Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8470

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
C/09/534303 / FA RK 17-4555
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2017:2598, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 17-4555

Zaaknummer: C/09/534303

Datum beschikking: 26 juli 2017

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 15 juni 2017 ingekomen verzoek van:

[verzoekster]

de moeder,

wonende te [woonplaats] , Colombia,

advocaat: mr. drs. A.G. Hendriks te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het faxbericht van 22 juni 2017 van de zijde van de vader;

  • -

    het faxbericht ontvangen op 22 juni 2017 van de zijde van de moeder;

  • -

    het F9-formulier van 26 juni 2017 van de zijde van de vader;

  • -

    het F9-formulier van 29 juni 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

  • -

    het verslag van 9 juli 2017 van de bijzondere curator;

  • -

    de brief van 7 juli 2017, met bijlagen, van de zijde van de vader;

  • -

    het faxbericht van 10 juli 2017 inhoudende de pleitnota met het verweer, met bijlage, van de zijde van de vader;

  • -

    de brief van 11 juli 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

  • -

    het faxbericht van 11 juli 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

  • -

    het faxbericht van 12 juli 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

  • -

    het faxbericht van 12 juli 2017, met bijlagen, van de zijde van de vader.

Op 29 juni 2017 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, de heer V. Duivenstijn. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. H.M. Boone. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 4 juli 2017 heeft het Mediation Bureau de rechtbank (telefonisch) bericht dat de mediation tussen de ouders niet is geslaagd.

Bij beschikking van deze rechtbank van 4 juli 2017 is drs. J.L. (Lillian) van Wesemael-Smit benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige] . De bijzondere curator is verzocht de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Wat geeft de minderjarige zelf aan over een eventueel verblijf in Colombia en een eventueel verblijf in Nederland?

  2. In hoeverre lijkt de minderjarige zich vrij te kunnen uiten?

  3. In hoeverre lijkt de minderjarige de gevolgen van het verblijf in Colombia of het verblijf in Nederland te overzien?

  4. Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen?


Op 12 juli 2017 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen:

  • -

    de vader bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder bijgestaan door haar advocaat en een tolk, de heer [naam]

  • -

    de bijzondere curator.

Van de zijde van de vader zijn pleitnotities (pleitnotities deel twee) overgelegd. Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities alsmede een Nederlandse vertaling van de eerder ingediende bijlage zeventien overgelegd.

Feiten

- De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige] de [achternaam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Colombia.

- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.

- [minderjarige] verblijft sinds op of omstreeks 8 januari 2017 bij zijn vader in Nederland.

- Blijkens de uittreksels uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen hebben de vader en [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit. [minderjarige] heeft ook de Colombiaanse nationaliteit. De moeder heeft de Colombiaanse nationaliteit.

- De moeder heeft contact gehad met de (Nederlandse) Centrale Autoriteit.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –:

  1. te bevelen dat [minderjarige] onmiddellijk zal dienen terug te keren naar zijn gewone verblijfplaats in [woonplaats] , Colombia, althans op een datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen, waarbij de vader [minderjarige] dient terug te brengen naar Colombia, dan wel [minderjarige] op eerste verzoek dient af te geven aan de moeder, onder overhandiging aan de moeder van [minderjarige] reisdocument, zodat de moeder [minderjarige] kan teruggeleiden naar Colombia, dan wel de teruggeleiding van [minderjarige] te gelasten op een wijze door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

  2. de vader te veroordelen om aan de moeder te betalen de door haar in verband met de achterhouding en de teruggeleiding van [minderjarige] gemaakte kosten, zoals gespecificeerd in paragraaf 5 van het verzoekschrift.

De vader voert verweer tegen het verzoek van de moeder. De vader verzoek de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure.

Beoordeling

Het verzoek van de moeder is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Colombia zijn partij bij het Verdrag.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofd niet doen terugkeren in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht dat is toegekend aan een persoon, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Voor beantwoording van de vraag of de vader [minderjarige] sinds 18 april 2017 al dan niet ongeoorloofd vasthoudt in Nederland is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang waar [minderjarige] voor overbrenging zijn gewone verblijfplaats had: [verblijfplaats moe in VS] , Verenigde Staten, of [woonplaats] , Colombia. Immers, zowel naar Colombiaans recht als naar Amerikaans recht hebben de ouders gezamenlijk gezag en dienen beide ouders in te stemmen met een wijziging van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] naar Nederland.

Toestemming en instemming

De vader stelt dat hij met toestemming en instemming van de moeder met [minderjarige] naar Nederland is vertrokken voor een definitief verblijf in Nederland. Volgens de vader blijkt dit onder meer uit de volgende feiten en omstandigheden. De vader heeft voor [minderjarige] een enkele reis geboekt vanuit de Verenigde Staten naar Nederland en de moeder heeft het vaccinatieboekje van [minderjarige] aan de vader meegegeven en niet retour gevraagd. [minderjarige] woont sindsdien bij zijn vader, hij is in Nederland verzekerd tegen ziektekosten en hij bezoekt al geruime tijd een basisschool in [woonplaats vader] . De vader heeft de moeder van dit alles vanaf de aanvang op de hoogte gehouden, onder meer door het sturen van foto’s van de nieuwe slaapkamer van [minderjarige] in [woonplaats vader] en foto’s van zijn eerste schooldag. De moeder heeft nimmer bezwaar gemaakt tegen het verblijf van [minderjarige] in Nederland en zij heeft tot medio juni op geen enkele wijze laten blijken dat zij met [minderjarige] naar Colombia zou willen terugkeren. Zo heeft de moeder geen tickets geboekt voor [minderjarige] op of omstreeks 17 april 2017. Hiernaast heeft zij nimmer verzocht om [minderjarige] aan haar af te geven of naar een ander land te laten afreizen en heeft zij niet gevraagd om afgifte van het paspoort van [minderjarige] . Volgens de vader heeft de moeder op geen enkele wijze ondubbelzinnig laten blijken dat zij het niet eens was of zou zijn met het definitieve vertrek en verblijf in Nederland. Het verzoek om teruggeleiding, dat nimmer is aangekondigd, kwam voor de vader dan ook uit de lucht vallen.

De moeder betwist hetgeen de vader stelt. De moeder stelt dat zij nooit toestemming heeft gegeven voor een permanent verblijf van [minderjarige] in Nederland. De moeder heeft toestemming gegeven voor een verblijf van 7 januari 2017 tot 17 april 2017. Het verblijf van [minderjarige] in Nederland had nadrukkelijk een tijdelijk karakter, zoals volgens de moeder ook onomstotelijk uit de door de moeder ondertekende ‘Consent letter for minors travelling abroad’ blijkt. De moeder is in lijn met die verklaring dan ook in april 2017 naar Nederland gekomen om [minderjarige] op te halen en mee terug te nemen naar Colombia alsmede om met de vader afspraken te maken over contact.

De rechtbank overweegt dat – indien het geven van toestemming en instemming door de achterblijvende ouder in geschil is – de ouder die zich hierop beroept, in dit geval de vader, zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat de moeder ermee heeft ingestemd dat hij zich met [minderjarige] permanent zou vestigen in Nederland. De moeder heeft erkend dat [minderjarige] op of omstreeks 8 januari 2017 met haar toestemming met zijn vader naar Nederland is gegaan. Zij heeft echter uitdrukkelijk betwist dat zij heeft ingestemd met de vasthouding van [minderjarige] in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat uit de overgelegde stukken – waaronder de WhatsApp gesprekken tussen de ouders – niet is gebleken dat de moeder haar toestemming heeft verleend en/of dat de ouders (concrete) afspraken hebben gemaakt over de verhuizing van [minderjarige] naar Nederland. Het tegendeel lijkt te volgen uit de door de moeder ondertekende ‘Consent letter for minors travelling abroad’. Daarin staat immers als ‘date of return’ genoemd 17 april 2017. Dat de moeder het vaccinatieboekje en paspoort aan de vader heeft afgegeven en (nog) niet retour heeft gevraagd, dat de vader heeft geregeld dat [minderjarige] in Nederland naar de basisschool gaat alsmede verzekerd is en dat de vader [minderjarige] op zijn adres in Nederland heeft ingeschreven, zijn geen handelingen waaruit de instemming van de moeder kan worden afgeleid. Bovendien heeft de moeder zich tot de – in ieder geval Nederlandse – Centrale Autoriteit gewend teneinde de terugkeer van [minderjarige] naar Colombia te bewerkstelligen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vader niet althans onvoldoende heeft aangetoond dat hij op het moment dat hij met [minderjarige] naar Nederland vertrok, of op enig later moment, toestemming van de moeder had voor een permanent verblijf van [minderjarige] in Nederland.

De rechtbank komt gelet op al het voorgaande tot het oordeel dat de vasthouding van [minderjarige] in Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Nu er minder dan een jaar is verstreken tussen de overbrenging – op of omstreeks 8 januari 2017 – dan wel achterhouding – vanaf 18 april 2017 – in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek op 15 juni 2017, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [minderjarige] in Nederland is geworteld. De rechtbank zal dan ook voorbij gaan aan het niet onderbouwde beroep van de vader op het bepaalde in artikel 12 van het Verdrag.

Gelet op het voorgaande dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat de persoon die de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust.

De vader heeft aangevoerd dat er sprake is van de weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag. De vader stelt dat de moeder in de overbrenging van [minderjarige] naar Nederland heeft toegestemd en dat zij ook nadien heeft ingestemd met en berust in het definitieve verblijf van [minderjarige] in Nederland. Volgens de vader is dit ondubbelzinnig uit alle genoemde feiten en omstandigheden gebleken.

De moeder betwist hetgeen de vader stelt, daartoe stellende dat zij nooit in de (onrechtmatige) achterhouding van [minderjarige] in Nederland heeft berust.

De rechtbank overweegt dat berusting slechts onder stringente voorwaarden wordt aangenomen, waarbij alle omstandigheden van het concrete geval in aanmerking worden genomen. Beslissend is of uit objectieve omstandigheden kan worden afgeleid dat de moeder heeft aanvaard dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voortaan in Nederland zou zijn. Hierbij dient gekeken te worden naar de gedragingen van de achtergebleven ouder zelf – zowel in actieve en in passieve zin – en niet naar de wijze waarop anderen deze gedragingen hebben opgevat. Relevant hierbij is of de achtergebleven ouder zich (aanvankelijk) heeft gedragen op een wijze die niet in overeenstemming is met het latere verzoek tot teruggeleiding.

De rechtbank is van oordeel dat uit de houding en/of gedragingen van de moeder niet kan worden afgeleid dat zij heeft berust in een permanent verblijf van [minderjarige] in Nederland. De omstandigheid dat de moeder er (achteraf) geen bezwaar tegen had dat [minderjarige] in de periode dat hij bij zijn vader zou verblijven een paar maanden naar een Nederlandse basisschool zou gaan en er evenmin bezwaar tegen had dat de vader in zijn huis een kamer voor [minderjarige] heeft ingericht, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat de moeder heeft berust in en/of ingestemd met het definitieve verblijf van [minderjarige] in Nederland. Immers, ook indien het de bedoeling was dat [minderjarige] voor een periode van drie maanden in Nederland zou verblijven is het goed voorstelbaar dat zij instemt met het feit dat hij in die periode naar school gaat en bij de vader een eigen kamer heeft. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de WhatsApp berichten, waarin de ouders afspraken maken over contact, niet blijkt dat de moeder hierin heeft berust en/of mee heeft ingestemd. Bovendien duidt de korte termijn waarbinnen onderhavig verzoekschrift is ingediend – twee maanden na de achterhouding – eerder op het tegendeel. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vader niet althans onvoldoende heeft aangetoond dat de moeder op enig moment heeft berust of ingestemd met een permanent verblijf van [minderjarige] in Nederland.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.

De vader stelt dat [minderjarige] bij terugkeer naar Colombia wordt blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel door zijn terugkeer op andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. De vader voert hiertoe het volgende aan. De moeder weet op dit moment zelf niet waar zij gaat wonen en naar welk land zij afreist, zodat de toekomst van de moeder volstrekt onduidelijk is en blijft. De moeder heeft volgens de vader geen woonruimte en inkomen in Colombia en kan daarheen dus niet terugkeren. De vader neemt aan dat zij zal terugkeren naar de Verenigde Staten, maar de moeder schermt ook met een vertrek naar Spanje of verblijf in Nederland. De vader is zeer bezorgd over de levenswijze van de moeder en stelt hierbij dat de moeder niet meer in staat is om voor [minderjarige] te zorgen. Teruggeleiding zou bovendien betekenen dat [minderjarige] geen contact meer heeft met de vader, mede nu de moeder niet bereid is om met de vader te overleggen over de omgang.

Voorts is het voor de vader onmogelijk om naar Colombia terug te keren omdat er geen sprake kan zijn van een safe return van de vader (met [minderjarige] ). Colombia is, zeker voor buitenlanders, geen veilig land en mede door de kwetsbare en negatieve berichten die de moeder op internet heeft geplaatst is het gevaarlijk voor de vader om naar Colombia terug te keren. Volgens de vader heeft de moeder in Colombia bovendien aangifte gedaan van kinderontvoering, waardoor de vader gesignaleerd staat en in Colombia zal worden gearresteerd en in hechtenis zal worden genomen. Hiernaast beschikt de vader niet over inkomen en een woning in Colombia en ook is zijn verblijf daar niet gegarandeerd. Dit betekent dat de vader uitgesloten zal zijn van contact met [minderjarige] .

De moeder betwist dat er een ernstig risico bestaat dat [minderjarige] door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar of door teruggeleiding in een ondragelijke toestand zou worden gebracht. De moeder stelt ten eerste dat zij wel degelijk wil terugkeren naar [woonplaats] (Colombia). De moeder beschikt in Colombia over woonruimte en werk en zij en [minderjarige] zijn beide verzekerd in Colombia. Hiernaast is [minderjarige] daar ingeschreven op een school en heeft hij vriendjes en vriendinnetjes. Bovendien kan de moeder uitstekend voor [minderjarige] zorgen, nu zij altijd de hoofdverzorgende ouder is geweest. De moeder is er voorts niet op uit om [minderjarige] te scheiden van zijn vader en zij is bereid om afspraken te maken over het contact. De vader kan eveneens veilig in Colombia verblijven als hij daarvoor kiest. De moeder heeft geen aangifte gedaan wegens kinderontvoering – en is ook niet van plan om dat te doen – en de vader staat ook niet gesignaleerd. De vader heeft bovendien in Colombia een permanente verblijfsvergunning en kan komen en gaan wanneer hij wil. Als er al sprake zou zijn dat de vader niet veilig Colombia kan bezoeken dan is dat geen reden om geen teruggeleiding te gelasten, aldus de moeder.

De rechtbank stelt voorop dat het doel en de strekking van het Verdrag met zich brengen dat de weigeringsgrond genoemd in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd. Als uitgangspunt geldt dat terugkeer in het belang van het kind is en dat terugkeer alleen bij bijzondere omstandigheden wordt geweigerd. Dit houdt in dat de rechter van de aangezochte staat de in dit artikel gestelde strenge voorwaarden niet reeds vervuld mag achten, enkel op grond van haar oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter. De belangenafweging bij de vraag waar het kind zijn uiteindelijke hoofdverblijf dient te hebben, dient immers plaats te vinden in een bodemprocedure – in het land van herkomst – en past niet in deze procedure, waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen. Ook kan de dreigende scheiding van het kind van één van de ouders slechts gerechtvaardigd worden geacht als sprake is van bijzondere omstandigheden die leiden tot de conclusie dat er sprake is van een ernstig risico dat het kind wordt blootgesteld aan het gevaar zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.

De rechtbank is van oordeel dat de vader – in het licht van de gemotiveerde betwisting van de moeder – niet dan wel onvoldoende heeft aangetoond dat de situatie van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag zich hier voordoet. De rechtbank gaat er vanuit dat de moeder zal terugkeren naar Colombia, nu zij daar – met enkele (tijdelijke) onderbrekingen – altijd heeft gewoond, een (freelance) baan heeft en beschikt over woonruimte (bij haar moeder). Ook indien de moeder de intentie zou hebben om naar een ander land af te reizen en zich aldaar met [minderjarige] te vestigen, dan is dit naar het oordeel van de rechtbank nog niet voldoende om tot de conclusie te komen dat terugkeer naar Colombia voor [minderjarige] een ondragelijke toestand zou opleveren. Gelet op het feit dat de ouders ook naar Colombiaans recht het gezamenlijk gezag hebben zou de moeder immers niet zonder toestemming van de vader met [minderjarige] kunnen emigreren. De rechtbank is bovendien niet gebleken dat de moeder niet in staat is om naar behoren zorg te dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Een verblijf van [minderjarige] bij zijn moeder in Colombia levert daarom ook in die zin niet een ondragelijke toestand in de zin van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag op.

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet is gebleken dat er voor de vader sprake is van een belemmering om terug te keren naar Colombia doordat dit (voor hem) een onveilig land is. Niet is gebleken dat de moeder aangifte heeft gedaan wegens kinderontvoering waardoor de vader gesignaleerd staat en hij bij terugkeer naar Colombia in hechtenis zal worden genomen. De moeder heeft gesteld dat zij geen aangifte heeft gedaan en dit ook niet zal doen. Naar het oordeel van de rechtbank leiden de andere door de vader naar voren gebrachte omstandigheden – het ontbreken van inkomen en een woning aan de zijde van de vader – op zichzelf niet tot een ondragelijke toestand voor [minderjarige] bij terugkeer naar Colombia. Bovendien behoeft terugkeer naar Colombia geenszins tot gevolg te hebben dat er geen contact meer zal zijn tussen [minderjarige] en zijn vader. De rechtbank is immers niet gebleken dat de moeder niet open staat voor het maken van afspraken (eventueel in de vorm van een internationale contactregeling) over het contact tussen de vader en [minderjarige] . De rechtbank gaat hiermee dan ook voorbij aan de stelling van de vader dat er geen sprake kan zijn van een safe return van de vader (met [minderjarige] ). Mocht de vader toch niet kunnen of willen terugkeren naar Colombia, dan staat dit naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg aan terugkeer van [minderjarige] naar (zijn moeder in) Colombia.

Gelet op al het voorgaande slaagt het beroep van de vader op deze weigeringsgrond niet.

Weigeringsgrond artikel 20 van het Verdrag

Ingevolge artikel 20 van het Verdrag kan de terugkeer van het kind overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van het Verdrag worden geweigerd wanneer deze op grond van de fundamentele beginselen van de aangezochte Staat betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet zou zijn toegestaan.

De rechtbank stelt voorop dat deze bepaling ziet op uitzonderlijke gevallen waarin wordt aangetoond dat het kind in de staat van herkomst dreigt te worden tekort gedaan in de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden. De rechtbank is van oordeel dat – mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de moeder – op geen enkele wijze is gebleken dat (geheel) Colombia een onveilig land is waar voornoemde beginselen niet worden gerespecteerd. Het beroep van de vader op deze weigeringsgrond slaagt dus evenmin.

Terugkeer naar Colombia?

De vader beroept zich er op dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] voorafgaand aan de vasthouding niet in Colombia, doch in [verblijfplaats moe in VS] , Verenigde Staten, was gelegen en dat de verzochte terugkeer naar Colombia om die reden niet kan worden toegewezen.

Gewone verblijfplaats voorafgaand aan de overbrenging of vasthouding

Vaststaat dat [minderjarige] tot oktober 2016 (samen met de moeder) in Colombia heeft gewoond. De vader verbleef in de daaraan voorafgaande jaren – zowel ten tijde van de relatie als daarna – afwisselend in Colombia en Nederland. Daarnaast hebben de ouders gedurende hun relatie ook twee keer samen met [minderjarige] voor telkens een periode van ongeveer drie maanden in Nederland verbleven. Tussen partijen is niet in geschil dat het hoofdverblijf van [minderjarige] in ieder geval tot medio oktober 2016 in Colombia gelegen was. De moeder is medio oktober 2016 (met [minderjarige] ) naar [verblijfplaats moe in VS] , Verenigde Staten, vertrokken. Vanaf dit punt lopen de visies van de ouders over hun plannen, intenties en de al dan niet door hen onderling gemaakte afspraken uiteen. Tussen de ouders is in dit verband in geschil waar de gewone verblijfplaats van [minderjarige] onmiddellijk voor zijn overbrenging naar en achterhouding in Nederland gelegen was.

De moeder stelt dat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Colombia had. De moeder heeft van oktober 2016 tot april 2017 in [verblijfplaats moe in VS] , Verenigde Staten, verbleven en aldaar aan het [verblijfplaats moe in VS] Education & Career Center – onderdeel van de Universiteit van Nieuw Mexico – gestudeerd en vrijwilligerswerk gedaan. De moeder wilde uiteindelijk aldaar verder studeren teneinde een master diploma te behalen. Zij had daartoe een beurs nodig en om daarvoor in aanmerking te komen is zij eerst een cursus Engels gaan volgen. Zij heeft deze beurs, alsmede het juiste visum, door omstandigheden niet verkregen, waardoor zij haar oorspronkelijke plan heeft gewijzigd. Op het moment dat zij de vader toestemming gaf om met [minderjarige] naar Nederland te reizen was haar feitelijke verblijfsadres dus in [verblijfplaats moe in VS] . Dit verblijf in de Verenigde Staten was echter tijdelijk. Volgens de moeder blijkt ook uit de omstandigheid dat zij in de periode 2010 tot en met oktober 2016 heeft deelgenomen aan Colombiaanse verkiezingen, dat de moeder en [minderjarige] recht hebben op een door de Colombiaanse overheid gesubsidieerde ziektekostenverzekering en dat [minderjarige] tussen februari en oktober 2016 naar de pre-kleuterschool [naam] (in [woonplaats] ) ging waar hij ook kan terugkeren, dat zij nog immer woonachtig was in Colombia. De moeder zal nu bovendien ook terugkeren naar Colombia, waar zij werk en woonruimte heeft en [minderjarige] weer naar dezelfde school zal gaan.

De vader stelt dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] niet in Colombia was en is. De moeder heeft in oktober 2016 Colombia definitief verlaten en is naar de Verenigde Staten vertrokken. De moeder heeft zich, op basis van een meerjarige verblijfsvergunning, in de Verenigde Staten gevestigd en is daar ook werkzaam (geweest). De moeder is volgens de vader niet voornemens om naar Colombia terug te keren, nu zij daar geen werk en geen woning heeft. Volgens de vader heeft [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats dan ook gekregen in de Verenigde Staten.

De rechtbank overweegt dat het begrip ‘gewone verblijfplaats’ een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaande aan zijn overbrenging of achterhouding maatschappelijk de nauwste bindingen heeft. Tot de voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van een kind in aanmerking te nemen factoren kunnen, naast de fysieke aanwezigheid van het kind in een lidstaat, in het bijzonder worden gerekend omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Voorts kan de bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere staat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door maatregelen, een aanwijzing voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats zijn. Ook de leeftijd van het kind en zijn sociale en familiale omgeving zijn van wezenlijk belang voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen de familiale omgeving en daarvoor is of zijn de persoon of personen bij wie het kind woont en die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen, bepalend.

[minderjarige] – die thans vier jaar is – is in [geboortejaar] in Colombia geboren en is daar (tot oktober 2016) opgegroeid. Het grootste deel van zijn jonge leven verbleef [minderjarige] dus in Colombia, waar hij vanaf februari 2016 ook naar school ging. Het voorgaande duidt op een nauwe binding met Colombia. Gesteld noch gebleken is dat er in de Verenigde Staten, hoewel hij daar wel met zijn moeder verbleef, sprake was van een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving. [minderjarige] heeft hier immers maar ongeveer drie maanden – vanaf medio oktober 2016 tot begin januari 2017 – verbleven. Hoewel de vader instemde met een tijdelijk verblijf van [minderjarige] in de Verenigde Staten, zo is ter zitting gebleken, hebben de ouders – ook in de stellingen van de vader – nimmer afgesproken dat [minderjarige] definitief (met de moeder) in de Verenigde Staten zou gaan wonen. De enkele eenzijdige intentie van de moeder om daar te gaan studeren is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat [minderjarige] daar zijn hoofdverblijf had voorafgaand aan zijn vertrek naar Nederland. Nu het verblijf in de Verenigde Staten een tijdelijk karakter had, komt de rechtbank tot het oordeel dat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats had in Colombia, waar hij vóór zijn verblijf in [verblijfplaats moe in VS] , Verenigde Staten, ook woonde.

Conclusie

Nu er geen sprake is van de weigeringsgronden zoals bedoeld in artikel 13 en artikel 20 van het Verdrag, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde vasthouding van [minderjarige] en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] te volgen. Nu Colombia voorafgaand aan zijn achterhouding in Nederland noch immer het land van zijn gewone verblijf was, zal de terugkeer naar Colombia worden bevolen. De moeder heeft verzocht de terugkeer naar [woonplaats] , Colombia, te bevelen. Nu de vader geen verweer heeft gevoerd tegen deze specifieke plaats van terugkeer zal de rechtbank de teruggeleiding van [minderjarige] bevelen naar [woonplaats] , Colombia, op de na te melden wijze, waarbij afgifte aan de moeder pas aan de orde komt als de vader niet zelf voor teruggeleiding zorgt en dan enkel met het doel [minderjarige] terug te geleiden naar [woonplaats] , Colombia.

Ingevolge artikel 13, lid 5, laatste volzin van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [minderjarige] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de moeder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 10 augustus 2017, zijnde de eerste dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.

KAls er uit de overgelegde buitenlandse bewijsstukken tegenstrijdigheden blijken over de persoonsgegevens, dan kan zulks hieronder ipv met "De persoonsgegevens...vermeld." overwogen worden met bijv: "Blijkens..., doch blijkens..."

osten

De moeder verzoekt te bepalen dat de vader de door haar gemaakte kosten vanwege de achterhouding van [minderjarige] in Nederland aan haar moet vergoeden. De moeder stelt de door haar gemaakte kosten – de eigen bijdrage rechtsbijstand, het griffierecht en verblijfskosten in Nederland – tot op heden op ongeveer € 2.365,--.

De vader betwist dat de gestelde totale kosten € 2.365,-- bedragen.

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet de vader, zo nodig, kan worden veroordeeld tot betaling van de door de moeder gemaakte noodzakelijke kosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding van [minderjarige] . De rechtbank ziet in de enkele ongemotiveerde betwisting van deze kosten door de vader geen aanleiding om van deze bepalingen af te wijken. De door de moeder gestelde kosten komen de rechtbank voor als noodzakelijk gemaakte kosten. De rechtbank zal de vader – als persoon die voor de internationale kinderontvoering van [minderjarige] verantwoordelijk is – dan ook veroordelen om de door de moeder gemaakte kosten tot een bedrag van € 2.365,-- aan haar te voldoen.

De rechtbank zal, gelet op het bepaalde in artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet, het verzoek van de vader om de moeder in de kosten van de procedure – inclusief de kosten van zijn advocaat – te veroordelen, afwijzen nu de moeder niet mede verantwoordelijk wordt geacht voor de achterhouding van [minderjarige] in Nederland.

Bijzondere curator

De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hem bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan wordt de bijzondere curator één maand na datum van deze beschikking ontslagen van haar taak. (alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

Beslissing

De rechtbank:

*

gelast de terugkeer van de minderjarige:

- [minderjarige] [achternaam minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [woonplaats] , Colombia,

naar [woonplaats] , Colombia, uiterlijk op 10 augustus 2017, waarbij de vader [minderjarige] dient terug te brengen naar [woonplaats] , Colombia, en beveelt, indien de vader nalaat [minderjarige] terug te brengen naar [woonplaats] , Colombia, dat de vader [minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 10 augustus 2017, opdat de moeder [minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar [woonplaats] , Colombia;

*

veroordeelt de vader tot betaling aan de moeder van de door haar gemaakte kosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding ter hoogte van € 2.365,-- (zegge: tweeduizenddriehonderdvijfenzestig);

*

wijst af het meer of anders verzochte;

*

ontslaat – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de bijzondere curator drs. J.L. (Lillian) van Wesemael-Smit met ingang van 26 augustus 2017 van haar taak.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, M. van Paridon en J. Visser, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juli 2017.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.