Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8603

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
AWB 17/11064 en 17/11065
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eiser is afkomstig uit Ghana, dat is aangemerkt als veilig land van herkomst. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond. Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is gegrond.

Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw, waarin artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd, mag verweerder afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw als kennelijk ongegrond is afgewezen. Op grond van de door eiser genoemde arresten en zoals volgt uit jurisprudentie van de Afdeling (zie uitspraak van 6 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3281) dient verweerder de persoonlijke omstandigheden die eiser in de bestuurlijke fase naar voren heeft gebracht te betrekken in de beoordeling of het passend is om af te zien van het toekennen van een termijn van vrijwillig vertrek. In de zienswijze heeft eiser aangevoerd dat hij in Nederland privéleven heeft opgebouwd omdat zijn asielprocedure 1,5 jaar heeft geduurd. Verweerder heeft ter zitting erkend dat niet alle persoonlijke omstandigheden in de beoordeling van het bestreden besluit zijn betrokken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit en met de toelichting daarop ter zitting onvoldoende heeft onderbouwd waarom in het geval van eiser het proportioneel is om van een vertrektermijn af te zien, nadat de procedure zo lang heeft geduurd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/11064 (beroep)

AWB 17/11065 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 26 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Ghanese nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. B. van Beers, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Tevens is in het bestreden besluit bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser is afkomstig uit [woonplaats] in Ghana. Hij is getrouwd en heeft twee kinderen. Eiser is praktiserend psycholoog en daarnaast heeft hij een eigen cementbedrijf. Eiser kan niet terug naar Ghana omdat hij ervan wordt verdacht compromitterende foto’s van de District Chief Executive (DCE) [naam] van het district [district] te hebben gelekt naar de krant. Om die reden wil deze DCE hem doden. Eiser heeft deze foto’s niet verspreid. Eiser heeft deze foto’s op 1 april 2015 op zijn telefoon ontvangen van een vriend en aan een aantal mensen laten zien. Toen de foto’s in de krant kwamen te staan, ging het gerucht rond dat eiser deze gelekt zou hebben naar de krant. Aan eiser werd verteld dat de DCE had gezegd dat hij zich moet verantwoorden voor het lekken van de foto’s en ook dat als zijn moeder hem niet goed had opgevoed, hij hem wel een lesje zou geven. Eiser heeft een uitnodiging ontvangen om zich op 13 april 2015 te melden bij het politiebureau in [woonplaats] voor een getuigenverklaring (“Testimony”) inzake een seksschandaal. Eiser is op 3 juli 2015 naar Nederland gegaan om een cursus te volgen aan de summerschool van de Universiteit van Utrecht. Na het verstrijken van zijn visum is eiser niet teruggegaan naar Ghana omdat hij informatie had ontvangen dat het voor hem onveilig is om terug te keren.

  2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op gronden van artikel 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw), gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en h, Vw. Verweerder heeft daarbij de volgende elementen als relevant aangemerkt:
    1) de nationaliteit, identiteit en herkomst;
    2) dat eiser door de DCE van het district [district] ervan wordt verdacht foto’s van een seksschandaal van de DCE aan een krant te hebben gelekt. De DCE wil eiser derhalve doden.
    Verweerder acht het eerste relevante element geloofwaardig. Het overige deel van het asielrelaas acht verweerder niet geloofwaardig. Verweerder heeft hierbij betrokken dat eiser zich niet onverwijld heeft gemeld. Hij heeft pas vele maanden later nadat zijn visum was verlopen en hij als illegale vreemdeling was opgepakt, asiel gevraagd. Daarnaast is eiser afkomstig uit een land dat wordt beschouwd als een veilig land van herkomst. Er wordt van uitgegaan dat Ghana in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Ghana ten aanzien van hem haar verdragsverplichtingen niet nakomt en in zijn geval niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Hiertoe stelt verweerder zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser over de verdenking van het lekken van foto’s van een seksschandaal en de hieruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig worden geacht. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat er voor hem geen mogelijkheid bestaat om tegen eventuele problemen bij terugkeer de bescherming van de autoriteiten in Ghana in te roepen. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst en omdat eiser zich bij binnenkomst in Nederland zich niet onverwijld heeft gemeld om asiel aan te vragen.

3. Eiser voert aan dat Ghana pas op 10 februari 2016 is erkend als veilig land van herkomst. Dit was nog niet het geval op het moment van de aanvraag. Dit heeft een aantal procedurele gevolgen waaronder de opschortende werking van het beroep en het opleggen van een inreisverbod. Het tegenwerpen van latere wijziging van regels is daarom in strijd met de rechtszekerheid. Eiser kon op het moment van zijn asielaanvraag immers nog niet weten dat hij bij de afwijzing geconfronteerd zou worden met een belastend besluit: een inreisverbod.

3.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de lijst van veilige landen heeft mogen hanteren, nu deze er was ten tijde van het bestreden besluit. Het feit dat deze lijst er nog niet was ten tijde van het indienen van de aanvraag, maakt dit niet anders. In asielzaken moet immers de vraag beantwoord worden of iemand bij terugkeer naar het land van herkomst zodanige problemen te wachten staan dat hij met het oog daarop in Nederland bescherming moet krijgen. De beroepsgrond slaagt niet.


4. Eiser voert ter zitting aan dat verweerder ten onrechte tegenwerpt dat Ghana een veilig land van herkomst is. Op grond van artikel 3.105ba, tweede lid, van de Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) dient de beoordeling of een land een veilig land van herkomst is, te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder de informatie uit andere lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties. Verweerder heeft in het bestreden besluit alleen informatie uit andere lidstaten, de Fragile State Index en het Freedom House genoemd. Daarmee is onvoldoende onderbouwd waarom Ghana een veilig land van herkomst is. Voorts staat in het voornemen vermeld dat in Ghana de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt, dat willekeurige arrestatie en detentie en corruptie in de rechtspraak voorkomen, de omstandigheden in de gevangenissen slecht zijn en dat sprake is van excessief politiegeweld dat kan resulteren in dood of verwondingen. Deze overwegingen kunnen niet de conclusie dragen dat sprake is van een veilig land van herkomst. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet kan slagen. Zoals volgt uit voornoemde uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016, rechtsoverweging 3.6, dient verweerder het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de aanwijzing van Ghana als veilig land van herkomst, te baseren op de in artikel 3.105ba, tweede lid, Vb genoemde informatiebronnen, althans voor zover deze beschikbaar zijn. Dat de bronnen die verweerder ten grondslag heeft gelegd aan de aanwijzing van Ghana als veilig land van herkomst deels anders zijn dan die worden genoemd in artikel 3.105ba, Vb, kan daarom op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat verweerder de aanwijzing van Ghana als veilig land van herkomst onvoldoende heeft onderbouwd. Eiser heeft niet concreet gemaakt waarom de wel door verweerder aangevoerde informatiebronnen een onvoldoende motivering vormen. Voorts maakt het feit dat de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt, willekeurige arrestatie en detentie en corruptie in de rechtspraak voorkomen, de omstandigheden in de gevangenissen slecht zijn en dat sprake is van excessief politiegeweld dat kan resulteren in dood of verwondingen, niet dat Ghana geen veilig land van herkomst is in het licht van de vaste rechtspraak. Eiser heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat uit deze informatiebronnen die verweerder bij zijn beoordeling heeft betrokken, volgt dat deze problemen op een dermate grote schaal voorkomen dat geconcludeerd moet worden dat Ghana geen veilig land van herkomst is. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat deze problemen op grote schaal voorkomen, of waaruit blijkt dat het standpunt van verweerder niet houdbaar is.

5. Gelet op het voorgaande bestaat een algemeen rechtsvermoeden dat vreemdelingen uit Ghana geen bescherming nodig hebben. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Ghana in zijn specifieke omstandigheden toch niet veilig is. Wegens voornoemd rechtsvermoeden geldt daarbij een hoge drempel. Dit laat onverlet dat verweerder hetgeen eiser aanvoert over zijn specifieke individuele omstandigheden zal moeten onderzoeken en zal moeten motiveren of dit er al dan niet toe leidt dat Ghana voor eiser niet veilig is.

6. Eiser voert daartoe – kort samengevat – aan dat verweerder niet draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom zijn relaas niet geloofwaardig is. Eiser heeft verklaard dat hij als een van de eersten de foto’s heeft gehad en aan mensen heeft laten zien en dat hij er daarom van wordt verdacht te hebben gelekt. De omstandigheid dat eiser de bedreigingen via-via heeft vernomen, betekent niet dat zij niet hebben plaatsgevonden. Daarnaast is eiser in het verleden wel degelijk direct bedreigd door de DCE. Door de beelden te laten zien aan derden heeft eiser ze “verspreid”. Niet alleen vrienden maar ook “Northerners” hebben de foto’s gezien. Northerners zijn moslims en dus strenger op dergelijk pornografisch materiaal. Bovendien zijn zij de achterban van de DCE. De DCE is van hun steun afhankelijk en dus te meer geschaad wanneer dergelijk materiaal bij Northerners terecht komt. Eiser wordt gezocht door de politie. Die probeert hem waarschijnlijk te lokken met een oproep om een getuigenis af te leggen. Eiser was destijds immers ondergedoken. Een daadwerkelijk arrestatiebevel zou hij nooit opvolgen. De brief van de advocaat in Ghana is niet op zichzelf maar wel in samenhang met andere documenten het bewijs voor het relaas van eiser. Bovendien is het verifieerbaar. Eiser kon niet onmiddellijk het land verlaten omdat zijn visum nog niet geldig was. Dat de DCE en de lokale politie eiser niet bij de grens hebben gestopt, betekent niet dat eiser niet in de negatieve aandacht staat van de regering. Eiser heeft zich niet onverwijld gemeld omdat hij dacht dat het incident wel zou overwaaien en omdat hij bang was voor de invloed van de DCE op de Nederlands politie.

6.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers relaas dat hij door de DCE ervan wordt verdacht foto’s te hebben verspreid en als gevolg daarvan door de DCE wordt bedreigd, ongeloofwaardig is. Verweerder heeft ter onderbouwing van dit standpunt in de eerste plaats niet ten onrechte overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom juist hij hiervoor verantwoordelijk zou worden gehouden, nu de foto’s al bij meerdere personen in bezit waren en al wijdverspreid waren. Ten tweede heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is bedreigd omdat hij meerdere confrontaties heeft gehad met de DCE. Eiser heeft immers geen causaal verband gelegd tussen het aanzienlijk tijdsverschil tussen de laatste confrontatie in 2013 en de beschuldiging van het lekken van de foto’s. Daarbij heeft verweerder het vreemd kunnen achten dat eiser, die stelt dat hij drie keer eerder een confrontatie zou hebben gehad met de DCE, foto’s van een seksschandaal die deze DCE betreft, aan anderen laat zien. Te meer nu eiser verklaart dat de DCE een heel invloedrijk iemand is. Voorts heeft verweerder het vreemd kunnen achten dat eiser de foto’s ook heeft laten zien aan mensen met dezelfde etniciteit als eiser en die ook leden zijn van de NDC, waartoe ook de DCE behoort. Verweerder heeft ten derde niet ten onrechte overwogen dat de documenten die eiser heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas, niet tot de conclusie kunnen leiden dat zijn relaas geloofwaardig is. Ten vierde heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat de verklaring van eiser dat de problemen begonnen in april en eiser nog tot juli in Ghana is gebleven en legaal het land heeft verlaten, niet rijmen met de ernst van de gestelde problemen. Ten slotte heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat de omstandigheid dat eiser nadat hij is aangetroffen als illegale vreemdeling hier te lande en pas daarna om asiel heeft verzocht, ernstige twijfel oproept omtrent de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen. Van een vreemdeling die zich beroept op het Vluchtelingenverdrag mag in beginsel worden verwacht dat hij zich onverwijld meldt in het land waar hij deze bescherming inroept. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat de verklaringen van eiser dat hij dacht dat het wel over zou waaien en dat hij dacht dat de DCE wel zijn excuses aan zou bieden, niet rijmen met het beeld dat eiser gedurende het nader gehoor heeft geschetst van de DCE als een machtige en weinig vergevingsgezinde man.

6.2

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Ghana ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en daarom in zijn geval niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Voorts staat vast dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij eventuele problemen die zich zouden voordoen bij zijn terugkeer in Ghana geen bescherming van de autoriteiten van Ghana zou kunnen inroepen.

6.3

Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef onder b, van de Vw. De gronden die zijn ingediend met betrekking tot artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw kunnen daarom buiten de beoordeling blijven.

Terugkeerbesluit en inreisverbod

7. Eiser voert aan dat het onthouden van een vertrektermijn en het opleggen van een inreisverbod in strijd is met het Unierecht. Een vertrektermijn van vier weken is het uitgangspunt. Verweerder dient, indien dit zich voordoet, te motiveren waarom deze termijn moet worden verkort. Verweerder heeft dat in dit geval niet gedaan. De enkele omstandigheid dat eisers aanvraag als kennelijk ongegrond is afgewezen, is geen deugdelijke motivering. Het ontbreken van deze motivering is onverenigbaar met de tekst en het doel van (artikel 7 van) Richtlijn 2008/115/EG (Pb 2008 L 348/98; hierna: de Terugkeerrichtlijn) en de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 11 juni 2015, C-554/13, Z. Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377 en van 11 december 2014, C-249//13, Boudjlida, ECLI: EU:C:2014:2431. Nu ten onrechte een vertrektermijn aan eiser is onthouden, is het inreisverbod ook ten onrechte opgelegd. Verweerder is bij het onthouden van de vertrektermijn en het opleggen van het inreisverbod niet inhoudelijk ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van eiser. Deze omstandigheden zijn onder meer dat de aanvraagprocedure heel lang heeft geduurd, namelijk 19 à 20 maanden. Gelet op deze lange duur, is het opleggen van een onmiddellijke vertrektermijn disproportioneel. In die tijd heeft eiser privéleven opgebouwd. Eiser heeft in november 2016 aan verweerder een aantal stukken overgelegd van cursussen die hij heeft gevolgd en van vrijwilligerswerk. Het bestreden besluit is volgens eiser ook op dit punt onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

7.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat met toepassing van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, Vw op goede gronden is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten omdat zijn asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. De asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst. Vervolgens is aan eiser op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw een inreisverbod van twee jaar opgelegd omdat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Niet is gebleken van humanitaire of andere redenen om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod dan wel verkorten daarvan. Verweerder ziet niet in waarom de verlengde afdoening van de asielaanvraag van invloed zou moeten zijn op de duur van de aan eiser opgelegde vertrektermijn. Ter zitting voegt verweerder hieraan toe dat de individuele omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht niet zijn herkend als bijzondere omstandigheden en daarom niet in de beoordeling van het bestreden besluit zijn betrokken. Deze omstandigheden leiden echter niet tot een ander oordeel omdat deze niet zo bijzonder zijn dat op grond hiervan aan eiser een vertrektermijn had moeten worden gegeven. Eiser heeft zelf verklaard dat hij weinig banden heeft met Nederland. De langere duur van de asielprocedure staat er niet aan in de weg dat eiser kon verwachten dat de plicht om onmiddellijk te vertrekken een mogelijk uitkomst van zijn procedure zou kunnen zijn.

7.2

Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw, waarin artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd, mag verweerder afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw als kennelijk ongegrond is afgewezen. Op grond van de door eiser genoemde arresten en zoals volgt uit jurisprudentie van de Afdeling (zie uitspraak van 6 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3281) dient verweerder de persoonlijke omstandigheden die eiser in de bestuurlijke fase naar voren heeft gebracht te betrekken in de beoordeling of het passend is om af te zien van het toekennen van een termijn van vrijwillig vertrek. In de zienswijze heeft eiser aangevoerd dat hij in Nederland privéleven heeft opgebouwd omdat zijn asielprocedure 1,5 jaar heeft geduurd. Daarbij heeft eiser verwezen naar stukken die hij op 14 oktober 2016 heeft overgelegd. Verweerder heeft ter zitting erkend dat niet alle persoonlijke omstandigheden in de beoordeling van het bestreden besluit zijn betrokken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit en met de toelichting daarop ter zitting onvoldoende heeft onderbouwd waarom in het geval van eiser het proportioneel is om van een vertrektermijn af te zien, nadat de procedure zo lang heeft geduurd. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit in dit opzicht ondeugdelijk is gemotiveerd en in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom.

7.3

Nu verweerders standpunt omtrent het opleggen van een nul-dagen vertrektermijn ondeugdelijk is gemotiveerd, betekent dit dat het daarop gebaseerde inreisverbod reeds daarom evenmin deugdelijk is gemotiveerd, zodat het beroep met betrekking tot het inreisverbod eveneens slaagt.

8. Het uitgevaardigde terugkeerbesluit en inreisverbod, komt gelet op rechtsoverwegingen 7.2 en 7.3 voor vernietiging in aanmerking.

9. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte kosten. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

€ 990,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,-, wegingsfactor 1).

Verzoek om een voorlopige voorziening

10. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

11. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

12. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 495,- (1 punt voor de voorlopige voorziening, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag ongegrond;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod gegrond;

- vernietigt het in het bestreden besluit vervatte terugkeerbesluit en inreisverbod;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 990,- te betalen.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 495,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, tevens voorzieningenrechter in aanwezigheid van E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2017.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.