Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8485

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 24808
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:979, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Jonge Afghaanse asielzoeker; langdurig verblijf in Iran

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/24808

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. N. Brands),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J. Balfoort).

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is M.R. Adel, tolk Dari, verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1998 en de Afghaanse nationaliteit te hebben. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

2 Eiser heeft aan zijn aanvraag – samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd dat hij 7 jaar geleden met zijn vader en moeder Afghanistan verlaten heeft vanwege de problemen die zijn vader, voormalig lid van de Mujahedin, zijn grootvader en ooms destijds in hun dorp hadden met de plaatselijke Taliban en Taliban-leider. Eiser is daarop met zijn ouders naar Iran gevlucht. In Iran is later zowel zijn vader, als zijn moeder overleden, waarna eiser - illegaal - bij zijn tante heeft verbleven in Iran. Eiser vreest bij terugkeer in Afghanistan vervolging omdat hij door de eerdere rol en functie van zijn vader nog immer in de negatieve belangstelling zal staan van de Taliban. Voorts stelt dat eiser dat hij zich als jonge alleenstaande man zonder sociaal netwerk, die een groot deel van zijn jeugd niet in Afghanistan, maar in Iran heeft doorgebracht, in Afghanistan niet zal kunnen handhaven.

3 Op 31 oktober 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 23 mei 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij uitspraak van 21 juni 2016 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het beroep van eiser gegrond verklaard en voornoemd besluit vernietigd.

4 Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag opnieuw afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat, hoewel de identiteit, nationaliteit en afkomst van eiser geloofwaardig zijn, zijn asielrelaas niet geloofwaardig is. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de verklaringen van eiser over het overlijden van zijn ouders, de gestelde bloedwraakvete en de gestelde problemen met de Taliban niet geloofwaardig zijn.

5 De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de dood van zijn ouders in Iran - welke hij niet met documenten heeft kunnen onderbouwen - vanwege zijn wisselende en tegenstrijdige verklaringen daarover niet geloofwaardig heeft kunnen achten. Eiser heeft hierbij niet alleen meermalen wisselend verklaard over wanneer zijn vader en moeder zouden zijn overleden, maar tevens wisselend verklaard ten aanzien van de vraag of zijn vader dan wel zijn moeder eerder is overleden. Dat deze verwarring te wijten zou zijn aan de tolk, wordt niet gevolgd.

5.2

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de verklaringen van eiser over de bloedwraakvete met de Taliban en de door hem gestelde persoonlijke problemen met de Taliban ongeloofwaardig heeft mogen achten. Verweerder heeft niet ten onrechte onder meer het standpunt ingenomen dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat de moord van zijn opa en oom waren ingegeven door bloedwraak en dat eiser wisselend heeft verklaard over de rol van zijn vader binnen de Mujahedin. Zo heeft eiser op de vraag of zijn vader een belangrijke rol bij de Mujahedin heeft, aangegeven dat zijn vader net als andere strijders was terwijl hij in de correcties en aanvullingen stelt dat zijn vader het hoofd van een Mujahedin was. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser onbevredigende verklaringen heeft afgelegd over het vermoeden van zijn vader dat de mannen die hun huis meermalen binnenvielen aanhangers van Shir Aqa Tadjiek waren. Zo heeft eiser gesteld dat zij te herkennen waren aan de specifieke dracht van de tulband, echter eiser stelt ook dat zijn vader de link met Shir Aqa Tadjiek pas kon leggen toen de aanvallen frequenter werden en dit pas in de loop van de tijd, langzaamaan, heeft geconcludeerd. Voorts heeft verweerder het niet ten onrechte bevreemdend geacht dat het bleef bij invallen in de woning waarbij spullen werden gestolen en zijn vader werd mishandeld, nu eiser stelt dat Shir Aqa Tadjiek uit was op bloedwraak met als doel het uitroeien van de familie.

Bovendien heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat nu eiser jonger was dan 11 jaar toen de gestelde problemen - wat hier verder van zij - zich voordeden en deze problemen hem niet persoonlijk betroffen, niet kan worden geconcludeerd dat er voor eiser, indien hij - als inmiddels volwassen jongeman - zou terugkeren naar Afghanistan, persoonlijk risico op vervolging bestaat.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen verdragsvluchteling is als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

5.2

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in Afghanistan geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2731), waarin is geoordeeld dat er in Afghanistan geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als hiervoor bedoeld.

Ook op grond van zijn persoonlijke situatie heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade, dit mede gelet op het feit dat verweerder zijn asielrelaas - zoals hiervoor overwogen - niet ten onrechte als ongeloofwaardig heeft aangemerkt.

5.3

De rechtbank is tenslotte van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de gevolgen van het ontbreken van een sociaal netwerk voor eiser niet zodanig zijn dat dit een schending oplevert van artikel 3 van het EVRM. Hoewel niet is uitgesloten dat een persoon zonder sociaal netwerk in Afghanistan voor problemen kan komen te staan, zijn die problemen niet van dien aard dat daarmee reeds is voldaan aan voormelde maatstaf. De rechtbank verwijst hiervoor naar eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2731). De rechtbank acht in dit licht van belang dat eiser een gezonde jongeman is die als soennitisch Tadjiek niet behoort tot een bijzondere kwetsbare minderheidsgroep in Afghanistan.

Verweerder is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.

6 Het beroep is derhalve ongegrond.

7 Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2017.

Rechtmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).