Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8383

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
27-07-2017
Zaaknummer
C/09/532191 / KG ZA 17-584
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding van door gerechtsdeurwaarders te verrichten persoonsgerichte incassoactiviteiten. Bezwaren van ('verliezende') inschrijvers tegen de gunningsbeslissing ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Aanbestedingswet 2012
Aanbestedingswet 2012 2.38
Aanbestedingswet 2012 2.39
Aanbestedingswet 2012 2.130
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2017/203
Module Aanbesteding 2017/780
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/532191 / KG ZA 17-584

Vonnis in kort geding van 26 juli 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PVU-ROSMALEN COMBINATIE B.V.,

statutair gevestigd te Etten-Leur en kantoorhoudende te Breda,

2. MAATSCHAP PVU GERECHTSDEURWAARDERS,

gevestigd en kantoorhoudende te Etten-Leur,

3. MAATSCHAP JONKERS-CEELEN,

gevestigd en kantoorhoudende te Tilburg,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RIJNLAND GERECHTSDEURWAARDERS & INCASSO B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Spijkenisse,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GROOTHUIS LIGTERMOET & NIJHUIS GERECHTSDEURWAARDERS & INCASSO B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Hengelo (Ov),

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GERECHTSDEURWAARDERSKANTOOR DE KLERK VIS NIEKUS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN DEN BERG DE RIE & UYTERLINDE B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GERECHTSDEURWAARDERSKANTOOR NOORD-HOLLAND-NOORD B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Alkmaar,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GERECHTSDEURWAARDERSKANTOOR KARREMAN B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Apeldoorn,

10. MAATSCHAP HOFMAN GERECHTSDEURWAARDERS,

gevestigd en kantoorhoudende te 's-Hertogenbosch,

eiseressen,

advocaat mr. M.J.J.M. Essers te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J.H.C.A. Muller te Den Haag,

waarin zijn tussengekomen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SYNCASSO AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SYNCASSO GERECHTSDEURWAARDERS B.V.,

gevestigd te Utrecht,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SYNCASSO ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SYNCASSO LEEUWARDEN B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

advocaat mr. P.F.C. Heemskerk te Utrecht.

Partijen worden hierna respectievelijk ook wel aangeduid als 'PVU cs', 'de Staat' en 'Syncasso' (in enkelvoud en voor zover gezamenlijk bedoeld).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de akte houdende overlegging producties van PVU cs;

- de incidentele conclusie tot tussenkomt, subsidiair voeging;

- de antwoordakte van de Staat;

- de akte houdende overlegging producties van de Staat;

- de faxberichten van PVU cs van 29 juni 2017 en 3 en 4 juli 2017, met producties;

- de akte houdende overlegging aanvullende producties van de Staat;

- de akte houdende overlegging productie van Syncasso;

- de op 5 juli 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 Het incident tot tussenkomst, dan wel voeging

2.1.

Syncasso heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen PVU cs en de Staat, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Staat. Ter zitting hebben PVU cs en de Staat verklaard geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van de incidentele vordering. Syncasso is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst in de weg staat aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen.

3 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

3.1.

Het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna 'CJIB') - een onderdeel van het ministerie van Veiligheid en Justitie - int vorderingen van verschillende organisaties/onderdelen van de Rijksoverheid. In het kader van het uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst is besloten om de gerechtsdeurwaarderstrajecten van het Centraal Administratiekantoor (CAK), het Zorginstituut Nederland (ZIN), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) centraal bij het CJIB onder te brengen. Beoogd wordt om te gaan werken met een persoonsgerichte incasso, waarbij alle executoriale titels van voornoemde vijf bestuursorganen door het CJIB per debiteur worden aangeboden aan één gerechtsdeurwaarder.

3.2.

Om te komen tot persoonsgerichte incasso heeft het CJIB inmiddels drie aanbestedingsprocedures uitgeschreven. De eerste aanbesteding is door het CJIB ingetrokken. De tweede aanbestedingsprocedure is naar aanleiding van vijf afzonderlijke kort gedingen op last van de voorzieningenrechter van deze rechtbank ingetrokken (vonnissen uitgesproken op 3 september 2015).

3.3.

Op 15 juli 2016 heeft het CJIB op TenderNed de huidige Europese aanbestedingsprocedure "Gerechtsdeurwaardersdiensten Clustering Rijksincasso" aangekondigd. De aanbesteding wordt uitgevoerd conform het Europese regime voor sociale en andere specifieke diensten als bedoeld in artikel 2.38 van de Aanbestedingswet 2012 (hierna 'Aw').

3.4.

Voor zover hier van belang vermeldt (de laatste versie van) het Beschrijvend Document van 17 januari 2017 (hierna 'BD') het volgende:

" Voorwoord

(…)

De aanbesteding bestaat uit 20 Percelen. U wordt uitgenodigd om op basis van dit Beschrijvend Document een Inschrijving in te dienen voor 1 tot maximaal 5 Percelen. Per Perceel worden, afhankelijk van de grootte van dat Perceel, 2 tot 14 Opdrachtnemers gecontracteerd. Hoeveel Opdrachtnemers de Opdrachtgever per Perceel voornemens is te contracteren, is vermeld in paragraaf 1.2.5.

(…)

1.1.5

Doelstellingen van de aanbesteding

Het Programma Clustering Rijksincasso wordt gezien als één van de bouwstenen om vanuit de Rijksoverheid een antwoord te kunnen geven op de maatschappelijke ontwikkelingen en schuldenproblematiek in Nederland. Voor een (groeiende) groep Debiteuren van de Rijksoverheid met multi-problematiek dient een passende aanpak te worden gehanteerd, waarbij richting het Gerechtsdeurwaarderstraject meer wordt gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de Debiteur.

(…)

Met deze aanbesteding wil de Opdrachtgever een concrete bijdrage leveren aan persoonsgerichte incasso. Het per Debiteur bundelen en geclusterd aanbieden van openstaande vorderingen is daarbij slechts een middel en dienend aan de doelstellingen van de aanbesteding. Deze doelstellingen zijn afgeleid van de Rijksincassovisie en de doelstellingen van het programma CRI en als volgt geformuleerd:

  1. Schulden niet onnodig laten oplopen bij Debiteuren die geen verhaal (meer) bieden (aanbestedingsdoel 1);

  2. Persoonsgericht incasseren bij Debiteuren die niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen (aanbestedingsdoel 2).

De Opdrachtgever zal meerdere Opdrachtnemers contracteren die voldoen aan alle in het Beschrijvend Document gestelde eisen én op grond van hun Inschrijving het beste in staat worden geacht bij te dragen aan het realiseren van bovengenoemde doelstellingen. De gehanteerde Gunningscriteria zijn een vertaling van de doelstellingen van de aanbesteding en gericht op een persoonsgericht en sociaal-maatschappelijk verantwoord incassoproces.

(…)

1.1.6

Motivering samengevoegde Opdracht

(…)


De aan de aanbesteding ten grondslag liggende doelstellingen zijn zwaarwegend en rechtvaardigen dat de vorderingen van de Bestuursorganen worden geclusterd. De eventuele negatieve gevolgen voor de toegang voor kleine en middelgrote gerechtsdeurwaarderskantoren worden in voldoende mate gecompenseerd door de Opdracht op te delen in 20 Percelen. Daarnaast mogen Inschrijvers op maximaal 5 Percelen inschrijven en zullen per Perceel meerdere Inschrijvers worden gecontracteerd, waarbij het aantal Opdrachtnemers wordt afgestemd op het aantal vorderingen dat naar verwachting in het Perceel valt te vergeven. Bij de keuze van het aantal Percelen en het aantal Opdrachtnemers per Perceel is rekening gehouden met de uitkomsten van onder andere een schriftelijke marktconsultatie. Zie voor de verdere uitwerking paragrafen 1.2.4 en 1.2.5.

(..)

1.2.4

Perceelindeling

Aangezien de burger bij deze Opdracht centraal staat is het mogelijk om de Opdracht op te delen in meerdere Percelen, zonder dat daarmee de samenhang wordt geschaad. De Opdrachtgever heeft er voor gekozen om de aanbesteding op te delen in 20 Percelen. De Percelen stemmen overeen met de 19 voormalige arrondissementen binnen Nederland, met één extra Perceel voor Flevoland.

(…)

De keuze voor deze perceelindeling is ingegeven vanuit het Rijksbrede beleid om het midden- en kleinbedrijf de kans te geven werkzaamheden voor de Rijksoverheid uit te voeren. Deze categorie bedrijven werkt veelal regionaal en kan met de gekozen perceelindeling inschrijven op Gerechtsdeurwaarderdiensten binnen hun eigen verzorgingsgebied.

(…)

3 Voorwaarden bij de aanbesteding

Dit hoofdstuk beschrijft welke voorwaarden van toepassing zijn op deze aanbesteding. Door het indienen van een Inschrijving stemt de Inschrijver in met alle voorwaarden - waaronder (maar niet beperkt tot) - de voorwaarden in dit hoofdstuk.

(…)

3.1.4 Inschrijven op maximaal 5 Percelen

Het is toegestaan om op één of op meerdere Percelen in te schrijven, waarbij elke Inschrijver op maximaal 5 Percelen in mag schrijven via Negometrix, hetzij als zelfstandig Inschrijver, hetzij als lid van een Combinatie, hetzij als onderaannemer van een zelfstandig Inschrijver of Combinatie. Indien een Inschrijver op meer dan 5 Percelen inschrijft, dan worden al deze Inschrijvingen terzijde gelegd. Er zijn geen restricties voor de Percelen waarop een Inschrijver mag inschrijven; het staat Inschrijver dus vrij om zelf te kiezen op welke Percelen hij gaat inschrijven. Het maximum aantal Percelen dat gegund wordt aan één Opdrachtnemer bedraagt 5.

De Opdrachtgever hanteert deze beperkingen om goede marktwerking te stimuleren met kansen voor het groot, midden- en kleinbedrijf om Percelen te verwerven. De Opdrachtgever streeft naar het contracteren van een substantieel deel van de markt. Het beperken van het aantal Percelen dat aan één Opdrachtnemer kan worden gegund draagt hier in belangrijke mate aan bij. Bijkomende voordelen zijn dat de Opdrachtgever niet afhankelijk wordt van een klein aantal gerechtsdeurwaarderskantoren en dat Inschrijvers naar verwachting zullen inschrijven op Percelen in of nabij hun (primaire) verzorgingsgebied. Dit kan persoonlijk contact tussen de Debiteur en de Gerechtsdeurwaarder vergemakkelijken. Ook biedt de regeling Gerechtsdeurwaarders de mogelijkheid om regionale kennis te benutten en draagt de regeling bij aan efficiency door het beperken van reistijden.

(…)

3.1.5 Maximaal éénmaal als Inschrijver of onderaannemer inschrijven op een Perceel

Indien een onderneming op een Perceel inschrijft kan dat slechts éénmaal, hetzij als zelfstandig Inschrijver, hetzij als lid van een Combinatie, hetzij als onderaannemer van een zelfstandig Inschrijver of Combinatie. Indien een situatie zich voordoet waarin een onderaannemer ook als zelfstandig Inschrijver of in Combinatie heeft ingeschreven, zullen beide Inschrijvingen ongeldig worden geacht.

Indien ondernemingen uit dezelfde groep als bedoeld in artikel 2:24a en 2:24b BW op hetzelfde Perceel inschrijven (hetzij als zelfstandig Inschrijver, hetzij als lid van een Combinatie, hetzij als onderaannemer) dienen zij op verzoek van de Opdrachtgever te kunnen aantonen dat zij zelfstandig, dat wil zeggen volledig onafhankelijk en zonder wetenschap van het ter zake relevante marktgedrag van de andere ondernemingen uit dezelfde groep, inschrijven danwel als onderaannemer deelnemen aan de Inschrijving. Kan dit door één of meer ondernemingen uit de groep niet worden aangetoond, dan leidt dit tot ongeldigverklaring van de Inschrijving van deze onderneming(en). Verschillende ondernemingen uit een groep mogen uiteraard wel gezamenlijk inschrijven als Combinatie.

(…)

3.1.7 Proactief handelen Inschrijver

Alle informatie zoals opgenomen in dit Beschrijvend Document en de overige Aanbestedingsstukken is naar beste kunnen geleverd en met zorg samengesteld.

Indien een Inschrijver van mening is dat in de Aanbestedingsstukken één of meerdere eisen zijn opgenomen waarvan nakoming onmogelijk of onredelijk bezwarend is, zodat nakoming van deze eis(en) in redelijkheid niet kan worden gevergd, dan dient de Inschrijver dit zo snel mogelijk na de ontvangst van het desbetreffende aanbestedingsdocument gemotiveerd schriftelijk te melden bij de Opdrachtgever. Het is Inschrijvers niet toegestaan dergelijke principiële bezwaren op te houden tot de sluitingsdatum van de eerstvolgende vragenronde (laat staan op te houden tot een nog latere fase van de aanbestedingsprocedure waarin eventuele gebreken niet meer door de Opdrachtgever kunnen worden hersteld).

Datzelfde geldt indien een Inschrijver meent dat verstrekte informatie onjuist of onvolledig is, of enige bepaling of onderdeel van het Beschrijvend Document of een ander Aanbestedingsstuk onjuist, tegenstrijdig met andere Aanbestedingsstukken, onrechtmatig of op andere wijze onregelmatig is. Ook op die bezwaren dient Inschrijver de Opdrachtgever terstond na de ontvangst van het desbetreffende Aanbestedingsstuk schriftelijk te attenderen.

Indien een Inschrijver zich niet op de voorgeschreven wijze pro actief opstelt en de Opdrachtgever aldus niet tijdig op zijn bezwaren heeft geattendeerd, is die Inschrijver niet ontvankelijk in enige (latere) vordering (waaronder ook een vordering tot schadevergoeding) verband houdend met die bezwaren.

Alle in de opdracht geïnteresseerde ondernemingen hebben de mogelijkheid om binnen 10 dagen na publicatie van Nota van Inlichtingen 6 in kort geding bezwaar te maken tegen (delen van) de aanbestedingsdocumentatie, tegen (delen van) de verstrekte informatie en/of tegen enig ander aspect in relatie tot de aanbestedingsprocedure. Het kort geding dient binnen een termijn van 10 dagen na bekendmaking van Nota van Inlichtingen 6 (dat wil zeggen uiterlijk op 11 november aanstaande vóór 17.00 uur) door middel van betekening van een dagvaarding aanhangig te zijn gemaakt. Indien u binnen deze termijn van 10 dagen en derhalve uiterlijk 11 november 2016 17.00 uur geen kort geding aanhangig heeft gemaakt, gaat de Opdrachtgever ervan uit en mag zij er ook vanuit gaan dat u uw bezwaar niet handhaaft en vervalt uw recht om met betrekking tot uw eventuele bezwaren alsnog in rechte op te komen en/of aan dat bezwaar enige aanspraak in rechte te ontlenen. Voor de goede orde merkt de Opdrachtgever daarbij op dat het aanhangig zijn of maken van een klachtprocedure de 10 dagen termijn niet opschort.

Indien op de voorgeschreven wijze een kort geding aanhangig wordt gemaakt, zal de Opdrachtgever de uitkomst van het kort geding afwachten alvorens een nieuwe inschrijfdatum zal worden bepaald.

De mogelijkheid om een kort geding aanhangig te maken laat het overigens bepaalde in deze paragraaf onverlet. Dit betekent dat het niet is toegestaan om in kort geding (of in een klachtenprocedure) nieuwe bezwaren aan te voeren waarop al eerder tijdens de aanbestedingsprocedure had kunnen en moeten worden geattendeerd. Indien een (potentiële) Inschrijver zich niet op de voorgeschreven wijze proactief heeft opgesteld en de Opdrachtgever niet tijdig in de aanbestedingsprocedure op onvolkomenheden, onjuistheden of tegenstrijdigheden heeft geattendeerd, zal de Opdrachtgever in kort geding de Voorzieningenrechter verzoeken de vorderingen op deze grond niet-ontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren.

(…)

3.1.13 Vertrouwelijkheid

Alle door de Inschrijvers in het kader van deze aanbesteding verstrekte informatie wordt door de Opdrachtgever vertrouwelijk behandeld. (…)

(…)

3.2.3 Karakter termijnen

Tenzij de Aanbestedingsstukken uitdrukkelijk anders bepalen zijn de daarin aan Inschrijvers gestelde termijnen (waaronder die voor het stellen van vragen, het indienen van verzoeken tot inlichtingen, Inschrijvingen en het instellen van vorderingen) fatale termijnen. Bij overschrijding ervan treedt verval van recht in.

(…)

5 Gunningscriteria

Dit hoofdstuk beschrijft de Gunningscriteria en geeft aan welke informatie een Inschrijver moet opleveren en de wijze waarop de Opdrachtgever deze informatie beoordeelt.

De Inschrijvingen worden op grond van twee Gunningscriteria beoordeeld. Tussen de Gunningscriteria hanteert de Opdrachtgever een weging. De gehanteerde Gunningscriteria en de bijbehorende weging staan in onderstaande tabel:

Nr.

Omschrijving

Gewicht

§

G1

Snelle en betrouwbare herkenning van Debiteuren die geen verhaal (meer) bieden

- Aangeboden werkwijze en onderbouwing

40%

5.2.1

G2

Persoonsgericht incasseren bij Debiteuren die niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen

- Aangeboden werkwijze en onderbouwing

60%

5.2.2

(…)

5.1

Wijze van beoordelen Gunningscriteria

Om per Inschrijver tot een totaalscore op grond van de Gunningscriteria te komen, worden de volgende twee stappen doorlopen:

  1. Bepalen van de ongewogen score per Gunningscriterium;

  2. Berekenen van de gewogen eindscores.

Deze stappen worden hieronder nader toegelicht:

1 Bepalen van de ongewogen score per Gunningscriterium

Het doel dat de Opdrachtgever met de beoordeling wil bereiken, is dat Inschrijvers die een hoge kwaliteit bieden daarvoor worden beloond.

Beoordelingsteams

Per Gunningscriterium (in paragraaf 5.2.1 en verder zijn de Gunningscriteria nader uitgewerkt) is er een deskundig beoordelingsteam bestaande uit een voorzitter en ten minste 3 beoordelaars. In totaal zijn er twee beoordelingsteams, één voor G1 en één voor G2. Beide beoordelingsteams hebben een voorzitter die de bijeenkomsten van het beoordelingsteam voorbereidt en voorzit. De samenstelling van het beoordelingsteam verschilt voor de twee Gunningscriteria. Het beoordelingsteam kan ten behoeve van de beoordeling van delen van de ingediende informatie het advies inwinnen van (een) interne en/of externe deskundige(n).

Rapportcijfers

De leden van het beoordelingsteam beoordelen per Gunningscriterium eerst individueel de kwaliteit van de door de Inschrijver bij zijn Inschrijving ingediende informatie voor het betreffende Gunningscriterium. Afhankelijk van de kwaliteit van het aangebodene wordt door elk lid van het beoordelingsteam een rapportcijfer gegeven op een schaal van 1 tot 10:

Rapportcijfer

Omschrijving

10

Uitmuntend

9

Heel goed

8

Goed

7

Ruim voldoende

6

Voldoende

5

Onvoldoende

4

Ruim onvoldoende

3

Zwak

2

Slecht

1

Heel slecht

Tijdens een plenaire beoordelingssessie bespreekt het beoordelingsteam de per beoordelaar toegekende rapportcijfers. De individuele beoordelaars hebben daarbij de mogelijkheid om, op basis van de gevoerde discussie, hun rapportcijfers al dan niet bij te stellen. Vervolgens worden de rapportcijfers per Gunningcriterium gemiddeld, waarbij de beoordeling van elk afzonderlijk beoordelingsteamlid even zwaar weegt. Het gemiddelde rapportcijfer wordt niet afgerond (maar kan om praktische redenen wel afgerond worden weergegeven).

(…)

Inschrijvers dienen in hun Inschrijving concreet en ondubbelzinnig te beschrijven wat zij aanbieden (dus niet "we kunnen..." of "we doen mogelijk...", maar "we zullen..." of "we doen..."). Onduidelijkheden in de Inschrijving kunnen leiden tot een lagere beoordeling op de kwalitatieve Gunningscriteria.

(…)

2 Berekenen van de eindscore en omgang met gelijke eindscores

Berekenen van de eindscore

Nadat per Perceel en per Inschrijver voor elk Gunningscriterium een gemiddeld niet-afgerond rapportcijfer is berekend, wordt voor elke Inschrijver de eindscore berekend door de gemiddelde rapportcijfers per Gunningscriterium te vermenigvuldigen met het bijbehorende gewicht en vervolgens deze scores bij elkaar op te tellen. Dit resulteert in een niet-afgerond eindrapportcijfer per Inschrijver en per Perceel. Een voorbeeldberekening van een beoordeling is opgenomen in Bijlage G.

Minimaal rapportcijfer

Inschrijvingen die een niet-afgerond eindrapportcijfer (i.e. een eindscore) behalen lager dan een '6' worden terzijde gelegd (knock-out criterium).

(…)

5.2

Gunningscriteria

De Inschrijvingen worden op grond van de Gunningscriteria beoordeeld, zoals in de paragrafen 5.2.1 en 5.2.2 staat omschreven. Per Gunningscriterium wordt een relatie gelegd met de doelstellingen van de aanbesteding en wordt tevens beschreven welke informatie door Inschrijver moet worden aangeleverd en welk beoordelingskader zal worden gehanteerd.

5.2.1

G1: Snelle en betrouwbare herkenning van Debiteuren die geen verhaal (meer) bieden

Doel

Met Gunningscriterium G1 ligt de nadruk op het eerste aanbestedingsdoel (zie paragraaf 1.1.5) van de Opdrachtgever: schulden niet onnodig laten oplopen bij Debiteuren die geen verhaal (meer) bieden.

Uitvraag

In de context van het bovenstaande doel beschrijft en onderbouwt de Inschrijver hoe hij snel en betrouwbaar in staat is te herkennen dat een Debiteur geen verhaal (meer) biedt, met als resultaat dat schuldoploop door onnodige ambtshandelingen wordt voorkomen.

De Inschrijver wordt gevraagd onder vragenlijst 4.1.1 in Negometrix een uitwerking in een Word-bestand van maximaal 3 A4 (inclusief eventuele bijlagen) op te nemen met zijn aanbieding voor Gunningscriterium G1. Deze uitwerking dient in een anoniem en neutraal format aangeleverd te worden (zonder direct herleidbare informatie als een logo, bedrijfsnaam, namen van werknemers, et cetera). (…)

(…)

De Inschrijver wordt gevraagd in zijn uitwerking op de volgende onderwerpen in onderstaande volgorde in te gaan (met onderstaande nummering en paragraaftitels):

1. Werkwijze voor een snelle en betrouwbare herkenning van Debiteuren die geen verhaal (meer) bieden
Een beknopte omschrijving van de werkwijze waarmee u bepaalt of een nieuwe of bestaande Debiteur geen verhaal (meer) biedt. Als onderdeel van uw werkwijze wordt u gevraagd in ieder geval aan te geven:

  • -

    Welke kenmerken of criteria voor verhaalbaarheid u hanteert (in aanvulling op de hierboven genoemde kenmerken en criteria),

  • -

    Op welke wijze en volgens welke stappen u de verhaalbaarheid toetst,

  • -

    Op welk moment (of op welke momenten) u deze toets uitvoert,

  • -

    Welke informatie u hierbij gebruikt en welke informatiebronnen u hiervoor raadpleegt,

  • -

    Hoe u 'oneigenlijke' niet-kunners die wél kunnen betalen identificeert en

  • -

    In hoeverre Debiteuren de mogelijkheid wordt geboden om zelf aan te tonen dat zij geen verhaal (meer) bieden.

2 Onderbouwing van de effecten van de aangeboden werkwijze

De onderbouwing die u ons kunt overleggen om ons ervan te overtuigen dat de door u aangeboden werkwijze zal leiden tot een snelle en betrouwbare herkenning van Debiteuren die geen verhaal (meer) bieden, met als resultaat dat onnodige schuldoploop bij deze Debiteuren wordt voorkomen. U kunt dit bijvoorbeeld aantonen door middel van een logische onderbouwing, gebruik van relevante (regionale) kennis, voorbeelden van best practices en soortgelijke opdrachten en/of metingen en onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat uw werkwijze het beoogde effect heeft.

(…)

5.2.2 G2: Persoonsgericht incasseren bij Debiteuren die niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen

Doel

Met Gunningscriterium G2 ligt de nadruk op het tweede aanbestedingsdoel (zie paragraaf 1.1.5) van de Opdrachtgever: persoonsgericht incasseren bij Debiteuren die niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen.

Deze doelstelling richt zich op de lastige doelgroep van Debiteuren die niet kwalificeren als 'niet-kunner' (die vallen immers onder G1), maar die ook niet beschikken over de middelen om de vorderingen van de Bestuursorganen - en mogelijk ook van andere schuldeisers - direct (helemaal) te betalen. De mate waarin een Gerechtsdeurwaarder deze doelgroep effectief weet te motiveren om te betalen en Debiteuren daar waar nodig ook weet te ondersteunen, acht de Opdrachtgever een belangrijk kwaliteitscriterium. Dit vereist een persoonsgerichte aanpak waarin de belangen van de Opdrachtgever, de Debiteur en de Gerechtsdeurwaarder zorgvuldig worden gewogen.

Uitvraag

In de context van het bovenstaande doel en de daarop gegeven toelichting wordt de Inschrijver gevraagd om onder vragenlijst 4.1.2 in Negometrix een uitwerking in een Word-bestand van maximaal 4 A4 (inclusief eventuele bijlagen) op te nemen met zijn aanbieding voor Gunningscriterium G2. Deze uitwerking dient in een anoniem en neutraal format aangeleverd te worden (zonder direct herleidbare informatie als een logo, bedrijfsnaam, namen van werknemers, et cetera). (…)

De Inschrijver wordt gevraagd in zijn uitwerking op de volgende onderwerpen in onderstaande volgorde in te gaan (met onderstaande nummering en paragraaftitels):

1. Werkwijze voor persoonsgericht incasseren bij Debiteuren die niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen
Een beknopte omschrijving van de werkwijze van incasseren waarmee u voor Debiteuren die niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen, toch een effectief incassoproces weet vorm te geven op basis van een persoonsgerichte aanpak. Als onderdeel van uw werkwijze wordt u gevraagd om in ieder geval aan te geven:

  • -

    Welke persoonsgerichte handelingen u in welke volgorde verricht (bijvoorbeeld bezoek aan huis, schriftelijke communicatie op passend taalniveau, sms-diensten),

  • -

    Welke technieken of competenties u hierbij inzet (bijvoorbeeld nudging, motiverende gespreksvoering),

  • -

    Welke maatwerkproducten u aan Debiteuren kunt bieden (bijvoorbeeld diverse betalingsregelingen),

  • -

    In welke gevallen c.q. voor welke doelgroep(en) deze maatwerkproducten effectief zijn en

  • -

    Hoe u omgaat met onvoorziene omstandigheden bij de Debiteur (dit kan tot uiting komen als een Debiteur niet voldoet aan de voorwaarden van een met u overeengekomen betalingsregeling, bijvoorbeeld door één of meerdere termijnen niet te betalen omdat de Debiteur een onverwacht grote uitgave moet doen).

Daarnaast vragen wij u een beschrijving te geven van de algemene dienstverlening die u aan Debiteuren biedt (bijvoorbeeld budgetcoaching, betaalgemak, bereikbaarheid) voor zover deze ondersteunend is aan de persoonsgerichte handelingen, technieken en producten die u als onderdeel van uw werkwijze heeft benoemd.

2 Onderbouwing van de effecten van de aangeboden werkwijze

De onderbouwing die u ons kunt overleggen om ons ervan te overtuigen dat uw werkwijze, bestaande uit zowel persoonsgerichte handelingen en technieken als algemene dienstverlening, zal leiden tot een effectief incassoproces voor Debiteuren die niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen op basis van een persoonsgerichte aanpak. U kunt dit bijvoorbeeld aantonen door middel van een logische onderbouwing, relevante certificering, opleiding en/of ervaring van personeel, voorbeelden van best practices en soortgelijke opdrachten en/of metingen en onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat uw werkwijze het beoogde effect heeft.

(…)

"

3.5.

Tegen de opzet van de aanbesteding zijn binnen tien dagen na de zesde Nota van Inlichtingen twee kort gedingen aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank. In beide procedures zijn - bij vonnissen van 12 januari 2017 - de bezwaren van de eisende partijen van de hand gewezen en de ingestelde vorderingen afgewezen. Tegen deze vonnissen is geen hoger beroep ingesteld. In de zevende Nota van Inlichtingen heeft het CJIB de inschrijftermijn gesteld op 1 februari 2017.

3.6.

PVU cs hebben tijdig ingeschreven op de percelen 1-8, 11-16, 18 en 20 (eiseres sub 1 op: 1, 4, 6, 15 en 20, eiseres sub 2 op: 1, 4, 6, 15 en 20, eiseres sub 3 op: 4, eiseres sub 4 op: 1, 2 en 15, eiseres sub 5 op: 13, 16 en 18, eiseres sub 6 op: 2, 3, 5, 8 en 14, eiseres sub 7 op: 5, 7, 11 en 13, eiseres sub 8 op: 3, 8, 11, 12 en 14, eiseres sub 9 op: 5, 7, 13, 16 en 18 en eiseres sub 10 op: 4, 6, 7, 17 en 20).

3.7.

Interveniënten hebben - afzonderlijk van elkaar - ingeschreven op in totaal achttien verschillende percelen. Bij gunningsbeslissing(en) van 25 april 2017 heeft het CJIB kenbaar gemaakt voornemens te zijn die achttien percelen aan hen te gunnen (de percelen 3, 8 en 14 aan interveniënte sub 1, de percelen 5, 6, 7, 13 en 16 aan interveniënte sub 2, de percelen 1, 2, 4, 15 en 20 aan interveniënte sub 3 en de percelen 10, 11, 12, 18 en 19 aan interveniënte sub 4).

3.8.

Bij brieven van 25 april 2017 heeft het CJIB aan PVU cs bericht dat de eindscores van hun inschrijvingen niet hoog genoeg zijn om in aanmerking te komen voor een contract op één of meer van de percelen waarop zij hebben ingeschreven.

4 Het geschil

4.1.

Zakelijk weergegeven vorderen PVU cs na wijziging (vermeerdering èn vermindering) van eis - althans zo begrijpt de voorzieningenrechter - het CJIB te:

primair

I. gebieden de voorlopige gunningsbeslissing tenminste voor wat betreft te percelen 1-8, 11-16, 18 en 20 in te trekken;

II. verbieden de opdrachten voor wat betreft de percelen 1-8, 11-16, 18 en 20 definitief te gunnen;

III. gebieden de aanbestedingsprocedure tenminste voor wat betreft te percelen 1-8, 11-16, 18 en 20 in te trekken;

IV. gebieden om - voor zover het een nieuwe aanbestedingsprocedure wenst te starten voor wat betreft de percelen 1-8, 11-16, 18 en 20 - daarbij (i) geen benadeling te laten plaatsvinden van deurwaarders die niet als concern zijn georganiseerd, (ii) in de aanbestedingsstukken te verduidelijken op welke wijze de aanwezigheid van een inschrijver in het betreffende perceel zal worden meegewogen, (iii) andere gunningscriteria, die wel onderscheidend vermogen hebben, te hanteren, (iv) er voor zorg te dragen dat wordt ingeschreven op basis van een anoniem en neutraal format en (v) te waarborgen dat de leden van de beoordelingsteams tenminste over gedegen kennis beschikken van de werkprocessen van gerechtsdeurwaarderskantoren;

subsidiair

V. gebieden de voorlopige gunningsbeslissing tenminste voor wat betreft te percelen 1-8, 11-16, 18 en 20 in te trekken;

VI. gebieden de inschrijvingen tenminste voor wat betreft te percelen 1-8, 11-16, 18 en 20 te laten herbeoordelen door twee deskundige beoordelingsteams;

VII. gebieden na de herbeoordeling een nieuwe gunningsbeslissing te nemen voor wat betreft de percelen 1-8, 11-16, 18 en 20;

meer subsidiair

VIII. gebieden voor wat betreft de percelen 1-8, 11-16, 18 en 20 aan PVU cs een nadere en deugdelijke motivering van de beoordeling van hun inschrijvingen te verstrekken;

meest subsidiair

IX. in goede justitie een andere - passende - beslissing te nemen, die recht doet aan de belangen van PVU cs;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

Daartoe voeren PVU cs - kort samengevat - het volgende aan.

PVU cs kunnen zich niet vinden in de door het CJIB gekozen wijze van aanbesteding en de inhoud van de aanbestedingsstukken. Dat kan enkel worden opgelost door de gunningsbeslissingen in te trekken, de aanbestedingsprocedure te staken en over te gaan tot heraanbesteding voor zover het CJIB de opdracht(en) nog wil gunnen. Indien het CJIB overgaat tot heraanbesteding, moet worden gewaarborgd dat de doelstellingen van de aanbesteding worden gerealiseerd, in die zin dat een goede marktwerking wordt gestimuleerd, zowel het groot als het midden- en kleinbedrijf kansen wordt geboden, met een substantieel deel van de markt wordt gecontracteerd, afhankelijkheid van een klein aantal gerechtsdeurwaarderskantoren wordt voorkomen en inschrijvingen van partijen in of nabij hun (primaire) verzorgingsgebied wordt bevorderd. Bovendien deugt de beoordeling van de inschrijvingen van PVU cs niet en zijn de gunningsbeslissingen niet correct gemotiveerd.

4.3.

De Staat en Syncasso voeren gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4.4.

Syncasso vordert het CJIB te gebieden de opdracht overeenkomstig de gunningsbeslissingen van 25 april 2017 aan haar te gunnen en over te gaan tot het sluiten van overeenkomsten met haar ter zake van de percelen 3, 8, 14, 5, 6, 7, 13, 16, 10, 11, 12, 18, 19, 1, 2, 4, 15 en 20, met veroordeling van PVU cs in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.5.

Verkort weergegeven stelt Syncasso daartoe dat het CJIB op goede gronden voornemens is die percelen aan haar te gunnen.

4.6.

Voor zover nodig zullen de standpunten van PVU cs en de Staat met betrekking tot de vorderingen van Syncasso hierna worden besproken.

5 De beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de vorderingen van PVU cs

Vooraf

5.1.

Op de zitting hebben PVU cs hun aanvankelijke vordering tot ongeldigverklaring van de inschrijvingen van Syncasso ingetrokken, zodat daarop niet meer behoeft te worden beslist.

5.2.

In de onderhavige procedure spelen drie kwesties, te weten:

(i) de gekozen wijze van aanbesteding en de inhoud van de aanbestedingsstukken;

(ii) de beoordeling van de inschrijvingen;

(iii) de motivering van de gunningsbeslissing.

Deze zullen hierna - telkens afzonderlijk - worden besproken.

De gekozen wijze van aanbesteding en de inhoud van de aanbestedingsstukken

5.3.

De door PVU cs in de onderhavige procedure aan de orde gestelde gebreken in de opzet van de aanbesteding en de inhoud van de aanbestedingsstukken, in het bijzonder het BD, kunnen in dit kort geding (inhoudelijk) niet meer aan de orde komen. Daarmee is PVU cs - zoals de Staat en Syncasso terecht hebben aangevoerd - te laat. Daarvoor is het volgende van belang.

5.4.

Van een deelnemer aan een aanbesteding mag een proactieve houding worden verwacht. Daarmee wordt voorkomen dat aanbestedingsprocedures onnodig worden vertraagd en bewerkstelligd dat eventuele omissies in de procedure zodanig tijdig aan de orde worden gesteld dat zij nog (eenvoudig) kunnen worden hersteld. Daarmee is niet alleen het belang van de aanbestedende dienst gediend, maar ook het belang van de (andere) deelnemers omdat voorkomen wordt dat kosten worden gemaakt voor een procedure die niet aan de eisen voldoet. Het tijdstip waarop over een bepaald aspect van een aanbestedingsprocedure moet worden geklaagd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin dient van een gegadigde te worden verwacht dat hij zijn bezwaren kenbaar maakt zo spoedig mogelijk nadat hij kennis had of had behoren te hebben van de gestelde gebreken in de procedure.

5.5.

Het vorenstaande is in deze aanbesteding tot uitdrukking gebracht in paragraaf 3.1.7 van het BD, waarin is beschreven wat van inschrijvers wordt verlangd op het gebied van proactief handelen. Op grond daarvan diende een inschrijver, indien deze meende dat een bepaling of onderdeel van het BD, dan wel een ander aanbestedingsstuk, onrechtmatig of onregelmatig is, het CJIB terstond na de ontvangst van het desbetreffende stuk schriftelijk daarop te attenderen. Daarbij is opgenomen dat - bij gebreke daarvan - de inschrijver niet-ontvankelijk is in enige (latere) vordering verband houdend met die bezwaren. In dezelfde paragraaf wordt vervolgens aan alle in de opdracht geïnteresseerde ondernemingen de mogelijkheid geboden om binnen tien dagen na publicatie van de zesde Nota van Inlichtingen (op 1 november 2016) in kort geding bezwaar te maken tegen (delen van) de aanbestedingsdocumentatie en enig ander aspect in relatie tot de aanbestedingsprocedure. Daaraan is toegevoegd dat, indien uiterlijk 11 november 2016 geen kort geding aanhangig is gemaakt, het CJIB ervan uit gaat en ook ervan mag uitgaan dat het bezwaar niet wordt gehandhaafd en dat het recht vervalt om met betrekking tot eventuele bezwaren alsnog in rechte op te komen en/of aan dat bezwaar enige aanspraak in rechte te ontlenen. Voorts volgt uit paragraaf 3.2.3 van het Beschrijvend Document dat die termijn fataal is en dat bij overschrijding daarvan sprake is van verval van recht. Het CJIB heeft in de zesde Nota van Inlichtingen ook nader toegelicht waarom het voor die regeling heeft gekozen, namelijk ter vermijding van onnodige vertraging van de aanbestedingsprocedure door elkaar in de tijd opvolgende klachtprocedures en/of kort gedingen. Die reden komt de voorzieningenrechter met name in deze aanbesteding (de derde) begrijpelijk voor.

5.6.

PVU cs hebben nog opgemerkt dat het resultaat van de aanbesteding een bevestiging vormt van de juistheid van haar bezwaren en dat dit resultaat nu pas bekend is. Dat maakt echter niet dat zij hun bezwaren niet al eerder naar voren hadden kunnen brengen. De bezwaren betreffen immers de opzet van de aanbesteding, die vóór de inschrijving al bekend was. Niet valt in te zien dat en waarom klagen hierover pas mogelijk zou zijn, nadat de beoordeling van de inschrijvingen heeft plaatsgevonden en de voorlopige gunningsbeslissing is genomen. PVU cs hebben daarvoor in ieder geval geen plausibele reden aangevoerd. Wanneer PVU cs in verband met hun bezwaren tijdig een kort gedingprocedure aanhangig zouden hebben gemaakt, zou daarover zijn geoordeeld (ongeveer) gelijktijdig met de andere twee kort gedingen waarin de opzet van de aanbesteding aan de orde werd gesteld, een en ander zoals in het systeem van deze aanbesteding besloten ligt. Overigens waren eiseressen sub 6, 9 en 10 betrokken bij één van die procedures.

5.7.

Een en ander betekent dat PVU cs hun recht om ter zake van de hier aan de orde zijnde bezwaren - zoals het gekozen aanbestedingsregime, het ontbreken van voldoende onderscheidend vermogen tussen de twee gunningscriteria, de bevoordeling van grote deurwaarderskantoren, onvoldoende waarborgen tegen een partijdige beoordeling van de inschrijvingen en de disproportionaliteit van de aangeboden rechtsbescherming - in het onderhavige kort geding aanhangig te maken, hebben verwerkt. Door in te schrijven hebben PVU cs zich bij opzet van de aanbestedingsprocedure en de inhoud van de aanbestedingsstukken onvoorwaardelijk neergelegd.

Beoordeling

5.8.

Vooropgesteld wordt dat enige mate van subjectiviteit inherent is aan de beoordeling van een kwalitatief gunningscriterium, zoals hier aan de orde. Weliswaar staat dat enigszins op gespannen voet met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het behoeft als zodanig nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht en/of die beginselen. Van belang is dat (i) het voor een potentiële inschrijver volstrekt duidelijk is wat er van hem wordt verwacht, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld en (iii) de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk wordt gemotiveerd dat het voor een afgewezen inschrijver mogelijk is om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. Voor het overige komt aan de voorzieningenrechter slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van een kwalitatief criterium. Aan de aangewezen beoordelingscommissie, waarvan de deskundigheid in beginsel moet worden aangenomen, moet dienaangaande de nodige vrijheid worden gegund, mede waar van een rechter niet kan worden verlangd dat deze specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht. Slechts wanneer sprake is van procedurele dan wel inhoudelijke onjuistheden en/of onduidelijkheden, die zouden kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter. Dat klemt te meer nu een 'volle toetsing' er toe zou kunnen leiden, dat vertrouwelijke en/of concurrentiegevoelige informatie van de winnaar(s) van de aanbestedingsprocedure openbaar moet worden gemaakt, wat de rechtmatige commerciële belangen van die winnaar(s) kan schaden en/of afbreuk kan doen aan de eerlijke mededinging.

5.9.

Bovendien is van belang dat - in geval van een beoordelingssystematiek zoals hier aan de orde - van een inschrijver mag worden verwacht dat hij in eigen bewoordingen aangeeft op welke wijze hij de verlangde kwaliteit gaat leveren. Daarmee wordt hij in de gelegenheid gesteld zich te onderscheiden van de andere inschrijvers en aldus zijn meerwaarde aan te tonen. Mede gelet hierop behoeft een aanbestedende dienst dan ook niet aan te geven wat nodig is om een maximale score op een criterium te behalen. Alsdan zou iedere innovatie, creativiteit of ieder zelfstandig denkproces bij de inschrijvers worden geëcarteerd. Daaraan is inherent dat een inschrijvende partij de ruimte wordt geboden om op eigen wijze aan te geven hoe hij de gewenste kwaliteit invult. Daardoor wordt hij optimaal gestimuleerd om inventief in te schrijven en kenbaar te maken begrip en inzicht te hebben voor c.q. in die aspecten van de opdracht die volgens hem relevant zijn voor de aanbestedende dienst.

5.10.

Verder is specifiek voor de onderhavige aanbesteding het belang dat wordt gehecht aan het geven van volledig, duidelijk en concreet inzicht in de werkwijze, aan een duidelijke onderbouwing, met een specifieke uitwerking hoe de onderdelen van de werkwijze bijdragen aan het resultaat, alsmede aan verifieerbare voorbeelden, metingen of resultaten. De bij de beoordeling gebruikte termen zoals bijvoorbeeld "onduidelijk omschreven" en "onvoldoende concreet" sluiten daarbij aan. Het CJIB heeft deze termen ook niet in zijn algemeenheid in de beoordeling opgenomen, maar deze telkens gekoppeld aan door haar benoemde onderdelen van de werkwijze en/of hierbij een voorbeeld genoemd.

5.11.

Voorts moet als uitgangspunt worden genomen dat in beginsel er op mag worden vertrouwd dat de inschrijvingen correct en zorgvuldig worden getoetst door de aangewezen beoordelaars.

5.12.

Met inachtneming van het voorgaande zal hierna worden getoetst of de beoordeling van de inschrijvingen van PVU cs stand kan houden.

5.13.

In de dagvaarding hebben PVU cs - onder 64 - gesteld dat bij de beoordeling van hun inschrijvingen sprake is geweest van ongeoorloofde subjectiviteit, inconsistenties en onvoldoende motivering. Die stelling wordt daarin echter - behoudens voor wat betreft het aspect van de regionale marktkennis - nauwelijks nader onderbouwd. Voor voorbeelden verwijzen PVU cs naar hun productie 11. Deze productie betreft - onder andere - een "Specifieke toelichting bij de producties 9 en 11", waarin - onder meer - nader wordt ingegaan op voormelde stelling. De eisen van een goede procesorde brengen echter mee, dat een eisende partij zijn stellingen nader onderbouwt in de dagvaarding, ter ondersteuning waarvan kan worden verwezen naar bepaalde producties. De handelwijze van PVU cs is dan ook niet toelaatbaar. Dat klemt hier te meer nu de Staat onweersproken heeft aangevoerd dat hij de producties pas vijf weken na het uitbrengen van de dagvaarding heeft ontvangen, waarmee hij kennelijk beoogt te stellen door de handelwijze van PVU cs te zijn bemoeilijkt in zijn verweer.

5.14.

Overigens hebben PVU cs voormelde stelling - wederom met uitzondering van de kwestie ter zake van de regionale marktkennis - op de zitting niet nader toegelicht, ook niet nadat de Staat deze in eerste termijn - voor zover mogelijk - gemotiveerd had weersproken. Gelet hierop moet worden aangenomen dat PVU cs de onderhavige stelling enkel voor wat betreft de regionale marktkennis heeft gehandhaafd, althans dat PVU cs hun standpunt onvoldoende hebben onderbouwd.

5.15.

PVU cs stellen zich op het standpunt dat uit de gunningsbeslissingen blijkt dat de afwezigheid van een vestigingsplaats binnen het perceel waarop is ingeschreven - anders dan zij mochten verwachten - niet heeft geleid tot een lagere score. Hieruit volgt volgens hen dat de regionale marktkennis niet is meegewogen. Met de Staat moet worden geoordeeld dat PVU cs het belang van dat aspect niet (goed) heeft begrepen. In de aanbestedingsstukken is immers niet opgenomen dat het enkele feit dat de inschrijver is gevestigd in het perceel waarop is ingeschreven reeds leidt tot meerwaarde. Het gaat er om dat inschrijvers duidelijk maken dat hun werkwijze positief wordt beïnvloed door de regionale marktkennis waarover zij zeggen te beschikken. Gesteld noch gebleken is dat de inschrijvingen van PVU cs daaraan voldoen.

5.16.

Voor zover PVU hebben willen betogen dat 3 (G1) en 4 (G2) A4'tjes onvoldoende zijn voor de uitwerking van de betreffende criteria, moet daaraan worden voorbijgegaan. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.3 tot en met 5.7. is overwogen, komt PVU cs een beroep daarop niet meer toe.

5.17.

Voor het geval PVU cs ook in het onderhavige kader hebben willen aanvoeren dat de beoordeling van de inschrijvingen - anders dan mocht worden verwacht op basis van de aanbestedingsstukken - niet anoniem plaatsvond, wordt dat betoog verworpen. Het BD verlangt dat de uitwerkingen van de gunningscriteria worden aangeleverd in een "anoniem en neutraal format" zonder "direct herleidbare informatie als een logo, bedrijfsnaam, namen van werknemers, et cetera". In de eerste Nota van Inlichtingen is toegelicht dat met dit vereiste is voorgeschreven dat inschrijvers hun inschrijving indienen op "neutraal papier zonder enige verwijzing naar het kantoor etcetera" waarmee wordt "geborgd dat de inschrijvingen "blind" worden beoordeeld". Uit de verwijzing naar de woorden "format" en "papier" kan worden afgeleid dat zichtbare verwijzingen naar de inschrijver in de tekst zelf en in de verdere opmaak daarvan (zoals in de koptekst, de voettekst en het logo) moeten worden vermeden. Daarbij moet het dan ook nog gaan om direct herleidbare informatie die achterwege moet worden gelaten. Het strekt te ver om op basis hiervan aan te nemen dat inschrijvers actief bepaalde metadata van het bestand zouden hebben moeten verwijderen of wijzigen, bij gebreke waarvan hun inschrijving ongeldig zou zijn. Indien dat zou zijn vereist, had dit uitdrukkelijk voorgeschreven moeten worden en dat is niet geschied. Daar komt bij dat de blinde beoordeling in de praktijk ook daadwerkelijk is gewaarborgd, nu de leden van de beoordelingscommissie alleen de beschikking hebben gekregen over de tekst van de uitwerkingen in PDF-vorm, terwijl concrete aanwijzingen dat de leden van de beoordelingscommissie hebben getracht de oorspronkelijke auteur van de tekst te achterhalen zijn gesteld noch gebleken.

5.18.

Op grond van het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat de bezwaren van PVU cs tegen de beoordeling van hun inschrijvingen geen doel treffen.

Motivering

5.19.

Tussen partijen lijkt op zichzelf niet in geschil te zijn dat de in artikel 2.130 Aw voorgeschreven motiveringsplicht betreffende de gunningsbeslissing formeel niet van toepassing is op de onderhavige aanbestedingsprocedure op grond van het bepaalde in artikel 2.39, lid 2, Aw. Dat laat echter onverlet dat het CJIB ook in dit geval - evenals in de gevallen waarin artikel 2.130 Aw wel van toepassing is - gehouden is de inschrijvers te informeren over alle relevante redenen voor de gunningsbeslissing, waaronder in ieder geval dienen te worden verstaan de kenmerken en voordelen van de uitgekozen inschrijving. (zoals ook reeds overwogen in één van de onder 3.5 bedoelde kort gedingvonnissen [kenmerk ECLI:NL:RBDHA:2017:4856]). Dat is immers noodzakelijk om een doeltreffende rechtsbescherming van de betrokken inschrijvers tegen het gunningsbesluit mogelijk te maken. Dat op het CJIB voormelde verplichting rust is overigens tussen partijen niet in geschil. Wel verschillen zij met elkaar van mening over de vraag of de door het CJIB gegeven motivering aan voormelde eisen voldoet. Volgens de Staat is de gunningsbeslissing zelfs uitgebreider gemotiveerd dan waartoe artikel 130 lid 2 Aw verplicht.

5.20.

Het CJIB heeft in (de separate toelichting op) de gunningsbeslissing de volgende elementen opgenomen: (i) de scores van PVU cs op beide gunningscriteria, alsmede hun eindscores, (ii) een toelichting op de door PVU cs op beide criteria behaalde scores, waarbij zowel positieve als minder-positieve, dan wel niet-positieve aspecten zijn opgenomen, een en ander gerelateerd aan hetgeen in het BD is gevraagd en (iii) de winnaars van de betreffende percelen, alsmede hun scores op beide gunningscriteria en hun eindscores.

5.21.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt daarmee voldaan aan de onder 5.19 vermelde motiveringsvereisten en rusten op het CJIB geen verdergaande verplichtingen in dat verband (zie ook: Kamerstukken II 2008-2009, 32 027, nr. 3, p. 7 en de door de Staat in zijn antwoordakte, onder 4.14, vermelde jurisprudentie). Dat klemt in de onderhavige aanbestedingsprocedure te meer, nu blijkens de aanbestedingsstukken iedere inschrijving wordt beoordeeld op zijn eigen merites en dus geen sprake is van een relatieve beoordelingswijze (zie bijv. vraag 234 in de tweede Nota van Inlichtingen). Bovendien betreft het een integrale beoordeling, zodat aan een onderlinge vergelijking van de inschrijvingen van de 'winnaars' en 'verliezers' op de afzonderlijke in de beoordeling aangeduide punten een beperkte waarde kan worden toegekend. Ten slotte bevat de uitwerking van de aangeboden werkwijze en onderbouwing bedrijfsvertrouwelijke informatie. Dit beperkt de mogelijkheid om inhoudelijke informatie te verstrekken over de bieding van de 'winnaars'.

Afronding

5.22.

De slotsom is dat de vorderingen van PVU cs zullen worden afgewezen.

5.23.

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen PVU cs worden veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor een veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI: NL:HR:2010: BL1116).

Met betrekking tot de vorderingen van Syncasso

5.24.

In de stellingen van de Staat ligt besloten dat hij nog steeds voornemens is verdere uitvoering te geven aan de gunningsbeslissingen zoals kenbaar gemaakt in zijn brief van 25 april 2017. Bij die stand van zaken heeft Syncasso geen belang bij toewijzing van haar vordering. Deze zal dan ook worden afgewezen.

5.25.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Syncasso in het kader van haar tegen de Staat gerichte vordering worden veroordeeld in de kosten van de Staat. Deze kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Staat als gevolg van die vordering extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moeten PVU cs in hun verhouding tot Syncasso worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Syncasso was immers te bewerkstelligen dat de gunningsbeslissingen van 25 april 2017 in stand blijven. Dat doel is bereikt. PVU cs zullen dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van Syncasso, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor wat betreft de door Syncasso gevorderde nakosten wordt kortheidshalve verwezen naar hetgeen daarover is overwogen onder 5.23.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter:

6.1.

wijst de vorderingen van PVU cs af;

6.2.

wijst de vordering van Syncasso af;

6.3.

veroordeelt Syncasso voor wat betreft de door haar ingestelde vordering tegen de Staat in de kosten van de Staat, die worden begroot op nihil;

6.4.

veroordeelt PVU cs in de overige proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van zowel de Staat als Syncasso (telkens) begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

6.5.

verklaart de kostenveroordelingen ten behoeve van de Staat en Syncasso uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2017.

jvl