Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8484

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
AWB 17/865
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[Koeweit; veilig derde land; art. 3.106a lid 1 Vb 2000; UNHCR]

Samenvatting:

Is Koeweit een veilig derde land in de zin van artikel 3.106a, eerste lid, Vb 2000? Uit de bewoordingen van dit artikel volgt dat een land uitsluitend als veilig derde land kan worden aangemerkt als een persoon in dat land overeenkomstig alle in deze bepaling opgenomen beginselen zal worden behandeld. Dit leidt de rechtbank af uit het woord ‘beginselen’ in de aanhef van dit artikellid en de vermelding van het nevenschikkend voegwoord ‘en’ in onderdeel d van artikel 3.106a, eerste lid Vb 2000. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom is voldaan aan het wettelijke vereiste van artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, Vb 2000. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder niet dat eiser de mogelijkheid heeft om een vluchtelingenstatus te verzoeken, omdat hij zich in Koeweit voor bescherming kan wenden tot de UNHCR en de autoriteiten van Koeweit de uitkomst van deze beoordeling zullen respecteren. Op grond van artikel 10, tweede lid, van Richtlijn 2013/32 dienen lidstaten als hoofdregel te onderzoeken of een persoon die om internationale bescherming verzoekt als vluchteling kan worden aangemerkt en, zo niet, of hij voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt. Lidstaten kunnen van deze verplichting in sommige gevallen afwijken, bijvoorbeeld indien het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard omdat de vreemdeling afkomstig is uit een veilig derde land (artikel 33 van Richtlijn 2013/32). In punt 43 van de preambule van Richtlijn 2013/32 staat vermeld dat lidstaten alle verzoeken moeten onderzoeken op de inhoud, behoudens andere bepalingen in deze Richtlijn, met name indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een ander land het onderzoek zal doen. Richtlijn 2013/32 maakt hiermee een uitzondering op de hoofdregel dat de lidstaat het verzoek op inhoud dient te onderzoeken. Een extensieve interpretatie en toepassing van het begrip veilig derde land ligt daarom niet in de rede (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:627, rechtsoverweging 10.2, in samenhang gelezen met punt 7.11 van de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. L.A.D. Keus van 12 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1882, in de zaak die heeft geleid tot die uitspraak).

Verweerders interpretatie van artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, Vb 2000 komt er op neer dat ook in de situatie dat een ngo zoals UNHCR in een derde land zich bezighoudt met statusdeterminatie is voldaan aan de voorwaarde uit Richtlijn 2013/32 dat een ‘ander land’ onderzoekt of bescherming moet worden geboden. Een dergelijke extensieve interpretatie verdraagt zich niet met Richtlijn 2013/32. Uit de bewoordingen in de preambule volgt juist dat het de bedoeling is geweest van de uniewetgever dat de autoriteiten van dit derde land dit onderzoek moeten verrichten. Daarbij komt dat uit de door verweerder ingeroepen stukken onvoldoende blijkt wat de reikwijdte is van de door Koeweit geboden bescherming na statusdeterminatie door de UNHCR. Dat de UNHCR in Koeweit is belast met statusdeterminatie betekent niet zonder meer dat de Koeweitse autoriteiten, aan degenen die door het UNHCR als vluchteling zijn aangemerkt, bescherming overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag zullen bieden. Daarnaast heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd wat onder ‘bescherming overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag’ dient te worden verstaan. Dat deze in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, Vb 2000 bedoelde bescherming niet verder gaat dan de bescherming tegen indirect refoulement, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, ligt niet voor de hand nu daarmee dit onderdeel van de bepaling geen andere betekenis zou hebben dan artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder c en d, Vb 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/865

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2017

in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] ,

v-nummer [nummer] ,

van Syrische nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. T. Pondaag),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2017 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 18 juli 2016 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Op 11 januari 2017 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van

2 februari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. K.J. Verrips, kantoorgenote van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Izaks. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Op 1 maart 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het beroep ter verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van

15 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Douma.

De beoordeling

1.Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en heeft vanaf zijn geboorte tot aan zijn vertrek legaal in Koeweit gewoond. Eiser heeft een echtgenote en vier kinderen, die ook in Koeweit zijn geboren en daar nog woonachtig zijn. In juli 2015 heeft eiser te horen gekregen dat hij zou worden ontslagen door zijn werkgever, waardoor hij geen legaal verblijf meer zou hebben in Koeweit. Omdat eiser geen ander werk kon vinden, heeft hij Koeweit op 26 augustus 2015 verlaten en heeft hij op 7 oktober 2015 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Wegens familieomstandigheden is eiser op 23 of 24 december 2015 teruggekeerd naar Koeweit. Hierdoor is de aanvraag van 7 oktober 2015 buiten behandeling gesteld. Eiser stelt dat hij na terugkeer in Koeweit wederom heeft gewerkt, maar deze keer waren zijn werkzaamheden niet legaal. Tegen betaling van een geldsom heeft hij van zijn voormalige werkgever een verblijfsvergunning, geldig tot 24 januari 2017, gekregen. De autoriteiten van Koeweit hebben ontdekt dat zijn werkgever op onrechtmatige wijze verblijfsvergunningen heeft verstrekt en hebben het bedrijf gesloten (geblokkeerd). Hierdoor heeft eiser zijn verblijfsrecht verloren en heeft hij Koeweit op 15 juli 2016 verlaten en is hij wederom naar Nederland gereisd.

Aan zijn aanvraag van 18 juli 2016 heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij vreest dat hij bij terugkeer naar Koeweit naar Syrië zal worden verwijderd. Bij terugkeer naar Syrië zal hij worden opgeroepen voor de militaire dienst. Ook vreest hij voor de IS en heeft hij persoonlijke problemen met de broers van zijn echtgenote, omdat hij zonder hun toestemming met haar getrouwd is.

3.Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), omdat Koeweit voor eiser als veilig derde land is aan te merken.

4.Hiermee kan eiser zich niet verenigen. Op hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

5.De rechtbank overweegt als volgt.

6.In deze uitspraak zal de rechtbank de vraag beantwoorden of verweerder Koeweit terecht heeft aangemerkt als een veilig derde land. Om deze vraag te beantwoorden dient beoordeeld te worden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een vreemdeling in Koeweit overeenkomstig de beginselen, neergelegd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) zal worden behandeld.

7.De rechtbank stelt vast dat artikel 3.106a, ter implementatie van artikel 27 van Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB 2005 L 326), dat is vervangen door artikel 38 van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming (herschikking) (PB 2013, L 180; hierna: Richtlijn 2013/32), aan het Vb 2000 is toegevoegd. Uit de bewoordingen van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 volgt dat een land uitsluitend als veilig derde land kan worden aangemerkt als een persoon in dat land overeenkomstig alle in deze bepaling opgenomen beginselen zal worden behandeld. Dit leidt de rechtbank af uit het woord ‘beginselen’ in de aanhef van dit artikellid en de vermelding van het nevenschikkend voegwoord ‘en’ in onderdeel d van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 (zie punt 27 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 oktober 2004, Commissie tegen Italië, C-103/02). Verweerder heeft deze uitleg van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 op de zitting van 15 mei 2017 bevestigd.

8.Uit de in paragraaf C2/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) opgenomen bewijslastverdeling leidt de rechtbank af dat voor de vraag of een land als veilig derde land kan worden aangemerkt verweerder en de vreemdeling een gedeelde bewijslast hebben, vergelijkbaar met de bewijslastverdeling bij de aanwijzing van een veilig land van herkomst. Deze bewijslastverdeling houdt in dat verweerder, aan de hand van de in artikel 3.37e, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000) genoemde bronnen, moet aantonen dat een land als veilig derde land is aan te merken. Indien hij dat heeft aangetoond, kan hij deze presumptie niet handhaven wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat het betreffende derde land in zijn specifieke geval niet als veilig land kan worden beschouwd.

9.Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel Koeweit geen partij is bij het Vluchtelingenverdrag, Koeweit wel lid is van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing, waarin het verbod op refoulement een prominente plaats inneemt. Bovendien heeft voor Koeweit de verplichting van non-refoulement de status van internationaal gewoonterecht. Immers, door ratificatie van voormelde verdragen, alsmede de verbodstelling van refoulement in de grondwet van Koeweit, acht Koeweit zich gehouden het verbod van refoulement na te leven. Verder blijkt uit verschillende informatiebronnen dat Koeweit in de praktijk het principe van non-refoulement in acht neemt, ook ten aanzien van Syriërs. Daarmee is voldaan aan artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van het Vb 2000.

Ten aanzien van artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de achterliggende gedachte van deze bepaling is dat de vreemdeling in het betreffende land bescherming krijgt en dat het beginsel van non-refoulement wordt gerespecteerd. Hoewel de wetgeving in Koeweit niet voorziet in de mogelijkheid om een vluchtelingenstatus te verzoeken, worden er wel asielgerelateerde activiteiten door de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: UNHCR) uitgevoerd en kan de UNHCR een vluchtelingenstatus verlenen. In dit verband heeft verweerder gewezen op het rapport ‘Submission by the United Nations High Commissioner for Refugees for the Office of the High Commissioner for Human Rights Compilation-report – Universal Periodic Review: State of Kuwait’ van juni 2014. Bovendien is Koeweit over het algemeen coöperatief met betrekking tot de inspanningen die de UNHCR en andere humanitaire organisaties leveren bij het verlenen van bescherming en bijstand aan vluchtelingen. In dit verband heeft verweerder gewezen op het ‘Country Report on Human Rights Practices 2015 – Kuwait’ van 13 april 2016 van de US Department of State.

10.Eiser heeft betoogd dat verweerder Koeweit ten onrechte als veilig derde land heeft aangemerkt. Uit de door hem in de zienswijze overgelegde documenten blijkt dat Koeweit Syriërs uitzet en gelet daarop het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag niet naleeft, zodat niet is voldaan aan artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000. Daarnaast voldoet Koeweit niet aan artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000. In Koeweit kan niet bij de autoriteiten een aanvraag worden ingediend om toekenning van de vluchtelingenstatus. Dat de UNHCR asielgerelateerde taken op zich heeft genomen, maakt dat niet anders. In dit verband heeft eiser gewezen op een uitspraak van 13 december 2016 van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond (AWB 16/26357).

11. De rechtbank ziet aanleiding om eerst te beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat is voldaan aan artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000.

12. Niet in geschil is dat de wetgeving in Koeweit niet voorziet in de mogelijkheid om een vluchtelingenstatus te verzoeken. De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat het ontbreken van deze mogelijkheid niet in de weg staat aan de aanmerking van Koeweit als veilig derde land, omdat eiser zich in Koeweit voor bescherming kan wenden tot de UNHCR en de autoriteiten van Koeweit de uitkomst van deze beoordeling zullen respecteren.

13. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Op grond van artikel 10, tweede lid, van Richtlijn 2013/32 dienen lidstaten als hoofdregel te onderzoeken of een persoon die om internationale bescherming verzoekt als vluchteling kan worden aangemerkt en, zo niet, of hij voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt. Lidstaten kunnen van deze verplichting in sommige gevallen afwijken, bijvoorbeeld indien het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard omdat de vreemdeling afkomstig is uit een veilig derde land (artikel 33 van Richtlijn 2013/32). In punt 43 van de preambule van Richtlijn 2013/32 staat voor zover hier relevant vermeld dat lidstaten alle verzoeken moeten onderzoeken op de inhoud, behoudens andere bepalingen in deze Richtlijn, met name indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een ander land het onderzoek zal doen. Richtlijn 2013/32 maakt hiermee een uitzondering op de hoofdregel dat de lidstaat het verzoek op inhoud dient te onderzoeken. Een extensieve interpretatie en toepassing van het begrip veilig derde land ligt daarom niet in de rede (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:627, rechtsoverweging 10.2, in samenhang gelezen met punt 7.11 van de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. L.A.D. Keus van 12 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1882, in de zaak die heeft geleid tot die uitspraak).

Verweerders interpretatie van artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 komt er op neer dat ook in de situatie dat een non-gouvernementele organisatie zoals UNHCR in een derde land zich bezighoudt met statusdeterminatie is voldaan aan de voorwaarde uit Richtlijn 2013/32 dat een ‘ander land’ onderzoekt of bescherming moet worden geboden. Een dergelijke extensieve interpretatie verdraagt zich niet met Richtlijn 2013/32. Uit de bewoordingen in de preambule volgt juist dat het de bedoeling is geweest van de uniewetgever dat de autoriteiten van dit derde land dit onderzoek moeten verrichten.

Daarbij komt dat uit de door verweerder ingeroepen stukken onvoldoende blijkt wat de reikwijdte is van de door Koeweit geboden bescherming na statusdeterminatie door de UNHCR. Dat de UNHCR in Koeweit is belast met statusdeterminatie betekent niet zonder meer dat de Koeweitse autoriteiten, aan degenen die door het UNHCR als vluchteling zijn aangemerkt, bescherming overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag zullen bieden. Daarnaast heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd wat onder ‘bescherming overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag’ dient te worden verstaan. Dat deze in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 bedoelde bescherming niet verder gaat dan de bescherming tegen indirect refoulement, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, ligt niet voor de hand nu daarmee dit onderdeel van de bepaling geen andere betekenis zou hebben dan artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder c en d, van het Vb 2000.

14.Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd waarom is voldaan aan het wettelijke vereiste van artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000. Gelet op het cumulatieve karakter van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 heeft verweerder daarom onvoldoende onderbouwd dat Koeweit als veilig derde land kan worden aangemerkt en zal de rechtbank de beoordeling van overige beroepsgronden onbesproken laten.

15.Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en dient het besluit van 5 januari 2017 te worden vernietigd. De rechtbank ziet geen mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag.

16.De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde van € 495,- per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 5 januari 2017;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, tot een bedrag van € 1.237,50,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.S.T. Belt, voorzitter, mr. Tj. Gerbranda en

mr. G.W.B. Heijmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen één week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).

BIJLAGE

Richtlijn 2013/32

Artikel 33

1. Naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 604/2013, zijn de lidstaten niet verplicht te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht.

2. De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer:

[…]

c) een land dat geen lidstaat is, uit hoofde van artikel 38 voor de verzoeker als veilig derde land wordt beschouwd;

Artikel 38

Het begrip „veilig derde land”

1. De lidstaten mogen het begrip „veilig derde land” alleen toepassen indien de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:

a. a) het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging;

b) er bestaat geen risico op ernstige schade in de zin van Richtlijn 2011/95/EU;

c) het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève wordt nageleefd;

d) het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en

e) de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Verdrag van Genève.

Vw 2000

artikel 30a

Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:

[…]

c. een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd;

Vb 2000

artikel 3.106a

1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien, naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:

a. het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en

b. er bestaat geen risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet, en

c. het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en

d. het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en

e. de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.

2. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

3. Bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.

4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid.

VV 2000

artikel 3.37e

1. De beoordeling of een derde land een veilig derde land is, als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, onder c, van de Wet, dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.

2. De Minister onderzoekt de situatie in derde landen die zijn aangemerkt als veilige derde landen regelmatig opnieuw.

3. Bij de beoordeling of de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Wet, niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder c, van de Wet, worden betrokken de verklaringen van de vreemdeling inhoudende dat:

a. hij in het derde land zal worden blootgesteld aan vervolging of ernstige schade;

b. de band tussen hem en het derde land niet zodanig is dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

4. Eerder verblijf, als bedoeld in artikel 3.106a, derde lid, van het Besluit wordt in ieder geval aangenomen indien uit objectieve feiten of omstandigheden blijkt dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te reizen.

5. Bij de uitvoering van een uitsluitend op artikel 30a, eerste lid, onder c, van de Wet gebaseerde beslissing, wordt aan de vreemdeling een document verschaft waarin de autoriteiten van het derde land in de taal van dat land ervan in kennis gesteld worden dat de asielaanvraag niet inhoudelijk is onderzocht.

Vc 2000

Paragraaf C2/6.3 Veilig derde land

In deze paragraaf zijn beleidsregels opgenomen die een uitwerking zijn van de volgende artikelen:

– artikel 30a, eerste lid, onder c, Vw 2000;

– artikel 3.106a, Vb 2000;

– artikel 3.37e, VV 2000.

Bij de vraag of een veilig derde land voor de individuele vreemdeling als veilig moet worden beschouwd, vormt het relaas van de vreemdeling het uitgangspunt. De IND weegt mee of het betreffende land in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft. De IND kan de presumptie van veilig derde land niet handhaven wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat het betreffende derde land in zijn specifieke geval niet als veilig land kan worden beschouwd. In dat geval beoordeelt de IND op de gebruikelijke wijze of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.

De IND en de vreemdeling hebben een gedeelde bewijslast op de vraag of een derde land als veilig kan worden aangemerkt, namelijk:

• de vreemdeling moet onderbouwen dat het derde land waarmee de vreemdeling een band heeft voor hem niet als veilig kan worden aangemerkt; en

• de IND onderzoekt of het derde land waarmee de vreemdeling een band heeft voor hem niet als veilig kan worden aangemerkt.

De IND onderzoekt of de vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land dat het van de vreemdeling redelijkerwijs verwacht mag worden dat hij naar dat land gaat.

De IND neemt in de volgende gevallen in ieder geval aan dat de vreemdeling een band heeft met een derde land:

• de echtgenoot of partner van de vreemdeling heeft de nationaliteit van dat land;

• in dat land is eerstelijns of directe familie woonachtig van de vreemdeling, waarmee nog contact is; of

• de vreemdeling heeft eerder in dat land verbleven.

De IND neemt in ieder geval aan dat een derde land niet als veilig kan worden aangemerkt wanneer voor dat land een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43 van de Vw 2000 van toepassing is.

De IND verklaart een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alleen niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 indien er redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het veilige derde land.