Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8491

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
04-08-2017
Zaaknummer
NL 17.3734
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Roemenië

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3734


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. M.E.Th. Hogervorst),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.3735, plaatsgevonden op 11 juli 2017. Eiser is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser heeft op 20 maart 2017 een asielaanvraag ingediend. Uit het door eiser overgelegde authentieke paspoort is gebleken dat hij in het bezit is van een door de Roemeense autoriteiten afgegeven visum, geldig van 17 november 2015 tot 20 april 2016. Voorts is uit documenten die eiser heeft overgelegd gebleken dat hij een verblijfsvergunning voor studie heeft in Roemenië, geldig van 14 december 2015 tot 30 september 2019.

Op 30 maart 2017 heeft verweerder de Roemeense autoriteiten op grond van Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening) verzocht om eiser over te nemen. De Roemeense autoriteiten hebben middels het claimakkoord van 30 mei 2017 hiermee ingestemd op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het beroep van eiser op artikel 13, tweede lid, van de Dublinverordening kan niet slagen nu dit artikel betrekking heeft op een verzoeker die illegaal of op onbekende wijze het grondgebied van de lidstaten is binnengekomen. Uit het paspoort en de verklaringen van eiser volgt dat hij via een aangewezen doorlaatpost toegang heeft verkregen tot het grondgebied van de lidstaten en dat hij aldaar rechtmatig verblijf heeft.

Eiser heeft met het door hem in beroep gevoerde betoog niet aannemelijk gemaakt dat Roemenië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Eiser heeft niet onderbouwd welke concrete aanwijzingen er hiervoor zouden zijn. De stelling van eiser dat Roemenië ten onrecht met de claim akkoord is gegaan heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. De enkele verwijzing naar de in de zienswijze genoemde Country Report en een uitspraak van de Belgische vreemdelingenrechter is hiertoe onvoldoende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht met de in het besluit gegeven motivering op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzicht van Roemenië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Roemenië een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Dat het overdrachtsbesluit in strijd zou zijn met de wet kan ook niet worden gevolgd. Uit het claimakkoord is niet af te leiden dat eiser niet vrijwillig naar Roemenië zou kunnen reizen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming van eiser hier te lande te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening nu eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Verwilligen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2017.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.