Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8588

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 476
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Recht op huurtoeslag 2011 en 2012 op nihil gesteld doordat rekening is gehouden met een toeslagpartner. De rechtbank heeft de beroepen, ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk verklaard omdat een ingebrekestelling ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 17/476 en SGR 17/477

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
14 juli 2017 in de zaken tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de Belastingdienst/Toeslagen, kantoor [plaats], verweerder.

De bestreden beslissing op bezwaar

Eiseres heeft beroep ingesteld, gericht tegen het door verweerder niet tijdig beslissen op het door haar ingediende bezwaarschrift tegen de herziene voorschotbeschikkingen huurtoeslag voor berekeningsjaren 2011 en 2012.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Met dagtekening 24 december 2010 is aan eiseres voor het berekeningsjaar 2011

een voorschot huurtoeslag toegekend van € 3.531. Met dagtekening 20 februari 2012 is dit voorschot herzien naar nihil.

2. Met dagtekening 29 december 2011 is aan eiseres voor het berekeningsjaar 2012

een voorschot huurtoeslag toegekend van € 3.336. Met dagtekening 21 maart 2012 is dit voorschot herzien naar nihil.

3. Bij brief van 23 februari 2012 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de

voorschotbeschikkingen huurtoeslag 2011 en 2012 van respectievelijk 20 februari 2012 en 21 maart 2012 (het bezwaarschrift). Bij brief van 14 oktober 2012 heeft eiseres een aanvullend bezwaar met betrekking tot de huurtoerslag 2011 ingediend.

4. Met dagtekening 5 februari 2013 is het voorschot huurtoeslag voor het

berekeningsjaar 2012 herzien naar € 2.535.

5. Bij brieven van 20 december 2013 heeft de gemachtigde van eiseres (de

gemachtigde) het bezwaarschrift nader gemotiveerd.

6. Met dagtekening 29 april 2014 is de huurtoeslag 2011 definitief vastgesteld op

nihil.

7. Met dagtekening 7 april 2015 is de huurtoeslag 2012 definitief vastgesteld op

€ 2.502.

8. Vanwege het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift heeft de

gemachtigde bij brieven van 18 januari 2017 beroep ingesteld.

9. Met dagtekening 12 april 2017 respectievelijk 19 april 2017 heeft verweerder,

hangende het beroep, beslissingen genomen op het bezwaarschrift. Verweerder is voor beide berekeningsjaren (2011 en 2012) tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiseres.

10. Met dagtekening 9 juni 2017 heeft verweerder - in aanvulling op de onder 9

genoemde beslissingen op bezwaar - aan eiseres een proceskostenvergoeding voor de bewaarfase toegekend van € 487.

11. In geschil is of eiseres terecht in beroep is gekomen tegen het niet tijdig nemen

van een besluit. Verder is in geschil of de voorschotbeschikkingen huurtoeslag 2011 en 2012 naar de juiste bedragen zijn vastgesteld.

12. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht

(Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:

a.. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.

13. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het beroep niet-

ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan de inhoudelijke eisen van het beroepschrift (artikel 6:5 van de Awb), of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep.

14. Het bezwaarschrift is ingediend op 23 februari 2012. Ingevolge het bepaalde in

artikel 4:13 van de Awb eindigde de beslistermijn op 19 april 2012. Bij aangetekende brieven van 21 februari 2017, welke brieven op 22 februari 2017 door de gemachtigde op de PostNL locatie zijn afgehaald, heeft de rechtbank de gemachtigde verzocht een kopie toe te sturen van de schriftelijke ingebrekestelling en om mee te delen op welke datum deze bij verweerder is ingediend. De rechtbank heeft hierop geen reactie ontvangen. Bij brief van 19 juni 2017, per reguliere post toegestuurd aan de gemachtigde, heeft de rechtbank de gemachtigde nogmaals verzocht om een kopie van de schriftelijke ingebrekestelling. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank wederom geen ingebrekestelling van de gemachtigde ontvangen. Ter zitting heeft de gemachtigde niets overgelegd. Ook is door gemachtigde niet gemotiveerd gesteld dat verweerder in gebreke is gesteld.

15. Naar het oordeel van de rechtbank bevatten de gedingstukken verder geen recente

correspondentie die kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling inzake het niet nemen van een beslissing op bezwaar. Afgezien van het feit dat het begrip ingebrekestelling of een daarmee gelijk te stellen formulering niet voorkomt in de verschillende brieven aan verweerder, wordt daarin ook niet gesteld dat er een bezwaarschrift is ingediend waarop nog niet is beslist. Evenmin wordt er door eiseres een termijn gesteld waarbinnen verweerder alsnog moet beslissen.

De gedingstukken bevatten wel een brief van 18 december 2012 van eiseres waarin zij verweerder in gebreke stelt, maar naar het oordeel van de rechtbank kan deze ingebrekestelling uit 2012 niet als zodanig gelden voor een in 2017 ingesteld beroep.

16. Er is derhalve niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 6:12, tweede lid, van de

Awb. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank niet toekomt aan de inhoudelijke behandeling van het beroep.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.G.J. Konings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,

2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)