Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8502

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 28081
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf, doel familiebezoek, vrouw uit Pakistan met vier thuiswonende kinderen. Beroep is gegrond vanwege schending hoorplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/28081

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [vreemdelingennummer] ,

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

de minister van Buitenlandse Zaken,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.J. Balfoort).

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om een visum kort verblijf van eiseres geweigerd.

Bij besluit van 16 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2017.

Eiser is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1963 en de Pakistaanse nationaliteit te hebben. Op 12 augustus 2016 heeft eiseres een aanvraag gedaan tot het verlenen van een visum voor kort verblijf met als doel familiebezoek.

2. De aanvraag is bij het primaire besluit door verweerder geweigerd. Verweerder heeft de aanvraag beoordeeld op grond van de artikelen 21 en 32 van de Verordening (EG) nummer 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009, tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (hierna: Visumcode). Verweerder heeft zich in hetbestreden besluit op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat eiseres voornemens is om het grondgebied van de lidstaat vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten, nu onvoldoende is aangetoond dat sprake is van eenwezenlijke economische en sociale binding.

3. Eiseres heeft in beroep – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. De aanvraag van eiseres om een visum voor kort verblijf betrof een voorgenomen familiebezoek aan haar broer en diens gezin, tezamen met haar ouders. De aanvragen van haar ouders zijn ingewilligd, maar die van eiseres niet. Vier van de vijf kinderen van eiseres wonen nog thuis en daarom kan niet de conclusie worden getrokken dat geen sprake is van een verantwoordelijkheid van eiseres voor een eigen gezin. De sociale binding van eiseres met Pakistan is nog bijzonder sterk. Niet valt in te zien waarom onder die omstandigheden tijdige terugkeer niet voldoende gewaarborgd zou zijn. Het feit dat eiseres is gehuwd en sindsdien met haar man en (later) kinderen in gezinsverband samenleeft levert ook een sterke sociale binding op. De man van eiseres woont in Rabwah (Pakistan) en heeft aldaar een winkel in levensmiddelen. Er bestaat geen grond om te denken dat hij buiten Pakistan zou verblijven. Voorts heeft eiseres veel bewijs geleverd van inkomsten middels pensioen, zij heeft een goede verhouding met de bank en een banksaldo. De kosten worden overigens gedragen door [persoon] (referent). Referent staat voor eiseres garant. Tot slot is verweerder ten onrechte voorbij gegaan aan de hoorplicht.

4. De rechtbank stelt voorop dat bij het onderzoek of aan de toepassingsvoorwaarden van de Visumcode is voldaan, aan verweerder een zekere beoordelingsruimte toekomt en dat het op de weg van eiser ligt om aannemelijk te maken dat er geen redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen Nederland vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten.

4.1

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt ten aanzien van het horen in bezwaar is dat ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor het bestuur een hoorplicht bestaat, behoudens de in artikel 7:3 van de Awb genoemde uitzonderingen. Van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is sprake indien, aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met hetgeen in eerste instantie door de vreemdeling is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met hetgeen in eerste instantie door de vreemdeling is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiseres in de aanvraag heeft ingevuld dat zij getrouwd is, hetgeen ook blijkt uit het door eiseres bij de aanvraag overgelegde kopie paspoort en de ten behoeve van de voorgenomen reis afgesloten reis- en ziektekostenverzekering, en dat vier van haar vijf kinderen bij haar in huis wonen en (ten tijde van de aanvraag) in leeftijd varieerden van 18 tot 24 jaar. In bezwaar heeft eiseres aangevoerd dat haar echtgenoot op hetzelfde adres woont als eiseres en haar kinderen. Hoewel eiseres pas in beroep een kopie huwelijksakte, een family registration certificate en nadere onderbouwing van het woonadres en de economische activiteiten van haar echtgenoot heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder gelet op de hiervoor genoemde aspecten ten tijde van de aanvraag en het bezwaar, in onderlinge samenhang bezien, eiseres in bezwaar had moeten horen, omdat niet op voorhand kon worden gesteld dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had. De omstandigheid dat eiseres zeven broers en zussen heeft, van wie er twee in Nederland, één in Frankrijk, twee in het Verenigd Koninkrijk, één in de Verenigde Staten en één in Pakistan wonen, doet daar niet aan af.

5. Op basis van het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard wegens schending van de hoorplicht.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,--, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht ad. € 168 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 990,-, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Verwilligen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.