Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8659

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
22-08-2017
Zaaknummer
NL17.4138
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

dublin frankrijk - beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.4138

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. A.J. Eertink),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Sidler).

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens verschenen is F. Bernstein, tolk.

Overwegingen

1. Uit EU-Vis is gebleken dat Belgische autoriteiten namens Franse autoriteiten aan eiser een Schengenvisum hebben verstrekt, geldig van 2 maart 2017 tot 19 april 2017. Verweerder heeft daarom op 3 mei 2017 een verzoek tot overname ingediend bij de Franse autoriteiten op grond van artikel 12, tweede lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). De Franse autoriteiten hebben met dit verzoek ingestemd.

2. Omdat verweerder Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk acht voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser heeft verweerder de asielaanvraag bij het bestreden besluit niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.

3. Eiser stelt dat verweerder de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich moet trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Hij voert daartoe -samengevat- het volgende aan. Eiser is een nationale bekendheid in de Democratische Republiek Congo (DRC). Hij is missionar (réverend Pasteur) en leidde massale gebedsbijeenkomsten in zijn land. Vanwege deze activiteiten heeft het regime van president Joseph Kabila eiser aanvankelijk omarmd en in 2007 zelfs onderscheiden. Eiser heeft krantenberichten en foto’s overgelegd om het voorgaande te onderbouwen. Omdat eiser door het Congolese regime is omarmd en onderscheiden wordt hij door tegen het regime gekeerde landgenoten met rancune en jaloezie bekeken. Inmiddels is eiser net als vele andere dominees en bekende personen echter bij het regime in ongenade gevallen. Eiser heeft hierdoor niet alleen te vrezen voor het Congolese regime zelf, maar ook voor de tegenstanders daarvan. Omdat in Frankrijk veel Congolezen leven en tevens geheim agenten van Kabila actief zijn, heeft eiser in dit verband niet alleen in de DRC maar ook in Frankrijk te vrezen. Volgens eiser keren radicale groepen Congolezen zich in Frankrijk al tientallen jaren zonder scherpe blik tegen iedereen die met Kabila in verband wordt gebracht. Eiser noemt voorts voorbeelden van dominees en andere bekende Congolezen die in Frankrijk door de diensten van Kabila zijn aangevallen of zelfs vermoord. Uit het voorgaande blijkt volgens eiser dat de Franse autoriteiten hem geen bescherming kunnen bieden. Waar verweerder overweegt dat hij zich bij voorkomende problemen in Frankrijk tot de Franse autoriteiten kan wenden is het bestreden besluit volgens hem dan ook onvoldoende gemotiveerd. Gelet hierop en op het feit dat overdracht aan Frankrijk mogelijk leidt tot refoulement, getuigt overdracht van eiser aan Frankrijk volgens eiser van een onevenredige hardheid. Het tegendeel is volgens eiser door verweerder onvoldoende gemotiveerd. Eiser stelt verder dat verweerder bij de beoordeling of overdracht aan Franrijk van een onevenredige hardheid getuigt ten onrechte niet heeft betrokken dat hij eerder in Nederland rechtmatig verblijf heef gehad. Eiser stelt dat overdracht aan Frankrijk in strijd is met het EU-evenredigheidsbeginsel.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek. In geschil is de vraag of verweerder gehouden is het asielverzoek van eiser inhoudelijk te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

4.2.

Eisers betoog slaagt niet. Verweerder overweegt niet ten onrechte dat het in dit geval gaat om de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming en niet, althans niet primair, om de vraag of eiser voor internationale bescherming in aanmerking komt. Nu Frankrijk in het geval van eiser de verantwoordelijke lidstaat is en de verantwoordelijkheid ook heeft aanvaard dient eiser zijn asielmotieven in Frankrijk kenbaar te maken.

4.3.

Uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen zal nakomen en eisers asielaanvraag in behandeling zal nemen. Frankrijk is net als alle andere lidstaten van de Europese Unie gebonden aan de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn, die gelden voor asielprocedures. Bij voorkomende problemen in Frankrijk kan eiser hierover zijn beklag doen bij de (hogere) Franse autoriteiten en, indien nodig, bij het EHRM.

4.4.

De door eiser in beroep met vertaling overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel. In het artikel van jeuneafrique.com van juni 2017 staat -samengevat- dat radicale Congolezen in Frankrijk sinds een jaar of tien proberen te beletten dat bekende Congolezen die volgens hen te dichtbij het Congolese regime staan in Frankrijk een podium krijgen. Het artikel van Kongo Timesvan 5 augustus 2013 doet verslag van de vermeende vergiftiging door het Congolese regime van een Congolese gospelzanger. In het artikel van jeuneafrique.com van 22 februari 2015 staat voorts dat in Frankrijk de zaak herleeft inzake de vondst veertien jaar tevoren van twee op gewelddadige wijze om het leven gekomen Congolezen die financiering zochten voor een staatsgreep tegen de toenmalige president Laurent-Désiré Kabila. Verweerder overweegt niet ten onrechte dat voornoemde artikelen en ook de overige, zonder vertaling, overgelegde artikelen toezien op incidenten en dat daarmee niet is aangetoond dat eiser persoonlijk in Frankrijk te vrezen heeft of dat Franse autoriteiten hem bij voorkomende problemen niet kunnen of willen helpen. Het betoog dat overdracht aan Frankrijk van een onevenredige hardheid getuigt, slaagt dan ook niet.

4.5.

Verweerder overweegt voorts niet ten onrechte dat eiser geen rechten meer kan ontlenen aan het feit dat hem eerder in Nederland een reguliere verblijfsvergunning is verleend, nu hij sindsdien jarenlang zijn hoofdverblijf elders heeft gehad. Blijkens de dublinclaim van 3 mei 2017 is aan eiser eind jaren negentig een verblijfsvergunning op humanitaire gronden verleend maar is hij, nadat het regime veranderde, weer naar zijn land van herkomst teruggekeerd. Uit hetgeen eiser tijdens het gehoor van 18 april 2017 heeft verklaard blijkt voorts dat hij, toen Mobutu had plaatsgemaakt voor Laurent-Désiré Kabila, weer naar zijn land van herkomst is teruggekeerd en dat hij zijn land vervolgens pas op 12 maart 2017 weer heeft verlaten.

4.6.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen gebruik hoeven maken van de bevoegdheid om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek van eiser onverplicht aan zich te trekken.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.