat de verklaringen van [slachtoffer 1] van het bewijs moeten worden uitgesloten nu zij deze getuige bij de rechter-commissaris onvoldoende heeft kunnen bevragen. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Indien een getuige een belastende verklaring met betrekking tot een verdachte heeft afgelegd, en de verdachte zijn ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) niet uit heeft kunnen oefenen, is het gebruik van de verklaringen van die getuige eerst dan niet in strijd met het recht op een eerlijk proces, indien de betrokkenheid van de verdachte in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaring die door de verdachte zijn betwist. De rechtbank verwijst in dit verband naar de hierboven genoemde Vidgen-jurisprudentie en de uitspraak van de Hoge Raad van

29 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX5539) en overweegt verder als volgt.

[slachtoffer 1] is op verzoek van de verdediging op 1 juni 2017 door de rechter-commissaris gehoord. Bij dit verhoor waren de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte aanwezig. Tijdens het verhoor zijn door de rechter-commissaris, de officier van justitie en de raadsvrouw aan [slachtoffer 1] vragen gesteld over de identiteit van de inzittenden van de Ford Focus. [slachtoffer 1] heeft al die vragen beantwoord. Hij heeft onder meer verklaard dat zijn verklaring bij de politie op waarheid berust, en de verdachte als bestuurder van de Ford Focus aangewezen.

Gelet op deze gang van zaken stelt de rechtbank vast dat de verdediging de gelegenheid heeft gekregen – en te baat heeft genomen – [slachtoffer 1] te bevragen over het onderdeel van zijn verklaring dat door de verdediging wordt betwist, te weten: de verklaring van [slachtoffer 1] dat de verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder van de Ford Focus was. Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zijn ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6 lid 3 EVRM heeft kunnen uitoefenen.

De verdediging heeft er weliswaar op gewezen dat [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris geen vragen heeft willen beantwoorden over een incident (vóór 14 september 2016) waarbij autobanden zijn lek gestoken, maar die omstandigheid kan het voorgaande niet anders maken, mede in aanmerking genomen dat niet is gesteld of gebleken op welke wijze dat incident relevant zou zijn voor het door de verdediging betwiste onderdeel van de verklaring van [slachtoffer 1] .

Het gebruik van de verklaringen voor het bewijs tegen de verdachte levert aldus geen schending op van artikel 6 EVRM en het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen.

Betrouwbaarheid

In tegenstelling tot de verdediging, ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] . Diens verklaringen, afgelegd bij zowel de politie op 15 september 2016 als de rechter-commissaris op 1 juni 2016 zijn voldoende concreet, consistent en vinden steun in andere bewijsmiddelen. De verdediging heeft erop gewezen dat [slachtoffer 1] wisselend heeft verklaard over de identiteit van de bestuurder, nu hij in eerste instantie ‘ [betrokkene 4] ’ als bestuurder had aangewezen. Echter, daarbij gaat de verdediging eraan voorbij dat [slachtoffer 1] die verklaring heeft afgelegd kort nadat hij betrokken was geweest bij een ernstig ongeval, waarna hij hevig trillend en ernstig gewond uit een zwaar beschadigde auto was gestapt. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan hetgeen [slachtoffer 1] onder die omstandigheden heeft verklaard geen doorslaggevende waarde worden toegekend.

Conclusie

De rechtbank bezigt de verklaringen van [slachtoffer 1] voor het bewijs.

De verdachte meldt zich op het politiebureau

Verbalisant [verbalisant] heeft gerelateerd dat de verdachte zich op 14 september 2016 om 19:00 uur heeft gemeld bij Politiebureau Westland. [verbalisant] vroeg aan de verdachte waarom hij bij het politiebureau was en hoorde dat deze verklaarde: “Ik kom mezelf aangeven.” Nadat [verbalisant] de verdachte had gevraagd waarom hij zich kwam aangeven, verklaarde de verdachte: “Ik kom mezelf aangeven omdat ik heb gereden bij die aanrijding daar bij die… die rotonde.”13 Hierna is de verdachte aangehouden.

[verbalisant] heeft deze gang van zaken in zijn verklaring tegenover de rechter-commissaris bevestigd14

De raadsvrouw heeft namens verdachte betwist dat hij dergelijke uitlatingen heeft gedaan. Voorts heeft zij aangevoerd dat deze niet voor het bewijs gebruikt mogen worden omdat ze zijn gedaan voordat aan de verdachte de cautie was gegeven en voordat hij was gewezen op zijn recht op consultatiebijstand (Salduz).

De rechtbank stelt vast dat de verdachte op het moment dat hij zich bij de politie kwam melden nog niet als verdachte was aangemerkt. Evenmin waren er bij de politie op dat moment feiten of omstandigheden bekend die een redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte mee konden brengen. De verdachte was niet staande- of aangehouden. Er was geen sprake van een verhoorsituatie. De verdachte heeft, gelet op hetgeen [verbalisant] heeft gerelateerd en bij de rechter-commissaris verklaard, spontaan te kennen gegeven dat hij bij het ongeval betrokken was geweest; de rechtbank ziet geen reden om daaraan te twijfelen. Onder die omstandigheden hoefde aan de verdachte niet de cautie te worden gegeven, noch had hij moeten worden gewezen op zijn recht op consultatiebijstand. De hierboven genoemde uitlatingen van de verdachte, weergegeven in het proces-verbaal van aanhouding van 14 september 2016, kunnen derhalve worden gebezigd tot het bewijs.

Huur Ford Focus

[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij in september 2016 een Ford Focus met kenteken [kenteken 1] heeft gehuurd voor [betrokkene 2] (de rechtbank begrijpt: [betrokkene 2] ) en [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte).15

Alibi?

Op de terechtzitting van 13 maart 2017 heeft de verdachte verklaard dat hij ten tijde van het ongeval thuis was samen met zijn vader. De vader van de verdachte, [betrokkene 3] , is hierop op 1 juni 2017 gehoord bij de rechter-commissaris en heeft verklaard dat zijn zoon op 14 september 2016 rond 12:00 uur thuis is gekomen en rond 14:30 uur, toen hij zelf de deur uit ging, lag te slapen.

De rechtbank merkt op dat de verdachte pas een half jaar na zijn aanhouding met een mogelijk alibi voor de dag is gekomen, terwijl niet valt in te zien waarom hij daarmee zo lang heeft gewacht. Het alibi wordt niet ondersteund door objectieve bewijsmiddelen, maar uitsluitend door de verklaring van zijn vader die bezwaarlijk als een onafhankelijke getuige kan worden beschouwd. Bovendien is het alibi strijdig met de bevindingen van [verbalisant] , dat de verdachte zich kwam melden ter zake van het ongeval op 14 september 2016.

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij ten tijde van het ongeval thuis was derhalve volstrekt onaannemelijk en verwerpt dit verweer.

Tussenconclusie

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

De verdachte was op 14 september 2016 de bestuurder van de Ford Focus. Hij heeft

de Ford Fiësta met daarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over een langere afstand, te weten over de Middel Broekweg en de Burgemeester Elsenweg, met een hoge snelheid en op zeer korte afstand gevolgd. De verdachte heeft vervolgens met een hoge snelheid de Ford Fiësta opzettelijk van achteren aangetikt ten gevolge waarvan deze auto tegen een geluidswand is gebotst en is gaan tollen. De Ford Fiësta is hierbij ernstig beschadigd en de slachtoffers hebben letsel opgelopen.

(Voorwaardelijk) opzet op de dood?

De vraag die voorligt is of de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling of de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte door met een hogere snelheid dan zijn voorligger, zijn voorligger aan te tikken bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat daardoor een dodelijk verkeersongeval zou plaatsvinden. Daarbij dient betrokken te worden dat de verdachte deze gedraging opzettelijk verrichtte, kennelijk met het doel om zijn voorligger van de weg te rijden, en dat die gedraging plaatsvond tijdens een achtervolging op hoge snelheid, en op een weg waaraan aan de zijkant een geluidswal stond. De kans was daardoor aanmerkelijk dat zijn voorligger met hoge snelheid tegen die geluidswal zou aanrijden (welke kans zich ook heeft verwezenlijkt) en dat de inzittenden door de klap en verdere gevolgen zouden overlijden.

Dat de slachtoffers niet zijn overleden is geenszins aan de gedragingen van de verdachte toe te rekenen. Een dergelijk verkeersongeval brengt naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans met zich mee op de dood van de slachtoffers.

Porsche-arrest

Subsidiair heeft de raadsvrouw onder verwijzing naar het Porsche-arrest (HR 15 oktober 1986, NJ 1997, 199) bepleit dat de verdachte van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag moet worden vrijgesproken, nu hij door de bewuste gedragingen zelf ook aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen en niet kan worden aangenomen dat de verdachte ook dit op de koop toe heeft willen nemen.


De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de hierboven omschreven feiten en omstandigheden blijkt niet dat de handelswijze van de verdachte ook voor hem aanmerkelijk levensgevaar in het leven riep.

Conclusie

Op grond van vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

3.4.2

Feit 2

Op grond van de onder 3.4.1 genoemde bewijsmiddelen is vast komen te staan dat de verdachte als bestuurder van een auto, een andere auto met daarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met hoge snelheid en op te korte afstand heeft gevolgd. De verdachte heeft daarbij twee maal een rood verkeerslicht genegeerd en is met hoge snelheid over een verkeersdrempel is gereden. De verdachte heeft vervolgens de auto met daarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk van achteren aangetikt ten gevolge waarvan een ernstig verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

De rechtbank acht dit verkeersgedrag van de verdachte roekeloos.

Als gevolg van het ongeval zijn de slachtoffers gewond geraakt. De rechtbank merkt het letsel dat de slachtoffers door het ongeval hebben opgelopen aan als zodanig letsel, dat daaruit tijdelijk ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit.

3.4.3

Feit 3

Op grond van de onder 3.4.1 genoemde bewijsmiddelen is vast komen te staan dat de verdachte wist dat hij de Ford Fiësta aan de achterzijde had geraakt en dat hij de plaats van het ongeval vervolgens heeft verlaten. De verdachte moet bovendien hebben gezien dat de Ford Fiësta van de weg is geraakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte wist dat door zijn handelen schade was veroorzaakt, en had kunnen vermoeden dat door dit ongeval letsel bij de slachtoffers was ontstaan. Dergelijke ongevallen zorgen naar algemene ervaringsregels immers voor (al dan niet dodelijk) letsel bij de slachtoffers.

Op grond van voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 ten laste gelegde feit.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1. primair

hij op 14 september 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk

- met een door hem, verdachte, bestuurde auto over een langere afstand met hoge snelheid op zeer korte afstand heeft gereden van de auto waarin die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] reden en vervolgens

- met die hoge snelheid de auto van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft aangetikt ten gevolge waarvan die auto is gaan tollen en tegen een geluidswal is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 14 september 2016 te Honselersdijk, gemeente Westland en Naaldwijk, gemeente Westland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Middel Broekweg en de Burgemeester Elsenweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,

- meerdere malen door rood licht te rijden en

- te rijden met een gezien de verkeersituatie ter plaatse hoge snelheid en

- te rijden op zeer korte afstand van een voor hem, verdachte, rijdend motorrijtuig en

- met zijn motorrijtuig aan te rijden tegen een voor hem, verdachte, rijdend motorrijtuig,

waardoor anderen genaamd

a. a) [slachtoffer 1] en

b) [slachtoffer 2]

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

3.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Naaldwijk, gemeente Westland op/aan de Burgemeester Elsenweg, op 14 september 2016, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden, aan anderen te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] letsel en/of schade was toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 primair en feit 2:

eendaadse samenloop van:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

ten aanzien van feit 3:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit wordt opgelegd een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 5 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij een bewezenverklaring aan de verdachte een straf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zou daarnaast een groot deel voorwaardelijke gevangenisstraf kunnen opleggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en bijkomende straf zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft op 14 september 2016 moedwillig een verkeersongeval veroorzaakt. Door zijn handelen heeft de verdachte de levens van de slachtoffers ernstig in gevaar gebracht. De twee slachtoffers hebben als gevolg van de aanrijding ernstige verwondingen opgelopen en de verdachte mag van geluk spreken dat beide slachtoffers er levend en zonder zwaar lichamelijk letsel vanaf zijn gekomen. De rechtbank neemt het de verdachte bovendien zeer kwalijk dat hij is doorgereden, terwijl hij wist dat de auto van de slachtoffers door zijn toedoen van de weg was geraakt.

De rechtbank gaat ervan uit dat de aanleiding voor deze feiten meerdere incidenten zijn – waaronder een steekincident – die hebben plaatsgevonden tussen de verdachte en zijn familieleden enerzijds en de slachtoffers en hun familieleden anderzijds. De rechtbank vindt het schokkend en zeer kwalijk dat de verdachte op deze manier reageert op incidenten en daarbij kennelijk het recht in eigen handen heeft genomen. De rechtbank acht deze onderliggende vete, waarvan de aanleiding en de precieze omvang vanwege het stilzwijgen van alle betrokkenen niet duidelijk zijn geworden en die met geweld wordt uitgevochten, zorgwekkend en ziet hierin een risico op herhaling van gewelddadige incidenten.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 15 september 2016. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen ter zake de Wegenverkeerswet.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van een Reclasseringsadvies van 9 maart 2017, opgesteld door M. Westhoek (reclasseringswerker bij Reclassering Nederland). De reclassering adviseert een onvoorwaardelijke (gevangenis)straf op te leggen.

De straf

De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde een poging tot doodslag bewezen acht, is de duur van de op te leggen straf langer dan door de officier van justitie geëist.

Ter zake van de overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet acht de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren passend en geboden.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en bijkomende straf zijn gegrond op de artikelen:

- 45, 55 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair en feit 2:

eendaadse samenloop van:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

ten aanzien van feit 3:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte voorts ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit tot:

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.A. Vinken, voorzitter,

mr. P. Poustochkine, rechter,

mr. E.A. Lensink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.C. Bloem, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 augustus 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016257488, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Westland-Delft, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 180).

2 Verkort proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse d.d. 23 november 2016, p. 134-136.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 14 september 2016, p. 61.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 15 september 2016, p. 70.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige 2] d..d 19 september 2016, p. 91.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 september 2016, p. 45, met als bijlage een foto van de schade aan de Ford Fiësta, p. 48.

7 Verkort proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse d.d. 23 november 2016, p. 138-139.

8 Een geschrift, te weten een aanvraagformulier medische informatie d.d. 15 september 2016, p. 120.

9 Een geschrift, te weten een aanvraagformulier medische informatie d.d. 15 september 2016, p. 123.

10 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 15 september 2016, p. 25-26.

11 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris d.d. 1 juni 2017, punt 6.

12 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 15 september 2016, p. 25.

13 Proces-verbaal van aanhouding van [verdachte] d.d. 14 september 2016, p. 9.

14 Proces-verbaal verhoor van getuige [verbalisant] bij de rechter commissaris d.d. 9 maart 2017

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris d.d. 29 juni 2017, punt 9.