Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8498

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 28503
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf, Guinee, huwelijk met Nederlandse referent

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/28503

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),

en

de minister van Buitenlandse Zaken,

verweerder

(gemachtigde: mr. F. Gieskes).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de visumaanvraag van eiseres geweigerd.

Bij besluit van 8 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2017.

Eiseres is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eisers heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1985 en de Guinese nationaliteit te hebben.

  2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres van 20 juni 2016 tot het verlenen van een visum voor kort verblijf bij het primaire besluit geweigerd. Verweerder heeft dit besluit, samengevat weergegeven, doen steunen op de volgende overwegingen. Verweerder heeft de aanvraag beoordeeld op grond van de artikelen 21 en 32 van de Verordening (EG) nummer 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009, tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (hierna: de Visumcode). Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat eiseres voornemens is om het grondgebied van de lidstaat vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten, nu onvoldoende is aangetoond dat sprake is van een wezenlijke economische en sociale binding.

3. Eiseres heeft in beroep – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Uit de door eiseres overgelegde informatie en gegevens kan wel worden vastgesteld dat zij het voornemen heeft om het grondgebied van de lidstaat voor het verstrijken van het visum te verlaten. Eiseres heeft vluchtgegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij op 16 oktober 2016 van Amsterdam naar Parijs terugvliegt en op diezelfde dag vanuit Parijs naar Conakry terugvliegt. Eiseres wil een familiebezoek afleggen bij haar echtgenoot (referent). Eiseres heeft een zoontje van vijf jaar dat achterblijft in Guinee bij zijn grootouder. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 30 juli 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:8687) heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres geen sociale binding heeft met haar land van herkomst. Referent begrijpt niet dat zijn moeder wel een verblijfsvergunning heeft gekregen en eiseres niet, terwijl zij beiden worden onderhouden door referent. Er is sprake van willekeur. Voorts is niet duidelijk vermeld welke stukken door verweerder worden verlangd ter staving van de sociale en economische binding met het land van herkomst. Naar aanleiding van de aanvraagformulieren heeft verweerder onterecht geen navraag gedaan maar gezocht naar tegenstrijdigheden. Het garantstellingsformulier is reeds bij de aanvraag ter verkrijging van het visum overgelegd. Referent is een solvabele garantsteller, gezien zijn loonstroken. Tot slot is ten onrechte geen hoorzitting gehouden.

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Ingevolge het toepasselijke beleid van verweerder is het aan eiseres om haar tijdige terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk te maken. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiseres dit in onvoldoende mate heeft gedaan, nu eiseres heeft nagelaten aannemelijk te maken economisch en sociale binding met haar land van herkomst te hebben.

5.2

Ten aanzien van de sociale binding met het land van herkomst heeft verweerder bij zijn beoordeling mogen betrekken dat eiseres gehuwd is met de in Nederland wonende referent. In het systeem van NVIS, van de Nederlandse vertegenwoordigingen, wordt opgemerkt dat eiseres geen kinderen heeft. Eiseres heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat zij een kind heeft. Het is aan eiseres om dit met objectief verifieerbare stukken aannemelijk te maken. In bezwaar heeft eiseres aangegeven dat zij niet langer dan een maand in Nederland wil blijven omdat haar zoontje van vijf jaar bij haar grootouders in Guinee achterblijft. Daarmee is niet in overeenstemming dat eiseres op het visumaanvraagformulier heeft aangegeven dat zij voor 90 dagen naar Nederland wil komen. Dat zij dit alleen heeft gedaan om flexibel te zijn bij het plannen van haar (retour)vlucht is niet overtuigend. Verweerder heeft terecht overwogen dat de sociale binding van eiseres met Nederland gelet op haar huwelijk met referent sterker is dan die met Guinee. Het gegeven dat eiseres mogelijk in de toekomst een verblijfsvergunning gaat aanvragen is een onzekere en in de toekomst gelegen omstandigheid die daarom niet kan worden meegewogen in de beoordeling. Gelet hierop kan niet worden aangenomen dat eiseres een zodanige sociale binding heeft met het land van herkomst dat tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is te achten.

5.3

Ten aanzien van de economische binding met het land van herkomst heeft verweerder bij zijn beoordeling mogen betrekken dat eiseres niet beschikt over betaald werk of bezittingen, op grond waarvan de tijdige terugkeer aannemelijk is te achten.

5.5

Nu niet is gebleken van een sociale en economische binding met het land van herkomst waardoor tijdige terugkeer naar het land van herkomst redelijkerwijs gewaarborgd is te achten, heeft verweerder reeds daarom de visumaanvraag op goede gronden geweigerd.

5.6

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval heeft mogen afzien van horen van eiseres in bezwaar. Uit het bezwaarschrift, bezien in het licht van het primaire besluit en de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn, was op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden op het punt van het ontbreken van een voldoende sociale en economische binding van eiseres met Guinee. Verweerder heeft zich daarom op goede gronden op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond was als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb.

6. Op basis van het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Verwilligen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

BIJLAGE – Wettelijk kader

Ingevolge artikel 72, lid 2, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) worden beschikkingen omtrent de afgifte van visa of machtigingen tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens het Soeverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep gelijkgesteld met beschikkingen aangaande toelating, gegeven op grond van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Visumcode worden in deze verordening de procedures en voorwaarden vastgesteld voor de afgifte van visa voor de doorreis over het grondgebied van de lidstaten of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden.

Artikel 21, eerste lid, van de Visumcode bepaalt dat bij het onderzoeken van aanvragen voor een eenvormig visum wordt nagegaan of de aanvrager aan de inreisvoorwaarden als omschreven in artikel 5, lid 1, onder a), c), d), en e), van Verordening (EG) nr. 562/2006 (Schengengrenscode) voldoet en wordt bijzondere aandacht geschonken aan de toetsing van de vraag of de aanvrager een risico van illegale immigratie of een risico voor de veiligheid van de lidstaten vertegenwoordigt, en met name, of de aanvrager het voornemen heeft het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór de geldigheidsduur van het aangevraagde visum verstrijkt.

Artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode bepaalt, voor zover hier van belang:

"Voor onderdanen van derde landen gelden de volgende toegangsvoorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden:

[a]

[b]

c. het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor doorreis naar het derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;

Ingevolge artikel 32 van de Visumcode, wordt onverminderd artikel 25, eerste lid, van ` de Visumcode een visum geweigerd – voor zover hier van belang - :

a. indien de aanvrager:

iii) niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor zijn terugreis naar het land van herkomst of verblijf, of voor doorreis naar een derde land waar hij met zekerheid zal worden toegelaten, of in de mogelijkheid te verkeken deze middelen legaal te verkrijgen;

(…)

of

b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Vw 2000 wordt toegang tot Nederland geweigerd aan de vreemdeling die:

a. niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel in het bezit is van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt;

b. een gevaar oplevert voor de openbare orde of nationale veiligheid;

c. niet beschikt over voldoende middelen om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is, of

d. niet voldoet aan de voorwaarden die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn gesteld.

In hoofdstuk 2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zijn met betrekking tot de toegang tot Nederland nadere regels gesteld. Onder meer is in artikel 2.1 van het Vb 2000 bepaald dat de toegang wordt geweigerd, indien de vreemdeling het doel van het voorgenomen verblijf of de verblijfsomstandigheden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, dan wel ter staving daarvan onvoldoende documenten heeft overgelegd.

Het door verweerder gevoerde beleid betreffende verlening van visa is neergelegd in paragraaf A1/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Voor behandeling van visumzaken wordt voorts verwezen naar het Besluit van de Commissie van 19 maart 2010 tot vaststelling van een handleiding voor de behandeling van visumaanvragen en de wijziging van afgegeven visa (ook wel: Praktisch Handboek bij de Visumcode, hierna: Handboek). Met betrekking tot de vraag of tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd zijn in dit Handboek toetsingscriteria geformuleerd, namelijk de mate van sociale en economische binding met het land van herkomst. Wanneer voornoemde sociale en economische binding in sterke mate aanwezig zijn wordt aangenomen dat het tijdige vertrek van een vreemdeling gewaarborgd is.