Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8414

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
27-07-2017
Zaaknummer
C/09/532179 / KG ZA 17/580
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding van door gerechtsdeurwaarders te verrichten persoonsgerichte incassoactiviteiten. Bezwaren van ('verliezende') inschrijvers tegen de gunningsbeslissing ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/532179 / KG ZA 17/580

Vonnis in kort geding van 26 juli 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] GERECHTSDEURWAARDERS & INCASSEERDERS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. P. Willems te Capelle aan den IJssel,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(het Ministerie van Veiligheid en Justitie, meer in het bijzonder het Centraal Justitieel Incassobureau),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J.H.C.A. Muller te Den Haag,

waarin zijn tussengekomen:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

1. SYNCASSO AMSTERDAM B.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam,

2. SYNCASSO GERECHTSDEURWAARDERS B.V.,

statutair gevestigd te Utrecht,

3. SYNCASSO ROTTERDAM B.V.,

statutair gevestigd te Rotterdam,

4. SYNCASSO LEEUWARDEN B.V.,

statutair gevestigd te Leeuwarden,

advocaten mrs. P.F.C. Heemskerk en S.J. Driessen te Utrecht.

Eiseres en gedaagde zullen hierna respectievelijk worden aangeduid als ‘[X]’ en ‘de Staat’. Naar de vier interveniënten tezamen zal hierna worden verwezen als ‘Syncasso’ (in het vrouwelijk enkelvoud).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord en de door de Staat overgelegde producties;

- de door Syncasso overgelegde incidentele conclusie tot tussenkomst dan wel voeging en de door Syncasso overgelegde productie;

- de op 6 juli 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 Het incident tot tussenkomst dan wel voeging

2.1.

Syncasso heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [X] en de Staat dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Staat. Ter zitting hebben [X] en de Staat geen bezwaren geuit tegen de tussenkomst. Syncasso is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de toewijzing van de gevorderde tussenkomst in de weg staat aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen.

3 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

3.1.

Het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB) – een onderdeel van het ministerie van Veiligheid en Justitie – int vorderingen van verschillende organisaties/onderdelen van de Rijksoverheid. In het kader van het uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst is besloten om de gerechtsdeurwaarderstrajecten van het Centraal Administratiekantoor (CAK), het Zorginstituut Nederland (ZIN), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) centraal bij het CJIB onder te brengen. Beoogd wordt om te gaan werken met een persoonsgerichte incasso, waarbij alle executoriale titels van voornoemde vijf bestuursorganen door het CJIB per debiteur worden aangeboden aan één gerechtsdeurwaarder.

3.2.

Om te komen tot persoonsgerichte incasso heeft het CJIB inmiddels drie aanbestedingsprocedures uitgeschreven. De eerste aanbesteding is door het CJIB ingetrokken. De tweede aanbestedingsprocedure is naar aanleiding van vijf afzonderlijke kort gedingen op last van de voorzieningenrechter van deze rechtbank ingetrokken (vonnissen uitgesproken op 3 september 2015).

3.3.

Op 15 juli 2016 heeft het CJIB op TenderNed de huidige Europese aanbestedingsprocedure “Gerechtsdeurwaardersdiensten Clustering Rijksincasso” aangekondigd. Deze aanbesteding (hierna: de aanbesteding) wordt uitgevoerd conform het Europese regime voor sociale en andere specifieke diensten als bedoeld in artikel 2.38 van de Aanbestedingswet 2012 (Aw).

3.4.

Voor zover hier van belang vermeldt (de laatste versie van) het Beschrijvend Document van 17 januari 2017 (hierna: het BD) het volgende:

Voorwoord

(…)

De aanbesteding bestaat uit 20 Percelen. U wordt uitgenodigd om op basis van dit Beschrijvend Document een Inschrijving in te dienen voor 1 tot maximaal 5 Percelen. Per Perceel worden, afhankelijk van de grootte van dat Perceel, 2 tot 14 Opdrachtnemers gecontracteerd. Hoeveel Opdrachtnemers de Opdrachtgever per Perceel voornemens is te contracteren, is vermeld in paragraaf 1.2.5.

(…)

1.1.5

Doelstellingen van de aanbesteding

Het Programma Clustering Rijksincasso wordt gezien als één van de bouwstenen om vanuit de Rijksoverheid een antwoord te kunnen geven op de maatschappelijke ontwikkelingen en schuldenproblematiek in Nederland. Voor een (groeiende) groep Debiteuren van de Rijksoverheid met multi-problematiek dient een passende aanpak te worden gehanteerd, waarbij richting het Gerechtsdeurwaarderstraject meer wordt gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de Debiteur.

(…)

Met deze aanbesteding wil de Opdrachtgever een concrete bijdrage leveren aan persoonsgerichte incasso. Het per Debiteur bundelen en geclusterd aanbieden van openstaande vorderingen is daarbij slechts een middel en dienend aan de doelstellingen van de aanbesteding. Deze doelstellingen zijn afgeleid van de Rijksincassovisie en de doelstellingen van het programma CRI en als volgt geformuleerd:

  1. Schulden niet onnodig laten oplopen bij Debiteuren die geen verhaal (meer) bieden (aanbestedingsdoel 1);

  2. Persoonsgericht incasseren bij Debiteuren die niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen (aanbestedingsdoel 2).

De Opdrachtgever zal meerdere Opdrachtnemers contracteren die voldoen aan alle in het Beschrijvend Document gestelde eisen én op grond van hun Inschrijving het beste in staat worden geacht bij te dragen aan het realiseren van bovengenoemde doelstellingen. De gehanteerde Gunningscriteria zijn een vertaling van de doelstellingen van de aanbesteding en gericht op een persoonsgericht en sociaal-maatschappelijk verantwoord incassoproces.

(…)

1.1.6

Motivering samengevoegde Opdracht

(…)

De aan de aanbesteding ten grondslag liggende doelstellingen zijn zwaarwegend en rechtvaardigen dat de vorderingen van de Bestuursorganen worden geclusterd. De eventuele negatieve gevolgen voor de toegang voor kleine en middelgrote gerechtsdeurwaarderskantoren worden in voldoende mate gecompenseerd door de Opdracht op te delen in 20 Percelen. Daarnaast mogen Inschrijvers op maximaal 5 Percelen inschrijven en zullen per Perceel meerdere Inschrijvers worden gecontracteerd, waarbij het aantal Opdrachtnemers wordt afgestemd op het aantal vorderingen dat naar verwachting in het Perceel valt te vergeven. Bij de keuze van het aantal Percelen en het aantal Opdrachtnemers per Perceel is rekening gehouden met de uitkomsten van onder andere een schriftelijke marktconsultatie. Zie voor de verdere uitwerking paragrafen 1.2.4 en 1.2.5.

(…)

1.2.4

Perceelindeling

Aangezien de burger bij deze Opdracht centraal staat is het mogelijk om de Opdracht op te delen in meerdere Percelen, zonder dat daarmee de samenhang wordt geschaad. De Opdrachtgever heeft er voor gekozen om de aanbesteding op te delen in 20 Percelen. De Percelen stemmen overeen met de 19 voormalige arrondissementen binnen Nederland, met één extra Perceel voor Flevoland.

(…)

De keuze voor deze perceelindeling is ingegeven vanuit het Rijksbrede beleid om het midden- en kleinbedrijf de kans te geven werkzaamheden voor de Rijksoverheid uit te voeren. Deze categorie bedrijven werkt veelal regionaal en kan met de gekozen perceelindeling inschrijven op Gerechtsdeurwaarderdiensten binnen hun eigen verzorgingsgebied.

(…)

3 Voorwaarden bij de aanbesteding

Dit hoofdstuk beschrijft welke voorwaarden van toepassing zijn op deze aanbesteding. Door het indienen van een Inschrijving stemt de Inschrijver in met alle voorwaarden - waaronder (maar niet beperkt tot) - de voorwaarden in dit hoofdstuk.

(…)

3.1.4 Inschrijven op maximaal 5 Percelen

Het is toegestaan om op één of op meerdere Percelen in te schrijven, waarbij elke Inschrijver op maximaal 5 Percelen in mag schrijven via Negometrix, hetzij als zelfstandig Inschrijver, hetzij als lid van een Combinatie, hetzij als onderaannemer van een zelfstandig Inschrijver of Combinatie. Indien een Inschrijver op meer dan 5 Percelen inschrijft, dan worden al deze Inschrijvingen terzijde gelegd. Er zijn geen restricties voor de Percelen waarop een Inschrijver mag inschrijven; het staat Inschrijver dus vrij om zelf te kiezen op welke Percelen hij gaat inschrijven. Het maximum aantal Percelen dat gegund wordt aan één Opdrachtnemer bedraagt 5.

De Opdrachtgever hanteert deze beperkingen om goede marktwerking te stimuleren met kansen voor het groot, midden- en kleinbedrijf om Percelen te verwerven. De Opdrachtgever streeft naar het contracteren van een substantieel deel van de markt. Het beperken van het aantal Percelen dat aan één Opdrachtnemer kan worden gegund draagt hier in belangrijke mate aan bij. Bijkomende voordelen zijn dat de Opdrachtgever niet afhankelijk wordt van een klein aantal gerechtsdeurwaarderskantoren en dat Inschrijvers naar verwachting zullen inschrijven op Percelen in of nabij hun (primaire) verzorgingsgebied. Dit kan persoonlijk contact tussen de Debiteur en de Gerechtsdeurwaarder vergemakkelijken. Ook biedt de regeling Gerechtsdeurwaarders de mogelijkheid om regionale kennis te benutten en draagt de regeling bij aan efficiency door het beperken van reistijden.

(…)

3.1.5 Maximaal éénmaal als Inschrijver of onderaannemer inschrijven op een Perceel

Indien een onderneming op een Perceel inschrijft kan dat slechts éénmaal, hetzij als zelfstandig Inschrijver, hetzij als lid van een Combinatie, hetzij als onderaannemer van een zelfstandig Inschrijver of Combinatie. Indien een situatie zich voordoet waarin een onderaannemer ook als zelfstandig Inschrijver of in Combinatie heeft ingeschreven, zullen beide Inschrijvingen ongeldig worden geacht.

Indien ondernemingen uit dezelfde groep als bedoeld in artikel 2:24a en 2:24b BW op hetzelfde Perceel inschrijven (hetzij als zelfstandig Inschrijver, hetzij als lid van een Combinatie, hetzij als onderaannemer) dienen zij op verzoek van de Opdrachtgever te kunnen aantonen dat zij zelfstandig, dat wil zeggen volledig onafhankelijk en zonder wetenschap van het ter zake relevante marktgedrag van de andere ondernemingen uit dezelfde groep, inschrijven danwel als onderaannemer deelnemen aan de Inschrijving. Kan dit door één of meer ondernemingen uit de groep niet worden aangetoond, dan leidt dit tot ongeldigverklaring van de Inschrijving van deze onderneming(en). Verschillende ondernemingen uit een groep mogen uiteraard wel gezamenlijk inschrijven als Combinatie.

(…)

3.1.7 Proactief handelen Inschrijver

Alle informatie zoals opgenomen in dit Beschrijvend Document en de overige Aanbestedingsstukken is naar beste kunnen geleverd en met zorg samengesteld.

Indien een Inschrijver van mening is dat in de Aanbestedingsstukken één of meerdere eisen zijn opgenomen waarvan nakoming onmogelijk of onredelijk bezwarend is, zodat nakoming van deze eis(en) in redelijkheid niet kan worden gevergd, dan dient de Inschrijver dit zo snel mogelijk na de ontvangst van het desbetreffende aanbestedingsdocument gemotiveerd schriftelijk te melden bij de Opdrachtgever. Het is Inschrijvers niet toegestaan dergelijke principiële bezwaren op te houden tot de sluitingsdatum van de eerstvolgende vragenronde (laat staan op te houden tot een nog latere fase van de aanbestedingsprocedure waarin eventuele gebreken niet meer door de Opdrachtgever kunnen worden hersteld).

Datzelfde geldt indien een Inschrijver meent dat verstrekte informatie onjuist of onvolledig is, of enige bepaling of onderdeel van het Beschrijvend Document of een ander Aanbestedingsstuk onjuist, tegenstrijdig met andere Aanbestedingsstukken, onrechtmatig of op andere wijze onregelmatig is. Ook op die bezwaren dient Inschrijver de Opdrachtgever terstond na de ontvangst van het desbetreffende Aanbestedingsstuk schriftelijk te attenderen.

Indien een Inschrijver zich niet op de voorgeschreven wijze pro actief opstelt en de Opdrachtgever aldus niet tijdig op zijn bezwaren heeft geattendeerd, is die Inschrijver niet ontvankelijk in enige (latere) vordering (waaronder ook een vordering tot schadevergoeding) verband houdend met die bezwaren.

Alle in de opdracht geïnteresseerde ondernemingen hebben de mogelijkheid om binnen 10 dagen na publicatie van Nota van Inlichtingen 6 in kort geding bezwaar te maken tegen (delen van) de aanbestedingsdocumentatie, tegen (delen van) de verstrekte informatie en/of tegen enig ander aspect in relatie tot de aanbestedingsprocedure. Het kort geding dient binnen een termijn van 10 dagen na bekendmaking van Nota van Inlichtingen 6 (dat wil zeggen uiterlijk op 11 november aanstaande vóór 17.00 uur) door middel van betekening van een dagvaarding aanhangig te zijn gemaakt. Indien u binnen deze termijn van 10 dagen en derhalve uiterlijk 11 november 2016 17.00 uur geen kort geding aanhangig heeft gemaakt, gaat de Opdrachtgever ervan uit en mag zij er ook vanuit gaan dat u uw bezwaar niet handhaaft en vervalt uw recht om met betrekking tot uw eventuele bezwaren alsnog in rechte op te komen en/of aan dat bezwaar enige aanspraak in rechte te ontlenen. Voor de goede orde merkt de Opdrachtgever daarbij op dat het aanhangig zijn of maken van een klachtprocedure de 10 dagen termijn niet opschort.

Indien op de voorgeschreven wijze een kort geding aanhangig wordt gemaakt, zal de Opdrachtgever de uitkomst van het kort geding afwachten alvorens een nieuwe inschrijfdatum zal worden bepaald.

De mogelijkheid om een kort geding aanhangig te maken laat het overigens bepaalde in deze paragraaf onverlet. Dit betekent dat het niet is toegestaan om in kort geding (of in een klachtenprocedure) nieuwe bezwaren aan te voeren waarop al eerder tijdens de aanbestedingsprocedure had kunnen en moeten worden geattendeerd. Indien een (potentiële) Inschrijver zich niet op de voorgeschreven wijze proactief heeft opgesteld en de Opdrachtgever niet tijdig in de aanbestedingsprocedure op onvolkomenheden, onjuistheden of tegenstrijdigheden heeft geattendeerd, zal de Opdrachtgever in kort geding de Voorzieningenrechter verzoeken de vorderingen op deze grond niet-ontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren.

(…)

3.2.3 Karakter termijnen

Tenzij de Aanbestedingsstukken uitdrukkelijk anders bepalen zijn de daarin aan Inschrijvers gestelde termijnen (waaronder die voor het stellen van vragen, het indienen van verzoeken tot inlichtingen, Inschrijvingen en het instellen van vorderingen) fatale termijnen. Bij overschrijding ervan treedt verval van recht in.

(…)

5 Gunningscriteria

Dit hoofdstuk beschrijft de Gunningscriteria en geeft aan welke informatie een Inschrijver moet opleveren en de wijze waarop de Opdrachtgever deze informatie beoordeelt.

De Inschrijvingen worden op grond van twee Gunningscriteria beoordeeld. Tussen de Gunningscriteria hanteert de Opdrachtgever een weging. De gehanteerde Gunningscriteria en de bijbehorende weging staan in onderstaande tabel:

Nr.

Omschrijving

Gewicht

§

G1

Snelle en betrouwbare herkenning van Debiteuren die geen verhaal (meer) bieden

- Aangeboden werkwijze en onderbouwing

40%

5.2.1

G2

Persoonsgericht incasseren bij Debiteuren die niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen

- Aangeboden werkwijze en onderbouwing

60%

5.2.2

(…)

3.5.

Tegen de opzet van de aanbesteding zijn twee kort gedingen aanhangig gemaakt. In beide gedingen zijn bij vonnis van 12 januari 2017 de bezwaren van de eiseres(sen) van de hand gewezen en de ingestelde vorderingen afgewezen. Tegen deze vonnissen is geen hoger beroep ingesteld. In de zevende Nota van Inlichtingen heeft het CJIB de inschrijftermijn gesteld op 1 februari 2017.

3.6.

[X] heeft tijdig ingeschreven op de opdracht van de aanbesteding (hierna: de opdracht) voor de percelen 1 (Rotterdam), 2 (Den Haag), 3 (Amsterdam), 5 (Utrecht) en 15 (Dordrecht).

3.7.

Bij brief van 25 april 2017 heeft het CJIB het volgende bericht aan [X]:

"Vervolgens is uw inschrijving beoordeeld aan de hand van de in het Beschrijvend Document opgenomen gunningscriteria. U heeft een eindscore behaald hoger of gelijk aan een '6', echter was uw eindscore niet hoog genoeg om in aanmerking te komen voor een contract op één of meer van de percelen waarop u heeft ingeschreven. In de bijlage vindt u een overzicht van de winnaars van de percelen waarop u heeft ingeschreven met de door hen behaalde scores, alsmede een toelichting op uw eigen scores.

(…)

In de bijgevoegde toelichting op de beoordeling staat het volgende vermeld:

“Onderstaand zijn achtereenvolgens weergegeven :

  • -

    De eindscore van de Inschrijver;

  • -

    Een toelichting op de score voor Gunningscriterium 1;

  • -

    Een toelichting op de score voor Gunningscriterium 2;

  • -

    De winnaars op de voor de Inschrijver relevante Percelen.

(…)”

4 Het geschil

4.1.

[X] vordert, zakelijk weergegeven, na wijziging van eis ter zitting, de Staat te verbieden de opdracht met betrekking tot de percelen 1, 2 3, 5 en 15 te vergunnen aan de partijen die als winnaar zijn genoemd in de toelichting bij het door het CJIB op 25 april 2017 meegedeelde gunningsvoornemen en de Staat te gebieden over te gaan tot heraanbesteding, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500.000,-, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

4.2.

Daartoe voert [X] – samengevat – het volgende aan. De motivering door het CJIB van de voorlopige gunningsbeslissing voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. De wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden is daardoor niet toetsbaar. Voorts zitten in de toelichting, zoals die op de gunningsbeslissing is gegeven, diverse innerlijke tegenstrijdigheden en is deze op diverse punten onbegrijpelijk en onjuist. Dit maakt de beslissing in strijd met het transparantiebeginsel en gelijkheidsbeginsel. De aanbesteding heeft voorts niet de benadeling van niet tot een concern behorende deurwaarderskantoren voorkomen. Het level-playing field is niet gewaarborgd als gevolg van de eisen die (niet) worden gesteld aan inschrijvers. Verder zijn de gehanteerde criteria ongeschikt, omdat ze geen of nauwelijks onderscheidend vermogen hebben. Voorts hebben niet alle inschrijvers aan het anonimiteitsvereiste voldaan, nu tenminste in een aantal gevallen de naam van de auteur en bewerker van de ingediende Word-documenten zichtbaar waren bij de kenmerken van het bestand. [X] behoefde niet te voorzien dat het CJIB de aanbestedingsstukken zou uitleggen op een manier die haaks staat op de grondbeginselen van het aanbestedingsrecht. Het anonimiteitsvereiste dient er toe, net als de eisen omtrent het maximaal aantal inschrijvingen en percelen en het afstemverbod, om te waarborgen dat concerns en grotere kantoren niet worden bevoordeeld ten opzichte van kleinere kantoren. Het resultaat van de aanbesteding leidt echter tot de conclusie dat dit wel is geschied. Dat is in strijd met de doelstellingen die het CJIB met de aanbesteding had en met het level playing field. De resultaten van Syncasso illustreren dit. Zij heeft 18 percelen toegewezen gekregen door in te schrijven met vier vennootschappen behorend tot hetzelfde concern. Zij hebben exact dezelfde scores gekregen op beide criteria. Het is volstrekt onaannemelijk dat sprake is geweest van zelfstandige en onafhankelijke inschrijvingen.

4.3.

De Staat en Syncasso voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.4.

Syncasso vordert, zakelijk weergegeven, de Staat te gebieden om, voor zover hij de opdracht nog wenst te vergeven, de opdracht overeenkomst de beslissing van 25 april 2017 te gunnen aan Syncasso en over te gaan tot het sluiten van de overeenkomsten ter zake van de opdracht, met veroordeling van [X] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.5.

Verkort weergegeven stelt Syncasso daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en derhalve bij afwijzing van de vorderingen van [X], nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.

4.6.

Voor zover nodig zullen de standpunten van [X] en de Staat met betrekking tot de vorderingen van Syncasso hierna worden besproken.

5 De beoordeling van het geschil

Motiverings- en beoordelingsklachten

5.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat, indien de bezwaren van [X] tegen de motivering van de gunningsbeslissing, alsmede tegen de diverse onderdelen van de beoordeling van haar inschrijving gegrond zouden zijn, dat nog niet een gebod tot heraanbesteding rechtvaardigt. In dat geval zou een gebod tot herbeoordeling op zijn plaats zijn. Dat vordert van [X] echter niet (langer). Zij heeft ter zitting haar vordering die daartoe strekte ingetrokken. Nu deze klachten niet tot toewijzing van het gevorderde kunnen leiden, kunnen deze inhoudelijk onbesproken blijven.

Klachten over de opzet van de aanbesteding

5.2.

[X] heeft verder een aantal klachten naar voren gebracht over de opzet van de aanbesteding. Met die bezwaren is [X] echter te laat, zoals de Staat terecht heeft betoogd. Daartoe is het volgende redengevend.

5.3.

Van een deelnemer aan een aanbesteding mag een proactieve houding worden verwacht. Daarmee wordt voorkomen dat aanbestedingsprocedures onnodig worden vertraagd en daarmee wordt bewerkstelligd dat eventuele omissies in de procedure zodanig tijdig aan de orde worden gesteld dat zij nog (eenvoudig) kunnen worden hersteld. Daarmee is niet alleen het belang van de aanbestedende dienst gediend, maar ook het belang van de (andere) deelnemers omdat voorkomen wordt dat kosten worden gemaakt voor een procedure die niet aan eisen voldoet. Het tijdstip waarop over een bepaald aspect van een aanbestedingsprocedure moet worden geklaagd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin mag van een gegadigde worden verwacht dat hij zijn bezwaren kenbaar maakt zo spoedig mogelijk nadat hij kennis had of had behoren te hebben van de gestelde gebreken in de procedure.

5.4.

Het vorenstaande is in deze aanbesteding tot uitdrukking gebracht in artikel 3.1.7 van het BD, waarin nader is beschreven wat van inschrijvers wordt verlangd op het gebied van proactief handelen. Op grond van dit artikel diende een inschrijver, indien deze meende dat een bepaling of onderdeel van het BD of een ander aanbestedingsstuk onrechtmatig of onregelmatig is, het CJIB terstond na de ontvangst van het desbetreffende aanbestedingsstuk schriftelijk daarop te attenderen. Hierbij is opgenomen dat, bij gebreke daarvan, de inschrijver niet-ontvankelijk is in enige (latere) vordering verband houdend met die bezwaren. In datzelfde artikel wordt vervolgens aan alle in de opdracht geïnteresseerde ondernemingen de mogelijkheid geboden om binnen tien dagen na publicatie van de zesde Nota van Inlichtingen (op 1 november 2016) in kort geding bezwaar te maken tegen (delen van) de aanbestedingsdocumentatie en enig ander aspect in relatie tot de aanbestedingsprocedure. Daarbij is meegedeeld (samengevat) dat, indien uiterlijk 11 november 2016 geen kort geding aanhangig is gemaakt, het CJIB ervan uit gaat en er ook vanuit mag gaan dat het bezwaar niet wordt gehandhaafd en dat het recht vervalt om met betrekking tot eventuele bezwaren alsnog in rechte op te komen en/of aan dat bezwaar enige aanspraak in rechte te ontlenen. Voorts volgt uit artikel 3.2.3 van het BD dat dit een fatale termijn is en dat bij overschrijding daarvan verval van recht intreedt.

5.5.

Het CJIB heeft in de hiervoor genoemde zesde Nota van Inlichtingen ook nader toegelicht waarom voor vorenstaande regeling is gekozen, namelijk ter vermijding van onnodige vertraging van de aanbestedingsprocedure door elkaar in de tijd opvolgende klachtprocedures en/of kort gedingen. Die motivering acht de voorzieningenrechter met name in deze aanbesteding (de derde, zo volgt uit hetgeen onder 3.2 staat vermeld) alleszins begrijpelijk.

5.6.

De verwijzing door [X] naar een door het CJIB gedane mededeling dat het, indien een andere potentiële inschrijver reeds over een onderwerp heeft geklaagd, niet nodig is om zelf ook over datzelfde onderwerp te klagen om het recht op het later instellen van een vordering betreffende dit bezwaar veilig te stellen, gaat niet op. Dit betreft een door het CJIB in de eerste Nota van Inlichtingen (van 4 augustus 2016) gegeven antwoord. De voorwaarden van de aanbesteding zijn echter vastgelegd in de laatste versie van het BD van 17 januari 2017, waarin alle door het CJIB in de (zeven) Nota’s van Inlichtingen gegeven antwoorden zijn verwerkt. Daarin is de – zeer concreet geformuleerde – eis opgenomen zoals onder 5.4 beschreven, waaraan inschrijvers gebonden zijn.

5.7.

Overigens komt het standpunt van [X] er op neer dat, indien een potentiële inschrijver een kort geding aanhangig heeft gemaakt betreffende een bezwaar dat ook een andere potentiële inschrijver heeft, die andere inschrijver – in dit geval [X] – i) zelf geen kort geding aanhangig hoeft te maken, ii) niet gebonden is aan de uitkomst van het wel aanhangig gemaakte kort geding en iii) zijn bezwaar later, na gunning, alsnog naar voren kan brengen. Het gegeven antwoord, dat gaat over klagen en niet over het treffen van rechtsmaatregelen door een andere inschrijver, kan niet in die zin worden uitgelegd.

5.8.

[X] heeft nog opgemerkt dat het resultaat van de aanbesteding een bevestiging vormt van de juistheid van haar bezwaren en dat dit resultaat nu pas bekend is. Dat maakt echter niet dat zij haar bezwaren niet eerder naar voren had kunnen brengen. Het betreft immers bezwaren over de opzet van de aanbesteding, die voor inschrijving al bekend was. Niet valt in te zien dat en waarom klagen hierover pas mogelijk zou zijn nadat de beoordeling van de inschrijvingen heeft plaatsgevonden en de voorlopige gunningsbeslissing is genomen. Als [X] haar bezwaren tijdig kenbaar had gemaakt, dan zou daarover zijn geoordeeld gelijktijdig met de andere twee kort gedingen waarin de opzet van de aanbesteding aan de orde werd gesteld, een en ander zoals in het systeem van deze aanbesteding besloten ligt.

5.9.

Nu [X] heeft nagelaten tijdig een kort geding aanhangig te maken, heeft zij haar rechten verwerkt om nog te klagen over de verstoring van het level-playing field en de bevoordeling van grote kantoren door de wijze waarop de aanbesteding is vormgegeven, als ook over de ongeschiktheid van de gehanteerde criteria.

5.10.

Overigens hebben de Staat en Syncasso gemotiveerd betwist dat gebleken is dat grotere kantoren in de aanbesteding zijn bevoordeeld. De Staat heeft gesteld dat het voorlopige gunningsresultaat juist een mooie afspiegeling toont van de deurwaardersmarkt, nu zowel kleine(re) als grote(re) kantoren als (voorlopige) winnaar zijn aangewezen. Syncasso heeft gesteld dat zelfs het tegendeel het geval is, nu de concerns een aanzienlijk groter marktaandeel hebben dan het aandeel dat zij in deze aanbesteding hebben gewonnen.

5.11.

De voorzieningenrechter overweegt verder nog dat [X] met haar slotopmerkingen over (de structuur van) het concern van Syncasso en de door de diverse vennootschappen van dat concern behaalde scores over het hoofd lijkt te zien dat al deze vennootschappen op verschillende percelen hebben ingeschreven. De eisen als vermeld onder 3.1.5 zien op ondernemingen uit dezelfde groep die op hetzelfde perceel inschrijven.

Anonimiteitsvereiste

5.12.

Het is de voorzieningenrechter niet geheel duidelijk in welk licht de opmerkingen van [X] over het anonimiteitsvereiste moeten worden bezien, mede nu uit het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat [X] zelf ook niet de door haar bedoelde metadata van het ingediende Word-bestand (naam van de auteur en bewerker) heeft verwijderd. [X] heeft deze eis dus kennelijk – net als (volgens haar) alle of bijna alle inschrijvers – zelf niet zo uitgelegd dat die gegevens actief verwijderd moesten worden, zoals de Staat deze eis ook niet heeft bedoeld.

5.13.

Voor zover [X] heeft willen betogen dat de wijze waarop het CJIB met de beoordeling van al deze (volgens haar niet-anonieme) inschrijvingen is omgegaan een gebrek vormt in de aanbesteding, dat tot heraanbesteding zou moeten leiden, wordt dat betoog verworpen. Het BD verlangt dat de uitwerkingen van de gunningscriteria aangeleverd worden in een “anoniem en neutraal format” zonder “direct herleidbare informatie als een logo, bedrijfsnaam, namen van werknemers, et cetera”. In de eerste Nota van Inlichtingen is toegelicht dat met dit vereiste is voorgeschreven dat inschrijvers hun inschrijving indienen op “neutraal papier zonder enige verwijzing naar het kantoor etcetera” waarmee wordt “geborgd dat de inschrijvingen “blind” worden beoordeeld”. Uit de verwijzing naar de woorden “format” en “papier” kan worden afgeleid dat zichtbare verwijzingen naar de inschrijver in de tekst zelf en in de verdere opmaak daarvan (zoals in de koptekst, de voettekst en het logo) moeten worden vermeden. Daarbij moet het dan ook nog gaan om direct herleidbare informatie die achterwege moet worden gelaten. Het strekt te ver om op basis hiervan aan te nemen dat inschrijvers actief bepaalde metadata van het bestand zouden hebben moeten verwijderen of wijzigen, bij gebreke waarvan hun inschrijving ongeldig zou zijn. Indien dat zou zijn vereist, had dit uitdrukkelijk voorgeschreven moeten worden en dat is niet geschied. Daar komt bij dat de blinde beoordeling in de praktijk ook daadwerkelijk is gewaarborgd, nu de leden van de beoordelingscommissie alleen de beschikking hebben gekregen over de tekst van de uitwerkingen in PDF-vorm, terwijl concrete aanwijzingen dat de leden van de beoordelingscommissie hebben getracht de oorspronkelijke auteur van de tekst te achterhalen zijn gesteld noch gebleken.

5.14.

Ten overvloede wordt overwogen dat de stelling van [X], dat het anonimiteitsvereiste – net als de voorschriften omtrent het maximum aantal inschrijvingen, de percelen en het afstemverbod – is bedoeld om te waarborgen dat concerns en grote kantoren niet worden bevoordeeld ten opzichte van kleinere, ook niet kan worden gevolgd. Aan die stelling lijkt de veronderstelling ten grondslag te liggen dat beoordelaars een inschrijving, die zij kunnen herleiden als zijnde afkomstig van een groter kantoor, beter zouden beoordelen. Voor de juistheid van die veronderstelling ziet de voorzieningenrechter geen enkel aanknopingspunt. Het uitgangspunt is immers ook dat er in beginsel op vertrouwd mag worden dat het CJIB correct en zorgvuldig beoordeelt.

Conclusie

5.15.

Het gevorderde is gelet op het vorenstaande niet voor toewijzing vatbaar.

5.16.

Nu het CJIB voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan Syncasso, brengt voormelde beslissing mee dat Syncasso geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. Syncasso zal worden veroordeeld in de kosten van de Staat, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Staat als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet [X] in haar verhouding tot Syncasso worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Syncasso was immers om een heraanbesteding te voorkomen, welk doel is bereikt. [X] zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van Syncasso. Voorts zal [X], als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

6 De beslissing

De voorzieningenrechter:

6.1.

wijst het gevorderde af;

6.2.

veroordeelt Syncasso voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens de Staat in de kosten van de Staat, tot dusver begroot op nihil;

6.3.

veroordeelt [X] in de overige proceskosten, tot dusver begroot aan de zijde van zowel de Staat als Syncasso telkens op € 1.434,--, waarvan € 618,-- aan griffierecht en € 816,-- aan salaris advocaat;

6.4.

bepaalt dat de verschuldigde proceskosten dienen te worden voldaan binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken en dat – bij gebreke daarvan – daarover de wettelijke rente verschuldigd is;

6.5.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2017.

ts