Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8482

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
NL17.2972 en NL17.2973
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het gehoor aan eiser een aantal tegenstrijdigheden in zijn verklaringen heeft voorgehouden, en ook een aantal tegenstrijdigheden voor het eerst in het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag heeft tegengeworpen. Het uitgangspunt van de samenwerkingsverplichting, zoals die volgt uit de Procedurerichtlijn, is dat de vreemdeling in beginsel in het asielgehoor moet worden geconfronteerd met de tegenstrijdigheden en inconsistenties die verweerder constateert in de verklaringen van eiser, omdat dat de fase is waarin verweerder de feiten vaststelt in samenwerking met de vreemdeling en de vreemdeling de gelegenheid heeft om een nadere uitleg te geven. Voor zover verweerder in dit geval een deel van de door hem geconstateerde tegenstrijdigheden en inconsistenties niet aan eiser heeft voorgehouden in het gehoor, is de rechtbank van oordeel dat eiser daardoor niet is benadeeld. Verweerder heeft eiser in het voornemen alsnog met alle door hem geconstateerde tegenstrijdigheden geconfronteerd, waarna eiser de gelegenheid heeft gehad om in de zienswijze daarop te reageren, van welke gelegenheid eiser ook gebruik heeft gemaakt. Verweerder heeft vervolgens die reactie van eiser in zijn beoordeling in het bestreden besluit betrokken. Eiser heeft niet gemotiveerd toegelicht dat het geven van een zienswijze in dit geval niet volstond en dat hij bij aanvullend gehoor in de gelegenheid had moeten worden gesteld uitleg te geven over de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden en inconsistenties in zijn verklaringen. Integendeel, eiser heeft ter zitting desgevraagd gesteld dat hij in een gehoor in reactie op de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden hetzelfde naar voren zou hebben gebracht als hij thans in de zienswijze reeds heeft gedaan.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL 17.2972 (beroep)

NL 17.2973 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 7 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Nigeriaanse nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen: eiser,

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg, advocaat te Nieuw-Vennep),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond. Voorts heeft verweerder bij het bestreden besluit tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaren.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft eerder, op 15 oktober 2016, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 24 februari 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 6 april 2017 door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem ongegrond verklaard (NL17.986 en NL17.987). Het daartegen ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van 17 mei 2017 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn huidige aanvraag aangevoerd dat hij homoseksueel is en dat hij als gevolg daarvan problemen heeft ondervonden in Nigeria.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, Vw.

Verweerder heeft de gestelde homoseksuele gerichtheid en de problemen die eiser als gevolg daarvan heeft ondervonden als relevant element aangemerkt. Verweerder acht dit element ongeloofwaardig. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw.

4. Eiser voert aan dat het standpunt van verweerder dat in het asielrelaas sprake is van tegenstrijdigheden, vaagheden of onvolledigheid en dat het relaas daarom ongeloofwaardig is, geen stand kan houden. Daartoe verwijst hij naar het artikel “Just Tell Us What Happened To You: Autobiographical Memory And Seeking Asylum” van J. Herlihy (en anderen) uit 2012, waarin wordt geconcludeerd dat tegenstrijdigheden in een asielrelaas niet automatisch tot de conclusie leiden dat het relaas ongeloofwaardig is. Deze conclusie is op grond van diverse wetenschappelijke onderzoeken bereikt. Het aangehaalde artikel is van toepassing op alle asielzoekers, ongeacht de vraag of sprake is van medische problemen of niet.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser de Werkinstructie (hierna: WI) 2015/9 over horen en beslissen in zaken waarin LHBT-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd, in acht heeft genomen. Het is aan de vreemdeling om zijn gestelde seksuele gerichtheid te onderbouwen, waarbij verweerder hem uitgebreid de gelegenheid geeft om te verklaren over zijn seksuele gerichtheid. Eiser is ook uitgebreid in de gelegenheid gesteld om te verklaren, aangezien het rapport van het gehoor 27 pagina’s beslaat. Er is daarbij ook rekening gehouden met het referentiekader van eiser, nu hij op verschillende manieren bevraagd is over de verschillende thema’s die aan bod komen in de WI 2015/9. Voorts is het medisch advies van de Forensisch Medische Maatschappij (FMMU) van 11 november 2016 in acht genomen, waaruit niet gebleken is van beperkingen voor het horen en beslissen. Wel is geadviseerd om rekening te houden met hevige emotionele reacties, waarmee blijkens het rapport van gehoor ook rekening is gehouden. Voorts is eiser in de gelegenheid gesteld zijn verklaringen middels de correcties en aanvullingen aan te vullen of te corrigeren en heeft eiser de mogelijkheid middels de zienswijze te reageren op het voornemen. Ten slotte stelt verweerder dat eiser niet heeft onderbouwd in welke zin het artikel, dat algemeen van aard is, op hem van toepassing is. Het asielrelaas van eiser is niet zonder meer ongeloofwaardig geacht. Er is rekening gehouden met het referentiekader, de medische omstandigheden en het asielmotief van eiser.

4.2

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het door eiser overgelegde artikel algemeen van aard is. Uit het artikel blijkt niet in welke specifieke situaties tegenstrijdige verklaringen niet kunnen worden tegengeworpen. Het artikel biedt geen grond voor de conclusie dat bij beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas nooit tegenstrijdigheden in de verklaringen kunnen worden betrokken. Ook heeft eiser niet gemotiveerd toegelicht hoe hetgeen in het artikel staat beschreven van toepassing is op zijn asielrelaas en de wijze waarop verweerder de geloofwaardigheid daarvan heeft beoordeeld. Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld om in het gehoor dan wel de zienswijze opheldering te geven over de geconstateerde tegenstrijdigheden in zijn verklaringen, van welke mogelijkheid eiser ook gebruik heeft gemaakt. Eiser heeft zich daarbij niet op het standpunt gesteld dat die tegenstrijdigheden in zijn verklaringen zijn te wijten aan medische of psychische omstandigheden of anderszins aan beperkingen van het geheugen. Ook blijkt niet uit het rapport van de FMMU dat eiser wegens medische of psychische omstandigheden niet in staat kon worden geacht consistent te verklaren.


Voorts heeft verweerder, anders dan eiser heeft gesteld, het asielrelaas van eiser niet uitsluitend ongeloofwaardig bevonden omdat eiser een of meer tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, maar heeft verweerder de geloofwaardigheid van het relaas integraal beoordeeld aan de hand van WI 2014/10, waarbij verweerder met name ook betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat eiser niet overtuigend heeft verklaard over de bewustwording van zijn homoseksualiteit, wat dit voor hem heeft betekend en welke invloed dit heeft gehad op de manier waarop hij uiting heeft gegeven aan zijn homoseksualiteit. Verweerder heeft aldus een beoordeling gegeven van de overtuigingskracht van de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid aan de hand van WI 2015/9, waarbij verweerder alle relevante aspecten van die werkinstructie in zijn beoordeling heeft betrokken.
De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert voorts aan dat verweerder hem niet pas in het voornemen met de gestelde tegenstrijdigheden diende te confronteren, maar dat verweerder deze tegenstrijdigheden in een afzonderlijk gehoor aan hem had moeten voorleggen. Uit het ‘UNHCR Handbook and guidelines on procedures and criteria for determining refugee status’ (hierna: het Handboek van de UNHCR) volgt dat een asielzoeker door eerdere ervaringen in eigen land mogelijk terughoudend kan zijn met het verstrekken van informatie en dat het daarom soms nodig is om in een volgend interview inconsistenties en tegenstrijdheden op te helderen. Pas na de verklaring van de vreemdeling, die bij de besluitvorming kan worden betrokken, kan er een deugdelijk gemotiveerd voornemen worden uitgebracht. Deze gang van zaken doet ook recht aan de samenwerkingsverplichting die voortvloeit uit de Richtlijn 2013/32/EU (PB 2013, L 180; hierna: de Procedurerichtlijn).

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het beleid en de werkinstructies van verweerder niet volgt dat verweerder verplicht is om de vreemdeling tijdens het gehoor al met alle tegenstrijdigheden te confronteren. De vreemdeling kan in de correcties en aanvulling op het verslag van het gehoor en in de zienswijze nader uitleg geven over de geconstateerde tegenstrijdigheden. Nu eiser is gehoord overeenkomstig het beleid en de werkinstructies, ziet verweerder geen reden om eiser aanvullend te horen.

5.2

Ingevolge artikel 3.113, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), dat de implementatie is van artikel 16 van de Procedurerichtlijn, wordt bij het afnemen van het nader gehoor de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van zijn aanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen.

5.3

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het gehoor aan eiser een aantal tegenstrijdigheden in zijn verklaringen heeft voorgehouden, en ook een aantal tegenstrijdigheden voor het eerst in het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag heeft tegengeworpen. Het uitgangspunt van de samenwerkingsverplichting, zoals die volgt uit de Procedurerichtlijn, is dat de vreemdeling in beginsel in het asielgehoor moet worden geconfronteerd met de tegenstrijdigheden en inconsistenties die verweerder constateert in de verklaringen van eiser, omdat dat de fase is waarin verweerder de feiten vaststelt in samenwerking met de vreemdeling en de vreemdeling de gelegenheid heeft om een nadere uitleg te geven. Voor zover verweerder in dit geval een deel van de door hem geconstateerde tegenstrijdigheden en inconsistenties niet aan eiser heeft voorgehouden in het gehoor, is de rechtbank van oordeel dat eiser daardoor niet is benadeeld. Verweerder heeft eiser in het voornemen alsnog met alle door hem geconstateerde tegenstrijdigheden geconfronteerd, waarna eiser de gelegenheid heeft gehad om in de zienswijze daarop te reageren, van welke gelegenheid eiser ook gebruik heeft gemaakt. Verweerder heeft vervolgens die reactie van eiser in zijn beoordeling in het bestreden besluit betrokken. Eiser heeft niet gemotiveerd toegelicht dat het geven van een zienswijze in dit geval niet volstond en dat hij bij aanvullend gehoor in de gelegenheid had moeten worden gesteld uitleg te geven over de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden en inconsistenties in zijn verklaringen. Integendeel, eiser heeft ter zitting desgevraagd gesteld dat hij in een gehoor in reactie op de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden hetzelfde naar voren zou hebben gebracht als hij thans in de zienswijze reeds heeft gedaan.
De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de leeftijd waarop hij zich realiseerde dat hij op jongens viel. Hij heeft uitgelegd hoe het komt dat hij twee verschillende antwoorden heeft gegeven. Hij heeft niet direct het door verweerder bedoelde onderscheid gemaakt tussen het hebben van gevoelens voor jongens en het hebben van een seksuele relatie met mannen. Dit kan hem in alle redelijkheid niet worden tegengeworpen.

6.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop hij zich voor de eerste maal realiseerde dat hij op jongens viel. Hij heeft hieromtrent meermalen verklaard dat hij zich vanaf zijn 17de levensjaar realiseerde dat hij op jongens viel, namelijk op het moment dat hij een relatie kreeg met zijn halfbroer (pagina 7 van het verslag van het gehoor). Later in het gehoor heeft eiser verklaard dat hij vanaf zijn 14de levensjaar al merkte dat hij op jongens viel en dat er op school over hem geroddeld werd (pagina 10 en 11 van het verslag van het gehoor). Toen eiser tijdens het gehoor werd geconfronteerd met voornoemde tegenstrijdige verklaringen, heeft hij als verklaring gegeven dat hij rond zijn 14de levensjaar al wel wist dat hij op jongens viel, maar dat hij nog niets concreets had gedaan (pagina 11 van het verslag van het gehoor). Verweerder volgt eiser niet in zijn verklaringen over waarom hij tegenstrijdig heeft verklaard, nu de strekking van de vragen steeds uitdrukkelijk gericht is geweest op zijn gevoelens, en niet op seksuele activiteiten (pagina 8 tot en met pagina 10 van het verslag van het gehoor).

6.2

Verweerder heeft terecht gesteld dat de vragen die hij aan eiser heeft gesteld over de bewustwording van zijn homoseksuele geaardheid, niet waren gericht op zijn eerste seksuele activiteiten, maar op de bewustwording van zijn homoseksuele gevoelens. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte van eiser verwacht dat hij in antwoord op die vragen, naast zijn verklaring dat hij op zijn zeventiende intiem was met zijn broer, ook zou hebben verklaard dat hij op zijn veertiende al op jongens viel, zoals hij later desgevraagd heeft verklaard, nadat hij had verklaard dat in die periode over hem werd geroddeld op school. Gelet daarop heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop hij zich voor de eerste maal realiseerde dat hij op jongens viel.
De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gevolgd in zijn uitleg over het verschil in intensiteit van zijn gevoel voor jongens tussen zijn 14de en zijn 17de jaar, om de enkele reden dat eiser deze uitleg pas in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht. Juist de zienswijze is het aangewezen moment om, na kennisname van het standpunt van verweerder in het voornemen, de eigen standpunten nogmaals toe te lichten.

7.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het rapport van het gehoor duidelijk blijkt dat eiser op veel verschillende manieren is bevraagd over zijn gevoel voor jongens, zowel over de periode vanaf zijn 14e jaar (pagina 11 en verder), als over de periode dat hij een relatie kreeg met zijn halfbroer toen hij 17 jaar oud was (pagina’s 7 tot en met 10). Eiser heeft aldus alle gelegenheid gehad om over het verschil in intensiteit van zijn gevoel voor jongens tussen zijn 14de en zijn 17de levensjaar te verklaren, hetgeen hij niet heeft gedaan. Eiser heeft zijn verklaringen daaromtrent ook niet nader geconcretiseerd in de correcties en aanvullingen, hetgeen hij wel had kunnen doen. Eiser heeft in de zienswijze niet nader gemotiveerd waarom hij aldaar pas zijn verklaringen heeft geconcretiseerd.

7.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij eiser bij gelegenheid van het gehoor voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te verklaren over een verschil van intensiteit van zijn gevoel voor jongens tussen zijn 14de en 17de jaar. Verweerder heeft eiser immers bij gelegenheid van het gehoor geconfronteerd met zijn wisselende verklaringen over het moment van bewustwording van zijn seksuele gerichtheid, waarbij eiser in de gelegenheid is gesteld daarover uitleg te geven. Eiser heeft daarbij slechts verklaard dat hij op zijn 14e voor het eerst ‘concreet iets had gedaan’ met zijn geaardheid, maar daarbij geen inzicht gegeven in een ontwikkeling van zijn gevoel vanaf zijn 14e. Nu eiser in zijn zienswijze noch in beroep heeft toegelicht waarom hij die uitleg in het gehoor niet heeft gegeven, is er geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan hetgeen eiser hierover in de zienswijze alsnog naar voren heeft gebracht.
De beroepsgrond slaagt niet.

8. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet eenduidig over het proces van acceptatie van zijn seksuele gerichtheid heeft verklaard. Eiser merkt op dat een proces van acceptatie geen stijgende lijn is. Het is een proces van pieken en dalen. Dat eiser het moeilijk had met de uitspraken van zijn vader over homoseksualiteit, is één onderdeel van het proces van acceptatie. Het is eiser niet duidelijk waarom een moment van twijfel of verdriet maakt dat geen sprake meer is van eenduidige verklaringen.

8.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet eenduidig heeft verklaard over zijn proces van acceptatie van zijn seksuele gerichtheid, omdat hij op de vraag hoe het was om vanaf zijn 14e te merken dat hij homoseksueel was, heeft geantwoord dat hij niet blij was (pagina 11 van het verslag van het gehoor), terwijl hij ook heeft verklaard dat hij, toen hij merkte dat hij op jongens viel, dat gelijk accepteerde en dat het homo zijn nooit een probleem voor hem is geweest (pagina 12 van het verslag van het gehoor). Daarbij heeft eiser ook verklaard dat hij zichzelf haatte toen zijn vader zei dat hij homoseksualiteit slecht vond (pagina 10 van het verslag van het nader gehoor). Voorts heeft eiser verklaard zijn homoseksualiteit te hebben geaccepteerd op het moment dat hij een relatie had met zijn halfbroer. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij erover gedacht heeft te willen ‘stoppen’ met homoseksualiteit vanwege de druk die zijn omgeving op hem uitoefende teneinde te trouwen met een vrouw, terwijl hij juist niet wilde trouwen met een vrouw. Het was aldus voornoemde druk die eiser verwarde, aangezien hij niet wilde trouwen met een vrouw, niet de twijfel die hij had ten aanzien van zijn eigen geaardheid.

8.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met voormeld standpunt voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet eenduidig heeft verklaard over zijn proces van acceptatie van zijn seksuele gerichtheid. Uit de verklaringen van eiser tijdens het gehoor blijkt niet dat hij heeft verklaard dat sprake is geweest van een proces van ‘pieken en dalen’, zoals hij thans betoogd. Verweerder heeft terecht gewezen op de verklaringen van eiser dat homoseksualiteit voor hem nooit een probleem was en dat hij het gelijk goed vond toen hij merkte dat hij op jongens viel. Eiser heeft daarbij niet verklaard dat hij wisselde van stemmingen. Verweerder heeft zich vervolgens terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen eenduidige verklaringen heeft afgelegd, nu hij enerzijds heeft verklaard dat homoseksualiteit voor hem nooit een probleem was en het gelijk goed vond toen hij merkte dat hij op jongens viel, terwijl hij ook heeft verklaard dat hij zichzelf haatte toen zijn vader aangaf homoseksualiteit af te keuren en hij heeft verklaard dat hij niet blij was toen hij op zijn 14de merkte dat hij homoseksueel was. Verweerder heeft zich daarbij niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser laatstgenoemde verklaring niet nader heeft geconcretiseerd. Zo heeft eiser niet nader geconcretiseerd waarom hij niet blij was, wat zijn gedachten waren ten aanzien van de ontdekking van de homoseksualiteit en op welke manier hij daarmee is omgegaan in een maatschappij en in een familie waarin homoseksualiteit niet wordt geaccepteerd.
De beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij zijn gevoelens voor mannen niet heeft geconcretiseerd. Het is eiser niet duidelijk wat verweerder wil dat eiser verklaart. Eiser heeft duidelijk verklaard enkel op mannen te vallen en niet op vrouwen. Verweerder heeft ook niet doorgevraagd naar aanleiding van de door eiser gegeven antwoorden. Eiser stelt dan ook dat hij voldoende concreet over zijn gevoelens voor mannen heeft verklaard.

9.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn gevoel richting mannen niet heeft geconcretiseerd. De verklaringen van eiser over wat hem aantrekt in mannen betreffen louter een aantal uiterlijke voorkeuren van eiser. Hij heeft daarover immers slechts verklaard dat hij mannen aantrekkelijk vindt, dat hij een man er leuker uit vindt zien en dat hij hen mooi vindt omdat zij behaard zijn (pagina 7 van het verslag van het gehoor). Onduidelijk blijft in welke zin hij zich gevoelsmatig aangetrokken voelt tot mannen of hoe hij dat gevoel gevoelsmatig ervaren of beleefd heeft. Ten aanzien van zijn gevoel voor vrouwen heeft eiser niets anders verklaard dan dat hij vrouwen niet leuk vindt, er niets mee van doen heeft en hij niet van gebruikt maandverband houdt (pagina 8 van het verslag van het gehoor). Op geen enkele wijze wordt duidelijk waarom hij dat zo ervaart of hoe hij zijn gevoel of beleving daaromtrent omschrijft.

9.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser algemeen is gebleven in zijn verklaringen over wat hem aantrekt in mannen. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij op mannen valt vanwege hun uiterlijk en vrouwen niet leuk en aantrekkelijk vindt. Eiser is in het gehoor voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn gevoelens voor mannen nader te omschrijven of toe te lichten, maar is algemeen gebleven in zijn verklaringen. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt wat hij dacht en voelde toen hij merkte dat hij zich aangetrokken voelde tot mannen, en hoe hij hiermee vervolgens, in het licht van de opvattingen van de maatschappij en zijn familie, is omgegaan.
De beroepsgrond slaagt niet.

10. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over hoe lang de relatie tussen hem en zijn halfbroer heeft geduurd. In de correcties en aanvullingen op het verslag van het nader gehoor heeft eiser immers aangegeven dat hij ongeveer twee jaar een relatie met zijn broer heeft gehad. Eiser heeft hierover dan ook duidelijk verklaard.

10.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over de duur van zijn relatie met zijn halfbroer. Zo heeft eiser verklaard dat die relatie duurde van zijn 17de tot zijn 18de (pagina 4 van het verslag van het nader gehoor), vervolgens tot zijn 19de (pagina 13 van het verslag van het gehoor) en tot zijn 20e (pagina 13 van het verslag van het nader gehoor). In de correcties en aanvullingen heeft eiser gesteld dat hij intiem was met zijn halfbroer van zijn 17de tot zijn 19de.

10.2

Gelet op voormelde verklaringen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over de periode dat hij een relatie met zijn halfbroer heeft gehad. De stelling van eiser in de correcties en aanvullingen dat hij van zijn 17de tot zijn 19de jaar een relatie had met zijn halfbroer, maakt de wisselende verklaringen niet ongedaan. Eiser heeft niet toegelicht waarom hij wisselend heeft verklaard op dit punt en waarom van zijn uiteindelijke stelling in de correcties en aanvullingen kan worden uitgegaan. Verweerder heeft daarom niet zonder meer van de verklaring van eiser in de correcties en aanvullingen hoeven uitgaan.
De beroepsgrond slaagt niet.

11. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet voldoende heeft geconcretiseerd wat de relatie met zijn halfbroer voor hem persoonlijk heeft betekend. Eiser verwijst naar pagina 8, alinea 7 van het rapport van het nader gehoor. Eiser heeft aldaar uitgebreid verklaard over zijn gevoelens voor zijn halfbroer en hoe hij zich hierbij voelde (blij). Verweerder heeft daarover geen nadere vragen gesteld. Het is eiser niet duidelijk welke nadere concretisering nodig zou zijn of waarom het gegeven antwoord onvoldoende zou zijn.
Eiser voert voorts aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet afdoende heeft verklaard waarom hij [naam] leuk vond. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom hetgeen eiser in zijn gehoor en zienswijze naar voren heeft gebracht onvoldoende is.

11.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn gevoel voor zijn halfbroer niet heeft weten te concretiseren. Op de vraag of hij hetzelfde voelde voor zijn andere broertjes als voor zijn halfbroer, heeft eiser verklaard dat het “meer” was, omdat zij samen sliepen en hij nooit kwaad werd op hem. Ook was eiser blij als hij hem zag (pagina 8 van het verslag van het gehoor) en vergeleek hij de relatie met fruit waarvan hij meer wilde eten (pagina 14 van het verslag van het gehoor). Eiser heeft onvoldoende geconcretiseerd wat de relatie voor hem persoonlijk betekend heeft, temeer nu dit zijn eerste relatie was en het een homoseksuele relatie betrof wat niet is toegestaan in Nigeria.

Over de relatie met [naam] heeft eiser louter verklaard dat hij hem leuk vond en een mooiboy omdat hij energy drank voor hem meenam, hij graag vlees at, hij geen alcohol dronk en geen tabak rookte (pagina 17 van het verslag van het gehoor). Die verklaringen heeft verweerder onvoldoende concreet geacht omdat hij niet uitgelegd heeft waarom hij die omstandigheden persoonlijk leuk vond aan [naam] .

11.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser in algemene termen heeft verklaard over zijn gevoel voor zijn halfbroer en zijn gevoel voor [naam] . Verweerder heeft van eiser mogen verlangen dat hij meer zou kunnen verklaren over zijn gevoelens en zijn gedachtes over zijn relaties, mede in aanmerking genomen dat homoseksuele relaties in Nigeria maatschappelijk niet worden geaccepteerd. Uit het verslag van gehoor blijkt dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld daarover te verklaren.
De beroepsgrond slaagt niet.

12. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij onvoldoende kennis heeft van de positie van homoseksuelen in Nederland en in het land van herkomst.

12.1

De stelling van eiser dat hij in Nederland betrokken is bij het COC en naar homofeesten gaat, gaat voorbij aan het standpunt van verweerder dat eiser weinig kennis heeft van de positie van homoseksuelen in Nederland. Juist nu eiser stelt betrokken te zijn bij het COC en naar homofeesten te gaan, heeft verweerder niet ten onrechte van eiser verwacht dat hij meer zou kunnen verklaren over de positie van homoseksuelen in Nederland.
De rechtbank is van oordeel dat eiser in beroep weliswaar redenen heeft aangegeven waarom hij weinig kan verklaren over de positie van homoseksuelen in zijn land van herkomst, maar eiser heeft niet bestreden dát hij weinig kan verklaren over de positie van homoseksuelen in Nederland. Aangezien dergelijke summiere verklaringen hoe dan ook niet kunnen bijdragen aan het alsnog aannemelijk maken van de gestelde seksuele gerichtheid, hoeft de vraag of die tegenwerping van verweerder terecht is, geen bespreking (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1256).

13. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat verweerder in zijn beoordeling ten onrechte niet heeft betrokken dat hij heeft verklaard dat hij een relatie heeft in Nederland met een vreemdeling die ook een asielprocedure doorloopt. Verweerder had de gegevens van die vreemdeling kunnen raadplegen.

13.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn gestelde relatie in Nederland niet nader heeft geconcretiseerd of onderbouwd. Nu verweerder, gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen, de eigen verklaringen van eiser over zijn homoseksuele gerichtheid niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, heeft verweerder voorts niet ten onrechte de gestelde relatie van eiser in Nederland ongeloofwaardig geacht.

14. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de homoseksuele gerichtheid van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Gelet daarop behoeven de overige gronden die daarop betrekking hebben, geen bespreking meer.

15. Eiser voert aan dat verweerder bij zijn besluit tot het uitvaardigen van het inreisverbod ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de door eiser gestelde relatie die hij in Nederland heeft.

15.1

Zoals de rechtbank heeft overwogen onder 13.1, heeft verweerder niet ten onrechte de gestelde relatie van eiser in Nederland ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het uitgevaardigde inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 EVRM.
De beroepsgrond slaagt niet.

16. Het beroep is ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om een voorlopige voorziening

18. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

19. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2017.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.