Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8478

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
NL17.4377 en NL17.4378
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

gronden buiten termijn geüpload; verstoring systeem; verschoonbaarheid

Wetsverwijzingen
Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.4377 (beroep) en NL17.4378 (voorlopige voorziening)


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 26 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

eiser

(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder

(gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. verzoekt verweerder te verbieden over te dragen totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen dhr. O. Jobé. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift van 4 juli 2017 niet de gronden van het beroep bevat. Bij bericht van 4 juli 2017 heeft de rechtbank eisers gemachtigde op dit verzuim gewezen en hem verzocht de gronden van het beroep uiterlijk op 11 juli 2017 in te dienen. In de brief staat vermeld dat de rechter het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als het verzuim niet of niet tijdig wordt hersteld. De gegeven termijn is verstreken zonder dat aan het verzoek gevolg is gegeven. Eerst op 24 juli 2017 heeft de gemachtigde van eiser de gronden van het beroep toegevoegd aan het dossier.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van verschoonbare redenen voor het verzuim. De rechtbank stelt vast dat op 6 juli 2017 inderdaad sprake is geweest van een verstoring van het digitale systeem van de rechtspraak, zoals de gemachtigde van eiser heeft aangevoerd, en dat deze verstoring heeft plaatsgevonden tussen 9.15 en 9.35 uur, maar die omstandigheid maakt niet dat de overschrijding van de termijn voor het indienen van de gronden verschoonbaar is.

In artikel 8 van het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht (hierna: het Besluit) is bepaald dat, indien op de laatste dag van een voor de indiener geldende termijn voor indiening van een bericht een niet aan hem toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot een digitaal systeem voor gegevensverwerking van de rechterlijke instanties, een daardoor veroorzaakte overschrijding van die termijn verschoonbaar is indien het bericht uiterlijk wordt ingediend op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring is verholpen.

Nu de verstoring van het systeem niet heeft plaatsgevonden op de laatste dag van de voor eiser geldende termijn, nu die termijn eindigde op 11 juli 2017, had de gemachtigde van eiser na de verstoring nog enige dagen de gelegenheid de gronden aan het dossier toe te voegen. Gelet daarop is geen sprake van een verschoonbare overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 8 van het Besluit.

Voorts is de rechtbank niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 19 februari 1998 (ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494).

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om voorlopige voorziening

Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.