Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:873

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
AWB 16/26611
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
-
Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vreemdelingenwet 2000 42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/76
SEW 2017, afl. 4, p. 165

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16 / 26611

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Syrische nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. C.C. Westermann-Smit, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.J. Hofland, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Op 17 november 2017 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van 24 januari 2016 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft voorts de rechtbank verzocht om vast te stellen dat verweerder een dwangsom heeft verbeurd vanaf het moment dat verweerder in gebreke is om een besluit te nemen en verweerder op te dragen alsnog een besluit te nemen binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, op straffe van een nadere dwangsom van € 100,- per dag.

Verweerder heeft op 23 november 2016 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft partijen op 19 december 2016 bericht voornemens te zijn prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

Verweerder en eiser hebben beiden op 22 december 2016 hierop gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser heeft op 24 januari 2016 in Nederland een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Op 24 januari 2016 heeft verweerder een Eurodac-treffer omtrent eiser ontvangen, waaruit is gebleken dat eiser op 22 januari 2016 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.

Verweerder heeft op 24 maart 2016 een verzoek om terugname van eiser gedaan bij de Duitse autoriteiten op grond van artikel 18, eerste lid, sub b, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (de Dublinverordening).

De Duitse autoriteiten hebben het terugnameverzoek op 7 april 2016 afgewezen.

Op 14 april 2016 heeft verweerder een verzoek om heroverweging aan de Duitse autoriteiten gedaan. Hierop is tot op de dag van de zitting nog geen reactie ontvangen.

Bij brief van 29 augustus 2016 heeft eiser verweerder verzocht zijn aanvraag in behandeling te nemen en de afwijzing van de Duitse autoriteiten van 7 april 2016 als een definitieve afwijzing aan te merken.

Verweerder heeft op dit verzoek niet inhoudelijk gereageerd.

Eiser is vanaf 14 november 2016 in honger- en dorststaking gegaan.

Eiser heeft verweerder bij brief van 17 november 2016 in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een tijdig besluit.

Omstreeks 23 november 2016 is eiser weer gaan eten en drinken.

Verweerder heeft de rechtbank op 22 december 2016 bericht dat eiser is opgenomen in de Nederlandse Algemene Asielprocedure en dat het claimverzoek, dat in het kader van de Dublinverordening bij de Duitse autoriteiten is ingediend, op 14 december 2016 is ingetrokken.

2. Tussen partijen is in geschil of de beslistermijn voor verweerder op de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van 24 januari 2016 inmiddels is verstreken.

Wettelijk kader

Toepasselijk Unierecht

Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) (Procedurerichtlijn)

3. In artikel 31, derde lid, Procedurerichtlijn is het volgende bepaald. De lidstaten zorgen ervoor dat de behandelingsprocedure binnen zes maanden na de indiening van het verzoek wordt afgerond. Wanneer een verzoek onder de Dublinverordening valt, vangt de termijn van zes maanden aan op het tijdstip waarop overeenkomstig die verordening wordt vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek, de verzoeker zich op het grondgebied van die lidstaat bevindt en de bevoegde autoriteit verzoeker heeft overgenomen. De lidstaten kunnen de in dit lid bepaalde termijn van zes maanden met ten hoogste negen maanden verlengen wanneer:
a) complexe feiten en/of juridische kwesties aan de orde zijn;
b) een groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden;
(…).
Bij wijze van uitzondering kunnen de lidstaten, in naar behoren gerechtvaardigde gevallen, de in dit lid bepaalde termijn met ten hoogste drie maanden overschrijden wanneer dit noodzakelijk is met het oog op een behoorlijke en volledige behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

Verordening 604/2013 (de Dublinverordening)

4. In de considerans van de Dublinverordening is het volgende opgenomen:
(4) In de conclusies van Tampere werd ook aangegeven dat het Common European Asylum System (CEAS) op korte termijn een duidelijke en hanteerbare methode moet bevatten om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek.

(5) Deze methode moet zijn gebaseerd op objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoekers eerlijke criteria. Met de methode moet met name snel kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het verlenen van internationale bescherming te waarborgen en de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen, niet te ondermijnen.

(7) In het programma van Stockholm heeft de Europese Raad herhaald zich te blijven inspannen om uiterlijk in 2012 te zorgen voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke en solidaire ruimte waarin bescherming wordt geboden voor personen aan wie internationale bescherming wordt verleend, in overeenstemming met artikel 78 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Voorts heeft hij benadrukt dat het Dublinsysteem een hoeksteen blijft bij de opbouw van het CEAS, aangezien daarin ondubbelzinnig wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming.

(12) Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming moet van toepassing zijn naast en onverminderd de bepalingen betreffende de bij deze verordening gereglementeerde procedurele vrijwaringen, behoudens de beperkingen betreffende de toepassing van die richtlijn.

In artikel 2 Dublinverordening is bepaald dat voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
(…)
b)„verzoek om internationale bescherming”: een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 2, onder h), van Richtlijn 2011/95/EU;
c)„verzoeker”: een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen;
d) „behandeling van een verzoek om internationale bescherming”: alle maatregelen in verband met de behandeling van en beslissingen of uitspraken van bevoegde instanties over een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2013/32/EU en Richtlijn 2011/95/EU, met uitzondering van de procedures waarbij de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald krachtens de bepalingen van deze verordening; (…).


In artikel 20, eerste lid, Dublinverordening is bepaald dat de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, aanvangt zodra het verzoek voor de eerste maal bij een lidstaat wordt ingediend.

In artikel 22, eerste lid, Dublinverordening is bepaald dat de lidstaat die om overname wordt verzocht, de nodige naspeuringen verricht en op het verzoek tot overname van een verzoeker reageert binnen twee maanden nadat hij het heeft ontvangen.

In artikel 22, zevende lid, Dublinverordening is bepaald dat het zonder reactie laten verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn van twee maanden (…), gelijk staat met aanvaarding van het overnameverzoek en de verplichting inhoudt om de persoon over te nemen en te zorgen voor passende regelingen voor de aankomst.

In artikel 23, tweede lid, Dublinverordening is bepaald dat een verzoek tot terugname zo snel mogelijk wordt ingediend en in ieder geval binnen twee maanden na ontvangst van de Eurodac-treffer op grond van artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 603/2013. Indien het verzoek tot terugname is gebaseerd op ander bewijs dan de gegevens uit het Eurodac-systeem wordt het terugnameverzoek aan de aangezochte lidstaat gezonden binnen drie maanden na de indiening van het verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 20, tweede lid.

In artikel 23, derde lid, Dublinverordening is bepaald dat indien het verzoek tot terugname niet binnen de in lid 2 vermelde termijnen wordt ingediend, de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming berust bij de lidstaat waar het nieuwe verzoek is ingediend.

In artikel 25, eerste lid, Dublinverordening is bepaald dat de aangezochte lidstaat de gegevens verifieert en een besluit over het terugnameverzoek neemt, en wel zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk één maand na ontvangst van het verzoek. Wanneer het verzoek is gebaseerd op uit het Eurodac-systeem verkregen gegevens, wordt die termijn teruggebracht tot twee weken.


In artikel 25, tweede lid, Dublinverordening is aangegeven dat het zonder reactie laten verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn van één maand of twee weken, gelijk staat met aanvaarding van het verzoek en de verplichting inhoudt om de betrokken persoon terug te nemen en te zorgen voor passende regelingen voor de aankomst.

In artikel 26, eerste lid, Dublinverordening is bepaald dat wanneer de aangezochte lidstaat instemt met de overname of de terugname van een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), de verzoekende lidstaat de betrokkene in kennis stelt van het besluit om hem over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat en, indien van toepassing, van het besluit om zijn verzoek om internationale bescherming niet te behandelen.
In artikel 29, eerste lid, Dublinverordening is bepaald dat de verzoeker overeenkomstig het nationale recht van de verzoekende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, wordt overgedragen van de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkenen over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer die overeenkomstig artikel 27, lid 3, opschortende werking heeft.
Artikel 29, tweede lid, Dublinverordening bepaalt dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkenen over te nemen of terug te nemen, komt te vervallen en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat. (…).


In de concordantietabel, zijnde bijlage II bij de Dublinverordening, is, onder meer, het volgende opgenomen:

Verordening (EG) nr. 343/2003 van de

Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling

van de criteria en instrumenten om te

bepalen welke lidstaat verantwoordelijk

is voor de behandeling van een asielverzoek

dat door een onderdaan van een derde

land bij een van de lidstaten wordt

ingediend (Verordening 343/2003) Dublinverordening

Artikel 18

Artikel 22

Artikel 20, lid 1, onder b)

Artikel 25, lid 1

Verordening (EG) Nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Uitvoeringsverordening)

5. In artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening is het volgende bepaald. Wanneer de verzoekende lidstaat van oordeel is dat de weigering op een beoordelingsfout berust of wanneer hij over aanvullende elementen beschikt die hij kan doen gelden, kan hij vragen dat zijn verzoek opnieuw wordt onderzocht. Van deze mogelijkheid moet gebruik worden gemaakt binnen de drie weken na ontvangst van het negatieve antwoord. De aangezochte lidstaat beijvert zich om binnen twee weken te antwoorden. Deze aanvullende procedure leidt er in geen geval toe dat de in artikel 18, leden 1 en 6, en artikel 20, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 343/2003 bedoelde termijnen opnieuw ingaan.

Toepasselijk nationaal recht

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

6. In artikel 4:17, eerste lid, Awb is bepaald dat, indien een beschikking op een aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

In artikel 4:17, tweede lid, Awb is bepaald dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag bedraagt.

In artikel 4:17, derde lid, Awb is aangegeven dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

In artikel 4:17, vijfde lid, Awb is bepaald dat een beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking de dwangsom niet opschort. Volgens het zesde lid is geen dwangsom verschuldigd indien:
a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,
b. de aanvrager geen belanghebbende is, of
c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

In artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.

In artikel 6:12, tweede lid, Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

In artikel 6:12, derde lid, Awb is bepaald dat, indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

In artikel 8:55b, eerste lid, Awb is aangegeven dat de bestuursrechter, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 Awb is voldaan, uitspraak doet met toepassing van artikel 8:54 Awb tenzij de bestuursrechter een onderzoek ter zitting nodig acht.

In artikel 8:55c, Awb is aangegeven dat de bestuursrechter, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vaststelt. De artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, Awb bepaalt de bestuursrechter, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. Op grond van het tweede lid verbindt de bestuursrechter aan zijn uitspraak een andere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

7. In artikel 30, eerste lid, Vw is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

In artikel 42, eerste lid, Vw is bepaald dat binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een beschikking wordt gegeven.

In artikel 42, vierde lid, Vw is bepaald dat de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden kan worden verlengd, indien:
a. complexe feitelijke of juridische kwesties aan de orde zijn;
b. een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden; of
c. de vertraging van de behandeling van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te schrijven.

In artikel 42, zesde lid, Vw is bepaald dat indien in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt onderzocht of de aanvraag op grond van artikel 30 Vw niet in behandeling dient te worden genomen, de termijn, bedoeld in het eerste lid, aanvangt op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.

Standpunten van partijen

8. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

8.1.

Uit de considerans van de Dublinverordening en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 10 december 2013 inzake Shamso Abdullahi tegen Bundesasylamt (ECLI:EU:C:2013:473) volgt dat een van de doelstellingen van de Dublinverordening is de vaststelling van een duidelijke en hanteerbare methode om snel te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Na ommekomst van de termijnen gesteld in de artikelen 22 (de rechtbank begrijpt: artikel 23) en 25 Dublinverordening moet zijn vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is. In geval van een tijdig negatief antwoord van de aangezochte lidstaat op het terugnameverzoek rust de verantwoordelijkheid vanaf dat moment bij de verzoekende lidstaat. Op grond van artikel 42, zesde lid, Vw vangt de beslistermijn van zes maanden op het asielverzoek aan op datzelfde moment, namelijk het moment waarop overeenkomstig de Dublinverordening is vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. De verzoekende lidstaat heeft vervolgens de mogelijkheid om binnen de in artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening genoemde termijn een heroverwegingsverzoek te doen. Daarop zal de aangezochte lidstaat binnen een redelijke termijn een reactie geven. De reactietermijn kan niet langer zijn dan zes maanden na de weigering, omdat binnen zes maanden op het asielverzoek moet zijn beslist. Nu de Duitse autoriteiten het terugnameverzoek op 7 april 2016 hebben geweigerd, en de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek daarom sinds 7 april 2016 op Nederland rust, is de beslistermijn op 7 oktober 2016 verstreken, aldus eiser.

8.2.

Voor zover de verantwoordelijkheid van een lidstaat pas kan worden vastgesteld na het doorlopen van de heroverwegingsprocedure voert eiser subsidiair het volgende aan. In samenhang met het bepaalde in artikel 25, eerste lid, Dublinverordening leidt de inspanningsverplichting die volgens artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening op de verzoekende lidstaat rust ertoe dat de aangezochte lidstaat niet behoeft te antwoorden. Het niet reageren heeft niet tot gevolg dat de aangezochte lidstaat verantwoordelijk wordt; de termijn bedoeld in artikel 25, eerste lid, Dublinverordening gaat immers niet opnieuw lopen. Nederland is daarom verantwoordelijk geworden voor de behandeling van het asielverzoek van eiser na verloop van de termijn van twee weken na het verzoek om heroverweging, derhalve op 28 april 2016. De beslistermijn van zes maanden is daarmee verstreken op 28 oktober 2016.

8.3.

Eiser voert meer subsidiair aan dat verweerder, ondanks het uitblijven van een reactie van de aangezochte lidstaat, niet kan blijven stilzitten en zo spoedig mogelijk had moeten beslissen eiser op te nemen in de Algemene Asiel (AA)-procedure. De procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat mag immers niet onredelijk lang duren. Niet is gebleken dat verweerder in de onderhavige zaak bij de Duitse autoriteiten heeft gerappelleerd. Evenmin is gebleken dat verweerder de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat heeft bespoedigd door gebruik te maken van de bemiddelingsprocedure als bedoeld in artikel 37 Dublinverordening. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1367) is voor de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat een termijn van langer dan zes maanden na het verzoek om heroverweging onredelijk lang. Nederland is daarom verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en had moeten beslissen om eiser op te nemen in de AA-procedure.

8.4

Ten slotte heeft eiser, in reactie op het feit dat verweerder de aanvraag inmiddels inhoudelijk in behandeling heeft genomen, gesteld dat hij nog steeds belang heeft bij zijn beroep omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen. Ook heeft eiser de rechtbank verzocht om vast te stellen dat verweerder een dwangsom verschuldigd is vanaf het moment dat verweerder in gebreke is.

9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de Dublinverordening, noch uit de Uitvoeringsverordening volgt dat in de onderhavige situatie sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Duitsland was gehouden om op het verzoek om heroverweging te reageren en pas ingeval dit zou hebben geleid tot claimaanvaarding, zou daarmee de termijn van zes maanden zijn aangevangen voor het effectueren van de overdracht. Indien binnen de overdrachtstermijn van zes maanden is beslist, geldt dat in de systematiek van de Dublinverordening als een tijdige beslissing.
Nu Nederland zich op 14 december 2016 verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, is pas op die datum de in artikel 42, zesde lid, Vw genoemde beslistermijn van zes maanden aangevangen. Op dit moment is daarom geen sprake van een overschreden beslistermijn. Het beroep is dan ook prematuur ingesteld en niet wordt voldaan aan artikel 6:12, tweede lid, Awb zodat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Beoordeling en aanleiding voor de prejudiciële vragen

10. De rechtbank stelt voorop dat zij, los van hetgeen eiser heeft aangevoerd, ambtshalve dient te beoordelen of sprake is van een ontvankelijk beroep. Daartoe is relevant of voldaan is aan het vereiste van artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, Awb, te weten of verweerder in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Pas indien de beslistermijn voor verweerder is verstreken, is verweerder in gebreke een besluit te nemen en is het beroep van eiser daarom ontvankelijk. Indien het beroep prematuur is ingesteld, dient de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

11. De rechtbank merkt op dat het enkele feit dat eiser inmiddels is opgenomen in de Nederlandse Algemene Asielprocedure en de claim bij de Duitse autoriteiten is ingetrokken, niet tot het oordeel leidt dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep door de rechtbank. Verweerder heeft immers tot op heden geen besluit op de asielaanvraag van eiser genomen. Voorts heeft eiser de rechtbank verzocht om vast te stellen dat verweerder een dwangsom heeft verbeurd over de periode vanaf het moment dat verweerder in gebreke is om een besluit te nemen tot het moment dat verweerder uiteindelijk een besluit neemt.

12. De rechtbank is gelet op het voorgaande, en in weerwil van hetgeen door verweerder in de reactie van 22 december 2016 is aangevoerd, van oordeel dat uit het enkele feit dat eiser inmiddels is opgenomen in de Nederlandse Algemene Asielprocedure niet volgt dat er geen noodzaak meer bestaat voor de rechtbank tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof. Immers, hoewel de procedure op grond van de Dublinverordening tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat momenteel niet meer wordt gevolgd omdat Nederland de aanvraag van eiser in behandeling heeft genomen, is nog niet duidelijk of de beslistermijn van verweerder op de aanvraag reeds is verstreken, en zo ja, wanneer. Dit is mede van belang voor de vaststelling van de hoogte van de mogelijk te verbeuren dwangsommen. Van het vragen om rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken is daarom geen sprake, maar van een werkelijke beslechting van een geschil.

13. Om de vraag te kunnen beantwoorden of de beslistermijn van verweerder is verstreken en, zo ja, wanneer, is het van belang vast te stellen hoe lang de Dublinprocedure in zijn totaliteit mag duren en, daarmee ook, hoe lang de procedure tot heroverweging van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening mag duren. De Dublinverordening en de Uitvoeringsverordening geven daarover geen uitsluitsel.

14. De rechtbank heeft kennis genomen van voornoemde uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1367) waarin het volgende is overwogen:
“3.1. Artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening laat de mogelijkheid open om meerdere keren aan de aangezochte lidstaat te vragen dat een claimverzoek opnieuw wordt onderzocht. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in de Dublinverordening en de Uitvoeringsverordening geen fatale termijn is opgenomen waarbinnen de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat moet zijn afgerond indien een aangezochte lidstaat na een afwijzing van het claimverzoek wordt gevraagd dit verzoek te heroverwegen. Dit laat evenwel onverlet dat deze procedure niet onredelijk lang mag voortduren. Zoals het Hof van Justitie (hierna: het Hof) in een arrest van 10 december 2013, Shamso Abdullahi tegen Bundesasylamt, punt 59, (ECLI:EU:C:2013:473) heeft overwogen, is een van de belangrijkste doelstellingen van de Dublinverordening, zoals uit de punten 3 en 4 (thans: de punten 4 en 5) van de considerans van deze verordening blijkt, de vaststelling van een duidelijke en hanteerbare methode om snel te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het toekennen van de vluchtelingenstatus te waarborgen en de doelstelling om asielverzoeken snel te behandelen, niet te ondermijnen. In dit verband is voorts van belang dat de staatssecretaris de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat in voorkomend geval kan bespoedigen door gebruik te maken van de bemiddelingsprocedure bedoeld in artikel 37 van de Dublinverordening.
Nadat de staatssecretaris op 7 mei 2015 Frankrijk had verzocht om heroverweging van het claimverzoek, heeft hij bij brieven van 28 mei 2015 en 30 juni 2015 bij de Franse autoriteiten gerappelleerd. De staatssecretaris heeft ter zitting bij de rechtbank verklaard dat hij tevens herhaaldelijk mondeling heeft gerappelleerd bij de Franse autoriteiten. De rechtbank heeft ervan kunnen uitgaan dat de staatssecretaris mondeling bij de Franse autoriteiten heeft gerappelleerd, nu door de vreemdeling overgelegde gegevens of anderszins relevant gebleken feiten en omstandigheden geen aanleiding geven voor twijfel aan de verklaringen van de staatssecretaris.
Gelet op de duur van de procedure sinds het verzoek om heroverweging van de staatssecretaris aan de Franse autoriteiten op 7 mei 2015 en de inspanningen van de staatssecretaris om een reactie van de Franse autoriteiten te krijgen op het verzoek tot heroverweging van het claimverzoek, heeft de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van de vreemdeling in dit geval niet onredelijk lang geduurd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestaat geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, zoals de vreemdeling heeft verzocht, aangezien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de gestelde vraag over de betrokken Unierechtelijke regel moet worden opgelost (arrest van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, punt 16; ECLI:EU:C:1982:335).”.

15. In voornoemde uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat een periode van 7 mei 2015 tot 27 november 2015, te weten zes maanden en ruim twee weken, van de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek, in die zaak niet onredelijk lang was, mede omdat verweerder tussentijds bij de autoriteiten van de andere lidstaat heeft gerappelleerd. De rechtbank ziet aanleiding eraan te twijfelen of de in die zaak door de Afdeling als niet onredelijk lang beschouwde termijn ook in deze zaak als uitgangspunt kan gelden. Daartoe is het volgende redengevend.

16. Vooropgesteld dient te worden dat in de considerans van de Dublinverordening (de punten 4 en 5) wordt aangegeven dat het doel van de Dublinverordening met name is om snel te kunnen vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het verlenen van internationale bescherming te waarborgen.

17. Voorts stelt de rechtbank vast dat, in overeenstemming met hetgeen uit de genoemde punten van de considerans voortvloeit, in de Dublinverordening korte termijnen worden genoemd, die in een aantal gevallen fataal zijn.

Zo dient een verzoek om overname door een lidstaat op grond van artikel 21, eerste lid, Dublinverordening te worden ingediend binnen drie maanden na indiening van het asielverzoek. Vervolgens dient de lidstaat die om overname wordt verzocht op grond van artikel 22, eerste lid, Dublinverordening binnen twee maanden nadat hij het verzoek om overname heeft ontvangen, te reageren. In artikel 22, zevende lid, Dublinverordening is bepaald dat het zonder reactie laten verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn van twee maanden, gelijk staat met aanvaarding van het overnameverzoek en de verplichting inhoudt om de persoon over te nemen en te zorgen voor passende regelingen voor de aankomst.

Hieruit volgt dat de overnameprocedure, zonder dat een heroverwegingsprocedure wordt gevolgd, maximaal vijf maanden duurt.
Een verzoek om terugname wordt op grond van artikel 23, tweede lid, Dublinverordening in ieder geval binnen twee maanden na ontvangst van de Eurodac-treffer, dan wel drie maanden na indiening van het verzoek om internationale bescherming ingediend. Volgens artikel 23, derde lid, Dublinverordening berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming bij de lidstaat waar het nieuwe verzoek is ingediend indien het verzoek tot terugname niet binnen de in het tweede lid vermelde termijnen wordt ingediend. De aangezochte lidstaat dient op grond van artikel 25, eerste lid, Dublinverordening in ieder geval uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek om terugname daarop te reageren. Het zonder reactie laten verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn, staat op grond van artikel 25, tweede lid, Dublinverordening gelijk met aanvaarding van het verzoek en houdt de verplichting in om de betrokken persoon terug te nemen en te zorgen voor passende regelingen voor de aankomst.
Hieruit volgt dat de terugnameprocedure, zonder een eventueel verzoek om heroverweging op grond van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening, maximaal vier maanden duurt.
Artikel 29, tweede lid, Dublinverordening bepaalt dat indien na vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkenen over te nemen of terug te nemen, komt te vervallen en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat.

17.1

De rechtbank ziet in voornoemde korte en, in bepaalde gevallen, fatale termijnen, in samenhang met de genoemde punten uit de considerans van de Dublinverordening, aanwijzingen dat de duur van de heroverwegingsprocedure van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening eveneens kort moet zijn. Een periode van ruim zes maanden voor enkel de heroverweging van een overname- dan wel terugnameverzoek lijkt daarom niet in overeenstemming met het doel en de strekking van de Dublinverordening. De in artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening genoemde termijnen van drie weken voor het verzoeken om heroverweging en twee weken voor beantwoording daarvan, ervan uitgaande dat laatstgenoemde termijn een ‘fatale’ termijn is, zouden daarentegen, hoewel niet in lijn met het in de Nederlandse taalversie gebruikte woord “beijvert”, wel in lijn zijn met de considerans en de overige bepalingen uit de Dublinverordening. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat het Nederlandse woord “beijvert” in de zin “De aangezochte lidstaat beijvert zich om binnen twee weken te antwoorden”, van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening enige mate van vrijheid voor de lidstaat in zich bergt, zoals bijvoorbeeld het vergelijkbare woord “nastreven”. In de verschillende taalversies van de Uitvoeringsverordening is deze mate van vrijheid voor de lidstaat, naar het oordeel van de rechtbank, echter niet steeds terug te vinden. In de Duitse taalversie staat: “Der ersuchte Mitgliedstaat erteilt binnen zwei Wochen eine Antwort”. “Erteilt” is vergelijkbaar met het Nederlandse “geeft antwoord” of “deelt mede” en bergt geen mate van vrijheid voor de lidstaat in zich. In de Engelse taalversie staat daarentegen weer: “The requested Member State shall endeavour to reply within two weeks”. In de Franse taalversie is opgenomen: “L'État membre requis s'efforce de répondre dans les deux semaines”. De woorden “endeavour” en “s’efforce” bevatten weer wel enige mate van vrijheid voor de lidstaat.

17.2

Voorts ziet de rechtbank in de omstandigheid dat in verschillende artikelen van de Dublinverordening expliciet wordt gesproken over een “redelijke termijn” (vergelijk bijvoorbeeld artikel 27, derde lid, artikel 28, derde lid, en artikel 31, eerste lid, Dublinverordening), terwijl in artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening deze term niet wordt genoemd, ook een aanwijzing dat de in artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening genoemde termijn van in totaal vijf weken (drie weken voor de vraag tot een hernieuwd onderzoek, en twee weken voor het antwoord), althans dat de termijn voor het antwoord op de vraag tot een hernieuwd onderzoek een fatale termijn is.

17.3

Ten slotte rijst de vraag wat de betekenis is van de laatste zin van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening. De verwijzing naar artikel 18 en artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, Verordening 343/2003 hierin, moeten op grond van de concordantietabel gelezen worden als een verwijzing naar artikel 22 dan wel 25 Dublinverordening. Daarin is opgenomen dat op het overname- dan wel terugnameverzoek moet worden beslist binnen een termijn van twee maanden, dan wel bij een terugnameverzoek binnen een maand en in het geval sprake is van een Eurodac-treffer binnen twee weken. Volgens artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening leidt de heroverweging er in geen geval toe dat deze termijnen “opnieuw ingaan”. Dit lijkt met zich mee te brengen dat de oorspronkelijke beslistermijnen van twee maanden, dan wel een maand of twee weken gehandhaafd blijven. Echter, aangezien met een heroverweging deze termijnen haast per definitie worden overschreden, ligt deze uitleg niet voor de hand.
De rechtbank ziet in ieder geval hierin ook een aanwijzing dat de termijn waarbinnen een heroverweging dient plaats te vinden, kort dient te zijn.

18. Indien de reactietermijn op het heroverwegingsverzoek geen twee weken, maar een – niet gespecificeerde – “redelijke termijn” is, dringt zich vervolgens de vraag op of een periode van zes maanden en ruim twee weken, zoals de Afdeling in voornoemde uitspraak heeft geoordeeld, voor enkel de heroverwegingsprocedure op grond van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening wel een redelijke termijn dient te worden geacht. De totale procedure voor de vaststelling welke lidstaat verantwoordelijk is bij een overnameverzoek zou dan immers elf maanden en ruim twee weken en bij een terugnameverzoek tien maanden en ruim twee weken kunnen duren.
Daarbij komt dat de verzoekende lidstaat op grond van artikel 29 Dublinverordening, na de vaststelling welke lidstaat verantwoordelijk is, ook nog zes maanden de tijd heeft om de vreemdeling over te dragen. Voordat de asielaanvraag van de vreemdeling dan in de verantwoordelijke lidstaat in behandeling kan worden genomen, kan in dat geval bij een overnameverzoek een periode van zeventien maanden en ruim twee weken en bij een terugnameverzoek een periode van zestien maanden en ruim twee weken zijn verstreken, hetgeen niet in overeenstemming lijkt met het doel en de strekking van de Dublinverordening: een snelle procedure.

19. Ten slotte staat in artikel 31, derde lid, van de Procedurerichtlijn dat de lidstaten ervoor zorgen dat de behandelingsprocedure van de asielaanvraag binnen zes maanden na de indiening van het asielverzoek wordt afgerond. Het ligt daarom niet in de rede aan te nemen dat de periode voor de heroverweging op grond van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening van de vraag welke lidstaat voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijk is, langer zou mogen duren dan de termijn die gegeven wordt voor de beslissing op de asielaanvraag zelf, die nog moet volgen op de beslissing over de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de aanvraag.

20. Vervolgens rijst de vraag wat de consequentie is indien de aangezochte lidstaat niet reageert binnen de in artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening genoemde termijn van twee weken. Voordat het verzoek om heroverweging is gedaan, heeft de aangezochte lidstaat het verzoek om overname, dan wel terugname al afgewezen. Daaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat het verstrijken van de termijn van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening enkel met zich brengt dat de aangezochte lidstaat niet alsnog verantwoordelijk kan worden voor behandeling van de asielaanvraag. De eerste afwijzing van het terug- dan wel overnameverzoek ligt er immers al. De verzoekende lidstaat dient dan de asielaanvraag in behandeling te nemen, zo zou de conclusie kunnen luiden. De verzoekende lidstaat kan immers niet alsnog een derde lidstaat om overname dan wel terugname van de vreemdeling verzoeken aangezien een periode van drie (artikel 21 Dublinverordening) dan wel twee maanden (artikel 23 Dublinverordening) inmiddels al verstreken zal zijn.
Daarbij is voorts van belang dat fatale termijnen die een aangezochte lidstaat verantwoordelijk maken voor de behandeling van het asielverzoek in de Dublinverordening steeds expliciet zijn vastgesteld, zoals in de artikelen 22, zevende lid, en 25, tweede lid, Dublinverordening. Daarom, en gelet op het gebruikte woord “beijvert”, ligt het niet in de rede aan het verstrijken van de termijn in artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening, de consequentie te verbinden dat de aangezochte lidstaat, ondanks een eerdere weigering van het verzoek om terug- of overname, alsnog verantwoordelijk wordt voor de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling. Een en ander tenzij de laatste zin van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening zo moet worden uitgelegd dat de oorspronkelijke beslistermijn van één maand in stand blijft.

20.1

Anderzijds kan pas gesproken worden van een fatale termijn die de aangezochte lidstaat dwingt om snel te reageren op het verzoek om heroverweging indien het laten verstrijken van deze termijn, zoals bijvoorbeeld in artikel 22, zevende lid, en artikel 25, tweede lid, Dublinverordening, gelijk staat aan aanvaarding van het verzoek om over- dan wel terugname.

21. Indien ervan moet worden uitgegaan dat de aangezochte lidstaat verantwoordelijk is geworden voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiser omdat de termijn voor de heroverweging op grond van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening is verlopen zonder reactie van de aangezochte lidstaat, rijst ten slotte nog de vraag binnen welke termijn verweerder dan aan de vreemdeling kenbaar dient te maken in een besluit dat Nederland niet verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag. De Dublinverordening bevat in artikel 26 wel de verplichting om de vreemdeling te informeren over welke lidstaat heeft ingestemd met de terug- of overname maar noch dit artikel, noch een ander artikel uit de Dublinverordening bevat op dit punt een termijn. De rechtbank onderkent dat het Hof verzocht wordt een uitspraak te doen terwijl strikt genomen geen sprake is van een artikel in de Dublinverordening welke nadere specificering behoeft. Desondanks stelt de rechtbank wel deze vraag omdat sprake is van een vraag die het doel en de strekking van de Dublinverordening in de kern raakt.

21.1

Op grond van artikel 29 Dublinverordening dient de verantwoordelijke lidstaat de vreemdeling over te dragen zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkenen over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer die overeenkomstig artikel 27, derde lid, opschortende werking heeft. Het ligt daarom in de rede te veronderstellen dat aan de vreemdeling uiterlijk binnen deze periode ook kenbaar dient te zijn gemaakt welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.

Prejudiciële vragen

22. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zich tot het Hof wendt, om bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitleg van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening. Hetgeen hiervoor onder 10 tot 21.1 is overwogen, brengt de rechtbank tot de hierna te formuleren prejudiciële vragen:
(1) Dient de aangezochte lidstaat, gelet op het doel, de inhoud en de strekking van de Dublinverordening en de Procedurerichtlijn, binnen twee weken te reageren op het verzoek om heroverweging zoals opgenomen in artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening?
(2) Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, geldt dan, gelet op de laatste zin van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening, de termijn van maximaal één maand zoals is aangegeven in artikel 20, eerste lid, onder b, van de Verordening 343/2003(thans artikel 25, eerste lid, van de Dublinverordening)?
(3) Indien het antwoord op de eerste en tweede vraag ontkennend luidt, heeft de aangezochte lidstaat, vanwege het woord “beijvert” in artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening, een redelijke termijn om op het verzoek tot heroverweging te reageren?
(4) Indien inderdaad sprake is van een redelijke termijn waarbinnen de aangezochte lidstaat op grond van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening op het heroverwegingsverzoek dient te reageren, is dan, zoals in het onderhavige geval, na verloop van ruim zes maanden nog wel sprake van een redelijke termijn? Indien het antwoord op deze vraag ontkennend luidt, wat heeft dan wel als redelijke termijn te gelden?
(5) Welke consequentie dient eraan te worden verbonden indien de aangezochte lidstaat niet binnen twee weken, een maand, dan wel een redelijke termijn, reageert op het verzoek om heroverweging? Is de verzoekende lidstaat dan verantwoordelijk voor de inhoudelijke beoordeling van het asielverzoek van de vreemdeling of de aangezochte lidstaat?
(6) Indien ervan dient te worden uitgegaan dat de aangezochte lidstaat verantwoordelijk wordt voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek vanwege het niet tijdig reageren op het verzoek om heroverweging zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening, binnen welke termijn dient de verzoekende lidstaat, in het onderhavige geval verweerder, dit dan aan de vreemdeling kenbaar te maken?

Verzoek om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure als bedoeld in artikel 267, laatste alinea, van het VWEU

23. Eiser wenst met het door hem ingestelde beroep te bereiken dat de rechtbank verweerder zal gebieden spoedig een besluit te nemen op zijn asielaanvraag, onder vaststelling van een dwangsom. Gelet daarop heeft eiser er belang bij dat zo spoedig mogelijk uitspraak wordt gedaan. De aard van de zaak vereist daarom een behandeling binnen korte termijn, zoals bedoeld in artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

24. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat eiser, blijkens de in beroep ingediende medische informatie, tijdelijk in honger- en dorststaking is gegaan. Hoewel eiser daarmee de rechterlijke instanties dan wel verweerder niet kan dwingen om sneller te handelen, brengt dit wel tot uiting dat eiser door de lange duur van de procedure en de daarbij behorende onzekerheid ernstig gefrustreerd is geraakt. De rechtbank houdt daarom met het verzoek om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure wel rekening met eisers kwetsbare situatie.

25. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om het Hof krachtens artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof te verzoeken de prejudiciële vragen te behandelen volgens de spoedprocedure.

26. Gelet op het voorgaande zal de behandeling van het beroep worden geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
I. heropent het onderzoek;
II. verzoekt het Hof bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 22 genoemde vragen;
III. schorst de behandeling totdat het Hof uitspraak heeft gedaan en houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2017.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de nog te wijzen einduitspraak.