Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8773

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 9713
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

intrekking en terugvordering bijstand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/9713

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman),

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (ISD), verweerder

(gemachtigde: mr. C.F.M. van der Meij).

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder (1) het recht op uitkering voor levensonderhoud van eiseres op grond van de participatiewet (Pw) en (2) het persoonsondersteunend budget (pob) met ingang van 1 november 2014 ingetrokken, (3) de verstrekte bijstandsuitkering en het pob over de periode van 1 november 2014 tot en met 29 februari 2016 herzien (lees: ingetrokken) en (4) een nettobedrag van € 18.964,53 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 27 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn nadien aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft een nader stuk overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2017.

Deze zaak is gevoegd behandeld met de procedures SGR 17/604 en 17/801. Eisereses is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder zijn verschenen de door de eiseres opgeroepen getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] .

Overwegingen

1. Eiseres heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van griffierecht voor het beroep. Dit beroep wordt gehonoreerd. De rechtbank is van oordeel dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege haar financiële situatie het griffierecht niet kan betalen. Daarom kan in alle redelijkheid niet worden geoordeeld dat eiseres door het niet betalen van het griffierecht in verzuim is geweest. Er bestaat daarom geen grond om het beroep wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk te verklaren.

2.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres ontvangt sinds 13 juni 2002 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 26 maart 2015 is eiseres over het jaar 2015 een pob verstrekt ter hoogte van € 500,-.

2.2

Er heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de rechtmatigheid van de bijstandsverstrekking. In dat kader is eiseres bij brief van 21 maart 2016 verzocht om op 30 maart 2016 op het spreekuur te verschijnen voor een heronderzoek. Bij besluit van 30 maart 2016 is de uitkering van eiseres per 1 maart 2016 geblokkeerd, omdat zij niet op die afspraak is verschenen. Tevens is eiseres daarbij uitgenodigd voor een heronderzoek op 6 april 2016. Van dit gesprek is een verslag opgesteld.

Daarnaast is op 30 maart 2016 contact opgenomen met woningstichting [woningstichting] , waarvan eiseres de woning [adres] te [plaats 1] huurt. Uit het verslag van dat gesprek is naar voren gekomen dat eiseres op 29 maart 2016 op het kantoor van [woningstichting] is geweest en heeft verklaard dat zij al langere tijd niet meer in die woning woont. De resultaten van het onderzoek van verweerder zijn weergegeven in het rapport HO van 13 april 2016 en het rapport “beëindiging” van 18 april 2016.

2.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder het recht op uitkering en pob van eiseres ingetrokken, omdat eiseres niet heeft doorgegeven dat zij per 1 november 2014 feitelijk verblijf houdt in [plaats 2] en [plaats 3] , waardoor het recht op bijstand niet kan worden beoordeeld.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het ongedateerde advies van de commissie bezwaarschriften ISD Bollenstreek, het primaire besluit gehandhaafd. In het bestreden besluit is overwogen dat veel waarde wordt gehecht aan de door eiseres afgelegde verklaringen dat zij sinds 1 november 2014 haar woonadres niet meer heeft aan de [adres] te [plaats 1] . Voorts is overwogen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat niet van de juistheid van deze verklaringen mag worden uitgegaan. Zo treft de stelling van eiseres dat de verklaring in emotionele toestand is afgegeven geen doel, omdat deze opmerking niet overeenstemt met de gedetailleerdheid van het verslag en de openheid van zaken waarmee die eiseres in het verslag geeft. Daarnaast heeft zij dit pas in bezwaar aangegeven. Verweerder acht voorts van belang dat eiseres de verklaring tot twee maal toe heeft afgelegd. De verwijzing naar een medische rapportage uit 2009 is niet van belang, omdat die geen inzicht kan geven in de huidige medische toestand van eiseres, aldus verweerder. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat het verslag van het gesprek van 6 april 2016 is voorgelezen en dat eiseres noch [getuige 1] , die bij dat gesprek aanwezig was, destijds heeft aangegeven dat de inhoud niet juist was. Daarnaast kan volgens verweerder aan de door eiseres ingediende verklaringen niet de waarde worden gehecht die zij daaraan toegekend zou willen zien, omdat het verklaringen betreft van familie of bekenden waardoor de objectiviteit daarvan niet gewaarborgd is. Dat geldt ook voor de verklaring van de dochter van eiseres, die op dat moment aan de [adres] woonde.

4. Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen, omdat zij -naar zij stelt- immer hoofdverblijf in haar woning aan de [adres] te [plaats 1] heeft gehad. Het is volgens haar pertinent onjuist dat zij vanaf 1 november 2014 niet haar hoofdverblijf daar had. Eiseres voert in dit verband aan dat de door woningbouwvereniging [woningstichting] aan verweerder verstrekte informatie dat eiseres vanaf 1 november 2014 niet haar hoofdverblijf aan de [adres] had onjuist was, omdat de dochter van eiseres tegenover de woningbouwvereniging had aangegeven dat zij op dat moment samen met eiseres in de woning woonde. Daarnaast blijkt uit het verslag van het telefoongesprek tussen eiseres en [woningstichting] , dat op 30 maart 2016 plaatshad, niet dat eiseres de aannames van [woningstichting] heeft bevestigd. Nu eiseres dit verslag niet vooraf heeft kunnen doorlezen en ondertekenen kan daaraan niet de waarde worden gehecht van een verklaring afgelegd tegenover een sociaal rechercheur.

Voorts heeft [getuige 1] aangegeven dat het verslag van het gesprek van 6 april 2016 volstrekt onjuist is en dat eiseres tijdens dat gesprek ernstig emotioneel was waardoor zij vrijwel geen antwoorden heeft gegeven. Hij heeft eiseres niet horen zeggen dat zij vanaf 1 november 2014 niet meer in de woning aan de [adres] verblijft. Dit wordt bevestigd door verklaringen van familie en bekenden die eiseres in bezwaar heeft ingebracht. Eiseres verbleef alleen in het weekend weleens bij haar vriend of bij haar moeder. Aan de medische verklaring uit 2009 komt volgens eiseres nog betekenis toe, aangezien zij sindsdien niet is behandeld en nog steeds psychische klachten heeft.

Bij brief van 8 juli 2017 heeft eiseres een verklaring van haar huisarts van 6 juli 2017 in het geding gebracht.

5.1

Artikel 17, eerste lid, van de Pw bepaalt - voor zover hier van belang - dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Pw bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Pw, dient volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4381).

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de Pw - voor zover van belang - herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt het een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw - voor zover van belang - vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.

5.2

Het is vaste rechtspraak van de CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:322), dat een besluit tot herziening of intrekking van het recht op bijstand een belastend besluit is. Dit brengt met zich mee dat het in de eerste plaats aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en op verweerder de last rust aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening of intrekking is voldaan. Het is daarom aan verweerder om aannemelijk te maken dat eiser de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat daardoor het recht op bijstand niet was vast te stellen.

5.3

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient volgens vaste jurisprudentie van de CRvB te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

6.1

Uit de door de ter zitting getuigen afgelegde verklaringen blijkt dat in de periode van november 2014 tot en met maart 2015 dochter [dochter] van eiseres in de woning van eiseres woonde. Aangezien dit een omstandigheid betreft die van invloed kan zijn op het recht op dan wel de hoogte van de bijstandsuitkering van eiseres, had eiseres verweerder hiervan op de hoogte moeten stellen. Nu eiseres daarvan geen melding heeft gemaakt bij verweerder, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank in deze periode de op haar rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

6.2

Het is dan volgens vaste rechtspraak van de CRvB aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Hetgeen eiseres heeft gesteld, zonder onderbouwing met objectief verifieerbare gegevens, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat zij in de periode november 2014 tot en met maart 2015 recht op aanvullende bijstand had.

6.3

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onder toepassing van artikel 54, derde lid, van de Pw het recht op bijstand van eiseres dan ook terecht over de periode van november 2014 tot en met maart 2015 ingetrokken.

6.4

Gezien de vastgestelde schending van de inlichtingenplicht was verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 58, eerste lid, van de Pw, gehouden om de ten onrechte gemaakte kosten voor bijstand van eiseres over de periode van november 2014 tot en met maart 2015 terug te vorderen.

6.5

Voorts is niet gebleken dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan verweerder van terugvordering over deze periode had moeten afzien.

6.6

Het beroep is in zoverre dan ook ongegrond.

7.1

De rechtbank stelt voorts vast dat de inhoud van het verslag van het gesprek van 6 april 2016, zoals vermeld in de rapportage HO van 13 april 2016 (gedingstuk 7b), niet geheel overeenkomt met het gespreksverslag van 6 april 2016 (gedingstuk 4 en 4a) ten aanzien van de bevindingen. Daarnaast kan de rechtbank de stelling van verweerder dat eiseres tijdens het gesprek op 6 april 2016 gedetailleerde antwoorden heeft gegeven, gelet op de inhoud van het gespreksverslag (gedingstuk 4 en 4a), niet volgen. De gestelde vragen zijn gesloten, waarbij komt dat een deel van de antwoorden al in de vragen was verweven. De rechtbank is van oordeel dat deze wijze van het afnemen van een gesprek in het kader van onderzoek naar de rechtmatigheid niet getuigt van een zorgvuldige voorbereiding. Daarbij komt dat de rechtbank aannemelijk acht dat de geestelijke toestand van eiseres ten tijde van het gesprek op 6 april 2016 zodanig slecht was, zoals getuige [getuige 1] , die bij dat gesprek aanwezig was, ter zitting heeft verklaard, dat de rechtbank niet zonder meer van de juistheid van de bevindingen voortvloeiend uit het gesprek met eiseres kan uitgaan. Dat de geestelijke gesteldheid van eiseres wordt bovendien bevestigd door de brief van de huisarts van eiseres van 6 juli 2017, waarin is geconcludeerd dat eiseres dringend GGZ hulp nodig heeft.

7.2

Voorts heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat aan het telefoongesprek tussen haar en [persoon A] van woningstichting [woningstichting] , dat op 30 maart 2016 plaatshad, niet de waarde van een verklaring afgelegd tegenover een sociaal rechercheur kan worden gehecht, omdat eiseres het verslag van dat gesprek niet vooraf heeft kunnen doorlezen en kunnen ondertekenen. Aangezien het rapport is gebaseerd op de rapportage HO van 13 april 2016 en op het telefoongesprek tussen haar en [persoon A] van woningstichting [woningstichting] , bieden de onderzoeksgegevens in het rapport naar het oordeel van de rechtbank geen toereikende grondslag voor de conclusie dat eiseres vanaf 1 april 2015 niet haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres.

7.3

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de in de rapportages weergegeven onderzoeksgegevens die bestaan uit de door rapporteurs van verweerder weergegeven verklaringen van eiseres te mager om te kunnen komen tot de conclusie dat eiseres in de periode van 1 april 2015 tot en met 29 februari 2016 niet haar hoofdverblijf had aan de [adres] te [plaats 1] . Het had naar het oordeel van verweerder, nu het gaat om een intrekking waarbij een zware bewijslast rust op het bestuursorgaan, op de weg gelegen om ten tijde hier in geding het verrichte onderzoek ten minste uit te breiden met een huisbezoek, dan wel gegevens over water-, gas- en elektraverbruik.

7.4

Het vorenstaande brengt met zich dat het bestreden besluit voor zover het de periode van 1 april 2015 tot en met 29 februari 2016 betreft onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk en draagkrachtig is gemotiveerd en als gevolg daarvan niet in stand kan blijven. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit in zoverre wordt vernietigd wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

7.5

De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat het voor herstel van het gebrek benodigde onderzoek naar het zich laat aanzien lang zal duren en te onzeker is wanneer dat kan worden afgerond. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond, voor zover het de intrekking en terugvordering over de periode van 1 april 2015 tot en met 29 februari 2016 betreft;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisereses tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.M. Lubbe, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.