Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:8268

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
C/09/533715 / KG ZA 17/724
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de man niet ontvankelijk is in zijn vordering. De RSJ is de aangewezen instantie om hierover te beslissen. Op de zitting is gebleken dat de man aanvankelijk beroep bij de RSJ heeft ingesteld, maar dat hij dit beroep weer heeft ingetrokken. Dit betekent dat de beslissing van de staatssecretaris onaantastbaar is geworden, zodat de man daartegen niet meer kan opkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/533715 / KG ZA 17/724

Vonnis in kort geding van 26 juli 2017

in de zaak van

[eiser] ,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. T.J. Lindhout te Rotterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden, (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.F.H. Hirsch Ballin te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 juni 2017;

- de door [eiser] overgelegde producties 1 tot en met 13;

- de door [eiser] overgelegde nadere producties 14 tot en met 16;

- de door de Staat overgelegde producties 1 tot en met 3;

- de op 19 juli 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eiser] een akte wijziging van eis is genomen en waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam (hierna ‘het Hof’) van 28 februari 1994 is [eiser] veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens doodslag, twee maal poging tot doodslag, diefstal door middel van braak en bedreiging. [eiser] verblijft sinds 1 december 1992 in detentie in verband met deze veroordeling.

2.2.

In juli 2012 heeft [eiser] een gratieverzoek ingediend. Het openbaar ministerie heeft negatief geadviseerd op dit gratieverzoek. Het gratieverzoek ligt thans voor advisering bij het Hof.

2.3.

[eiser] heeft op 2 februari 2016 verzocht om incidenteel verlof ten behoeve van zijn resocialisatie. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hierna ‘de staatssecretaris’, heeft dit verzoek, mede gelet op negatieve adviezen van de politie en het openbaar ministerie, op 4 mei 2016 afgewezen. Tegen deze beslissing heeft [eiser] op 12 mei 2016 beroep ingesteld bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, hierna ‘de RSJ’, en op 27 mei 2016 heeft hij aanvullende gronden van beroep ingediend.

2.4.

Bij vonnis in kort geding van 10 augustus 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de Staat geboden om binnen een termijn van 10 dagen een aanvang te (doen) maken met het opstellen van een resocialisatieplan ten behoeve van [eiser] door een daartoe geëigende instantie en [eiser] vervolgens deel te laten nemen aan de daarin genoemde resocialisatieactiviteiten, waarbij de voortgang van de resocialisatie van [eiser] maandelijks beoordeeld dient te worden door middel van een voortgangsrapportage. Dit vonnis is in hoger beroep door het Gerechtshof Den Haag bij arrest van 11 oktober 2016 bekrachtigd.

2.5.

Op 18 oktober 2016 is het resocialisatieplan van [eiser] vastgesteld.

2.6.

Na tussenbeslissingen van 31 augustus 2016 en 19 december 2016, waarin de RSJ het beroep heeft aangehouden omdat zij zich onvoldoende geïnformeerd achtte om een beslissing te nemen, heeft de RSJ het beroep van [eiser] tegen de beslissing van 4 mei 2016 tot afwijzing van zijn verzoek om verlof bij uitspraak van 12 april 2017 gegrond verklaard en de staatssecretaris opgedragen om “binnen twee maanden een nieuwe beslissing te nemen toegespitst op klagers eerste incidenteel verlof, dat (in beginsel) binnen drie maanden na de datum van de onderhavige uitspraak moet hebben plaatsgevonden, en verdere verloven als onderdeel van zijn resocialisatieplan.”.

In deze uitspraak is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…)

4.2.

De beroepscommissie heeft reeds in haar tussenbeslissing van 31 augustus 2016 gewezen op het belang van deelname aan resocialisatieactiviteiten voor een zorgvuldige voorbereiding van een gratieverzoek van een levenslanggestrafte. Deelname aan dergelijke activiteiten is van belang voor de beoordeling van een ingediend gratieverzoek, zoals in het geval van klager, die inmiddels bijna 25 jaar is gedetineerd. Tot die activiteiten behoort tevens het verlenen van verlof. Hoewel nog niet met de door het PBC voor klager noodzakelijke gedragsinterventies is aangevangen, komen uit het reclasseringsrapport, het slachtoffer-nabestaandenonderzoek, het NIFP-rapport, noch anderszins uit de stukken (structurele) contra-indicaties voor verlof naar voren. De Staatssecretaris heeft niet, althans onvoldoende, onderbouwd waarom klagers belang bij verlof in deze omstandigheden niet zwaarder weegt dan het maatschappelijk belang bij een ongestoorde tenuitvoerlegging van de straf.

4.3.

Bij deze stand van zaken is het dan ook niet langer redelijk klager verlof te onthouden. Hierbij is in aanmerking genomen dat verlof indien nodig onder bewaking of begeleiding kan plaatsvinden. Verlof dient van klagers resocialisatieplan deel uit te maken. De invulling van de verloven, naar aard en frequentie, dient in dat plan te worden opgenomen. Daarbij acht de beroepscommissie aangewezen dat klager binnen drie maanden na de datum van de onderhavige uitspraak zijn eerste incidenteel verlof heeft genoten.

4.4.

De beroepscommissie gaat er bij haar oordeel vanuit dat klager per tussenrapportage inzake zijn behandeling bij het DOK (toevoeging voorzieningenrechter: bedoeld is een forensisch psychiatrische polikliniek), die naar verwachting (spoedig) zal worden hervat, toestemming zal verlenen voor het verstrekken daarvan aan de DJI en de Staatssecretaris. Niet uitgesloten is immers dat daaruit belemmeringen of risico’s naar voren komen die aan het daadwerkelijk verlenen van verloven, waaronder ook het eerste incidenteel verlof, in de weg staan.

(…)”.

2.7.

Op 29 mei 2017 heeft de staatssecretaris een beslissing genomen met betrekking tot het verlof van [eiser] . In deze beslissing is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“(…)

Aan de uitspraak van de RSJ dien ik gevolg te geven. Hierbij besluit ik dan ook in uw resocialisatieplan op te nemen dat op uw verzoek in 2017 aan u in totaal drie keer op uw verzoek incidenteel verlof wordt toegekend op grond van artikel 31 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting. Het verlof zal eerst worden verleend nadat ik een volwaardige rapportage van het Dok over de voorgang van uw behandeling heb ontvangen en hieruit geen belemmering kan worden opgemaakt voor verlofverlening.

Het Dok heeft mij bericht dat tussenevaluaties worden opgesteld aan het einde van elke behandeling (module). De eerste tussenevaluatie zal begin september 2017 zijn, de tweede eind oktober 2017 en de derde in februari 2018. In de evaluaties zal aandacht worden besteed aan het behandeldoel van de module, uw motivatie en ‘compliance’ en bevatten een risico-taxatie.

De eerste module in uw behandeltraject ziet op een recente monitoring van de risicofactoren, niet op verandering in gedrag. Begin september 2017 zal over deze module een rapportage worden opgesteld. Weliswaar is het mogelijk voor het Dok eerder een tussentijdse beknopte weergave van het verloop van de gesprekken en van het risico op basis van de risicotaxatie te geven, maar een dergelijk onvolledig en onvolwaardig verslag acht ik te beperkte informatie om een verantwoorde beslissing te nemen op uw verlofaanvraag. Er zal dan ook pas over een verlofaanvraag aan u worden besloten als de eerste volwaardige rapportage van september 2017 van het Dok ontvangen is.

Over uw tweede verlofaanvraag zal ik pas besluiten nadat ik de tweede rapportage van eind oktober 2017 heb ontvangen.

(…)

Over de verlofverlening in 2018 en over de vraag of en wanneer u in 2018 in aanmerking kan komen voor onbegeleid verlof zal ik het Adviescollege levenslanggestraften vragen mij te adviseren. Ook tussentijds zal ik mij beraden of ik aanleiding zie het Adviescollege levenslanggestraften te verzoeken mij te adviseren, bijvoorbeeld in het geval dat de tussenrapportages van uw behandelaars mij daartoe aanleiding bieden.

(…)”.

2.8.

Bij brief van 1 juni 2017 heeft de advocaat van [eiser] de staatssecretaris verzocht de verlofbeslissing te herzien, kort gezegd omdat het besluit van de staatssecretaris in strijd is met de uitspraak van de RSJ, nu [eiser] daarmee niet uiterlijk op 12 juli 2017 zijn eerste verlof heeft genoten, omdat onduidelijk is of [eiser] daadwerkelijk drie maal verlof krijgt in 2017 en omdat het besluit niets vermeldt over de aard en de frequentie van de verloven in 2018. De staatssecretaris heeft dit verzoek bij brief van 1 juni 2017 gemotiveerd afgewezen.

2.9.

Op 28 juni 2017 heeft forensisch psychiatrische polikliniek het Dok te Rotterdam, hierna ‘het Dok’, een tussenevaluatie met betrekking tot [eiser] opgesteld. Hierin is (samengevat) opgenomen dat de behandeling positief is gestart, dat de inzet en motivatie van [eiser] goed zijn.

2.10.

Op 11 juli 2017 heeft het Dok een risicotaxatie op basis van de Historische, Klinische en Toekomstige Revisie (HKT-R) met betrekking tot [eiser] opgesteld. Het ‘geïndividualiseerde gewogen gestructureerde klinisch eindoordeel’ voor de komende twaalf maanden voor verloven begeleid door DJI wordt daarin op matig-hoog ingeschat.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – na wijziging van eis en zakelijk weergegeven – (i) de Staat te gebieden om een nieuwe verlofbeslissing te nemen die ertoe strekt dat aan [eiser] uiterlijk binnen zeven dagen na het vonnis zijn eerste verlof wordt verleend en (ii) de Staat te gebieden om een nieuwe verlofbeslissing te nemen waarin de aard en de frequentie van de verloven tot 10 juni 2018 zijn vastgelegd, zoals omschreven in de dagvaarding, een en ander op straffe van een dwangsom; althans (iii) een andere voorziening te treffen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. Gelet op de uitspraak van de RSJ had [eiser] uiterlijk op 12 juli 2017 zijn eerste verlof in het kader van zijn resocialisatie verleend moeten worden. Uit de beslissing van de staatssecretaris blijkt echter dat het eerste verlof pas aan [eiser] wordt verleend als het Dok heeft gerapporteerd over de eerste module (gedragsinterventie), naar verwachting begin september 2017. Er zijn echter reeds een tussenevaluatie van het Dok van 28 juni 2016 en een risicotaxatie van 11 juli 2017 beschikbaar. Nu de staatssecretaris met zijn beslissing afwijkt van de uitspraak van de RSJ, zonder dat sprake is van de door de RSJ genoemde uitzondering, handelt hij onrechtmatig jegens [eiser] . Daar komt nog bij dat de staatssecretaris in zijn beslissing heeft nagelaten om de aard en de frequentie van de verloven van [eiser] in 2018 vast te leggen, maar te kennen heeft gegeven dat hij dit verlof wenst voor te leggen aan het Adviescollege levenslanggestraften. Dit levert een onredelijke vertraging op. [eiser] moet immers ruim voor het moment dat hij 25 jaar in detentie verblijft (in juni 2018) kunnen aantonen dat hij in voldoende mate vorderingen heeft gemaakt in zijn re-integratie. Daarvoor is noodzakelijk dat hij voldoende onbegeleide verloven heeft genoten. Door de handelwijze van de staatssecretaris is daarvan in de situatie van [eiser] mogelijk geen sprake. Ook op dit punt handelt de staatssecretaris onrechtmatig jegens [eiser] .

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

4.2.

De Staat heeft allereerst aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen. Dat verweer slaagt naar het oordeel van de voorzieningenrechter. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.3.

Het onderhavige geschil heeft betrekking op het aan [eiser] te verlenen incidenteel verlof. Tussen partijen staat vast dat de RSJ de aangewezen instantie is om daarover te beslissen en voorts dat de procedure bij de RSJ moet worden aangemerkt als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Het voorgaande betekent dat er in beginsel geen plaats is voor de burgerlijke rechter om een beslissing te nemen over het onderhavige geschil, tenzij sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat de beslissing van de RSJ niet kan worden afgewacht.

4.4.

Ter zitting is gebleken dat [eiser] aanvankelijk beroep bij de RSJ heeft ingesteld, maar dat hij dit beroep nadien weer heeft ingetrokken. De voorzieningenrechter volgt de Staat in zijn betoog dat dit betekent dat de beslissing van de staatssecretaris van 29 mei 2017 formele rechtskracht heeft gekregen, zodat de inhoud daarvan niet meer bij de voorzieningenrechter aan de orde kan worden gesteld. Reeds daarom wordt [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen.

4.5.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat de beslissing niet ander zou luiden in het geval dat [eiser] het bij de RSJ ingestelde beroep niet had ingesteld of dit niet had ingetrokken. [eiser] heeft ter zitting betoogd dat hij het beroep bij de RSJ pro forma heeft ingesteld en dat dit beroep is ingetrokken omdat navraag bij de secretaris van de RSJ leerde dat geen garanties voor een snelle uitspraak konden worden gegeven. Dat de secretaris de verlangde garanties niet kon geven is naar voorlopig oordeel niet onbegrijpelijk. De secretaris beschikte immers nog niet over de gronden van het beroep van [eiser] , zodat een weloverwogen definitieve uitspraak in dat stadium redelijkerwijs niet van de secretaris gevergd kon worden. Anders dan [eiser] kennelijk meent rechtvaardigt een en ander in ieder geval niet het standpunt dat daarmee vaststaat dat de uitspraak van de RSJ niet kan worden afgewacht. Daar komt nog bij dat [eiser] bij de voorzitter van de RSJ op een spoedige behandeling had kunnen aandringen. Dat [eiser] dit heeft nagelaten en ervoor heeft gekozen om het ingestelde beroep in te trekken, is een keuze die voor zijn rekening en risico dient te komen. Dit betekent dat [eiser] ook gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk zou zijn in zijn vorderingen.

4.6.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Staat begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2017.

mvt